Business as usual?

Rellen in de steden. De boekhandel Waterstones wordt niet geplunderd, de omliggende handelszaken wel. Wat als Groot-Brittannië een armoedige jeugd had die het recht op beter onderwijs eiste door wèl boekhandels te plunderen?  Tienerjongens slepen GSM’s, sportschoenen en plasma-tv’s mee, tienermeisjes kleren uit H&M. Ik heb het nieuws van de afgelopen dagen gevolgd op de websites van The Guardian en de BBC en de verwarring gevoeld: de ene commentator wijt deze gebeurtenissen aan gebroken gezinnen en het ontbreken van ouderlijk gezag, de andere aan werkloosheid en uitzichtloosheid, de derde aan de onrust op de financiële markten en de door de regering aangekondigde besparingen, een vierde wijst erop dat Londens burgemeester Boris Johnson als student lid was van The Bullingdon Club, een groepje bevoorrechte amokmakers dat “vanuit een zuiver sportief instinct”, om Henriëtte van Eyk te citeren, restaurantinboedels kort en klein sloeg, een vijfde zinspeelt voorzichtig op een diepe onderstroom van raciale spanningen, nog iemand anders maakte ons duidelijk dat het voor jongeren natuurlijk ook een enorm avontuur en grote loltrapperij was om de politie uit te dagen en te pakken wat je anders niet kunt krijgen.

Politici zeggen dat wij plunderen en roven, maar zij zijn de echte gangsters,” zei een van de jongeren aan een reporter. Een andere verklaarde: “Wij tonen aan de rijken dat wij kunnen doen wat we willen”. Hij bedoelde ongetwijfeld: “… dat wij ook kunnen doen wat wij willen.” Het herinnerde me aan een volksliedje dat weerklonk in de straten van Antwerpen, na de zware vernielingen aangericht door de beeldenstormers  (in tegenstelling tot de gebeurtenissen van de afgelopen dagen was de beeldenstorm een goed georchestreerde terreuractie): Hadden wij begonnen aan cooplieden goedt / Ende der kercken beelden laten met vreden / Ons handen gewassen in papens bloet / Zoo waeren wij heeren van dorpen en steden.

En wat nu? De armen straffen? Of de daders straffen en tegelijkertijd werken aan betere sociale verhoudingen in het westerse land met de minste sociale mobiliteit? En hoe dan? De komende maanden zullen boeiend zijn.

 

Hafiz

Hafiz en zijn muze, door Dulac

Ik leefde in de overtuiging dat Omar Khayyam de enige Perzische dichter in mijn boekenkast was, tot ik stuitte op een boek dat een vriend me ooit schonk: een mooi ingebonden Franse vertaling van de ghazels van Hafiz (+ 1388). De illustratie herinnerde me vreemd genoeg enigszins aan de prenten van Rie Craemer in mijn kinderuitgave van de Duizend en Een Nacht, lang geleden. Hafiz uit Shiraz: zo te zien de dichter van zeer bloemrijke liefdespoëzie, al kan dat ook aan de Franse vertaling liggen. Zijn grafmonument is een geliefd oord; de vertaler citeert uit Pierre Loti’s boek Vers Ispahan (1904): “Il dort, le poète, sous une tombe en agate gravée, au milieu d’un grand enclos exquis, où nous trouvons des allées d’orangers en fleurs, des plates-bandes de roses, des bassins et de frais jets d’eau. Et ce jardin, d’abord réservé à lui seul, est devenu, avec les siècles, un idéal cimetière; car ses admirateurs de marque ont été, les uns après les autres, admis sur leur demande à dormir auprès de lui, et leurs tombes blanches se lèvent partout au milieu des fleurs. Les rossignols, qui abondent par ici, doivent chaque soir accorder leur petites voix de cristal en l’honneur de ces heureux mortels des différentes époques, réunis dans une commune admiration par l’harmonieux Hafiz, et couchés en sa compagnie.” Volgens beelden op het internet ziet het er nog steeds even mooi uit.

C. Devillers, Les ghazels de Hafiz traduits du persan, (Ex oriente lux, 5), Parijs, uitgeverij Kadar, 1922.

Emily Dickinsons jurk

Dichter Koen Stassijns vertelde aan tafel over een Amerikaanse collega die hij bewondert,  Billy Collins. Hij las ons à l’improviste zijn nieuwe vertaling voor van een beroemd gedicht van deze Amerikaanse Poet Laureate: Taking off Emily Dickinson’s Clothes. We hingen aan zijn lippen; na afloop voelde ik me licht nerveus – een grote kunstenaar uit het verleden kleedt men niet zomaar uit, in woorden noch in gedachten. Het vergt een delicate benadering. Slaagt Collins? Hij vestigt je aandacht in de laatste regels op de kracht van Emily Dickinsons gedichten, en wekt het verlangen in je op om haar werk opnieuw te verkennen: toch een oprechte hommage. “De nacht inrijden op een zwaan” – die zin blijft me bij, in afwachting van het ogenblik dat de vertalingen gepubliceerd worden.

U kunt hier horen hoe Billy Collins zijn eigen gedicht voorleest.

Semoule

Semoule met frambozen

Op speciaal verzoek van schrijver Erik Vlaminck had de gastheer gezorgd voor semoule, griesmeelpap, als dessert. Het maakte herinneringen los: ik zag mijn grootmoeder voor me, terwijl ze semoule, vanillepudding of rijstpap met saffraan klaarmaakte en mij alvast de restjes uit de pan liet lepelen; de moeder van een andere gaste bleek nog steeds vast te houden aan de bereiding van deze klassieke nagerechten. Er verscheen een mooi bord semoule met frambozen voor elk van ons; later ook nog een grote kom met een pollepel. Ik proefde en herontdekte een smaak uit mijn kindertijd, nu rijker en romiger en begeleid door een glas amberkleurige Sauternes. Die deed ons op de een of andere manier denken  aan de slanke dessertenliefhebber koning Boudewijn, en zo vervolgde ons gesprek zijn Belgische loop, over de opstand in jezuïetencolleges in de jaren 1960 en de krankzinnige prinses Charlotte tot de landbouwbeurs in Libramont.

De eenzame chrysant

Illustratie uit ‘De eenzame chrysant’, 1560, Parijs, BNF

De manier waarop ze met haar handje zijn mouw vastgrijpt, vervult me met melancholie. Tussen de veertiende en de zestiende eeuw maakte men in Japan nara-ehon, of geïllustreerde boeken. Ze werden lang beschouwd als bandwerk voor keukenmeidenverhalen; pas sinds het einde van de twintigste eeuw wordt hun charme erkend. ‘De eenzame chrysant’ is een droevig sprookje over een boze stiefmoeder die een jeugdige liefde tegenwerkt; het speelt zich af in een glorieus verleden, de tijd van prins Genji, waarin het lange haar van de dames tot over hun enkels viel en de hofkleding buitengewoon rijk en onpraktisch was. “Mijn mouwen zijn nat,” zei men toen, codetaal voor: “Ik heb de hele nacht van liefdesverdriet liggen wenen.”

Begrijpen mensen elkaar dan toch, over culturen heen? Ik zou het afleiden uit het effect van dat machteloze handje op mijn gemoed.

Le Chrysanthème solitaire. Edition du manuscrit Smith-Lesouëf japonais 96, introduction et traduction par J. Pigeot et K. Kosugi, Parijs, 1984.

1922-2011

Lucian Freud met een torenvalk

Lucian Freud die bloemen schilderde op de wanden van een badkamer in Chatsworth House, waar de butler zorgvuldig zijn penselen en tubes bewaarde. Lucian Freud als jonge man in een zeemanstrui, met een roofvogel op zijn schouder. Lucian Freud die elke dag werkte en van plan was zichzelf “dood te schilderen”. Men hoopt dat die wens vervuld werd.

Britse schilders zijn decennialang minder bang geweest van de schilderkunst dan de onze. Daar bewonder ik hen om. Freud, met zijn groezelige portretten, stelde de zenuwen van conceptuele critici nog het meest op de proef. Al die verf voor een paar individuele tronies en lijven, waar was dat goed voor? Portretkunst, was dat niet iets elitairs uit een vervlogen tijdperk?

Gelukkig niet.

Gevangeniskapel, Merksplas

Victor Besme, Kapel Kolonie Merksplas

Heemkundige Dan Van Herpe bezorgde ons enkele DVD’s over de Kolonie van Merksplas en al de gebouwen die de Belgische staat daar aan het einde van de negentiende eeuw als een zorgzame huisvader optrok: de grote en kleine boerderij, de werkhuizen, een kade met eigen spoorlijntje, en deze bijzondere kerk in neo-byzantijnse stijl met elegant gietijzeren gebinte en vooruitstrevende lichtstraat.  Architect was Victor Besme, in Brussel ook bekend als “de Hausmann van Leopold II”.  Ik schreef al over hem in Mijn België. De DVD’s maakten wel duidelijk dat de Belgische staat sinds de tweede helft van de twintigste eeuw elke esthetisch samenhangende visie is kwijtgespeeld. Aangezien ik ben opgegroeid in een huis ontworpen door Besme, naar een schooltje ging dat Besme uittekende en zelfs (zo vernam ik vandaag) gedoopt ben in deze kerk van Besme, stelde ik me voor wat de geest van Besme zou voelen indien hij naar deze plaats terugkeerde. Dat er iets van zijn architectonische verwezenlijkingen bewaard bleef, is zeker niet meer aan de bemoeienissen van de Belgische staat te danken, maar aan de inzet van de plaatselijke heemkundigen en vrijwilligers. Toch blijft het vreemd, wanneer je gewone dagelijkse leven in een onderwerp van heemkunde verandert. Het gebeurt gaandeweg.

De ridder, zijn vrouwe, de beer

Beer in de Kronieken van Jean Froissart, Parijs, BNF

Wie de Kronieken van Jean Froissart leest, betreedt een vreemde wereld. Mensen in de veertiende eeuw hanteerden vaak wel dezelfde begrippen als wij – eer, vriendschap, loyauteit, huwelijk – maar ze gaven er een iets andere interpretatie aan. Tijdens zijn reis naar Béarn hoorde Froissart het verhaal over de scheiding van ridder Pierre de Berne, die voortkwam uit het feit dat de ridder elke nacht slaapwandelde, of slaapvocht. Hij stond op, greep naar zijn wapens en ging tekeer alsof hij door tien mannen overvallen werd. Wanneer zijn bedienden hem wakker maakten, herinnerde hij zich niets.

“De eerste keer dat men dit merkte, was in de nacht die volgde op de dag waarop hij in de bossen van Biscaye met honden had gejaagd op een reusachtige beer. Die beer had vier honden gedood en er meerdere verwond, zodat alle andere bang van hem waren. Toen nam heer Pierre de Berne een zwaard van Bordeaux dat hij bij zich had, en viel woedend, omwille van zijn dode honden die hij zag, de beer aan; en daar vocht hij lange tijd met hem, op groot gevaar van lijf en leden, en het kostte hem een enorme inspanning om hem te overwinnen. Uiteindelijk doodde hij hem en keerde hij terug naar zijn verblijf in zijn kasteel van Languedendon in Biscaye, en hij liet de beer met zich meevoeren. Allen verbaasden zich over de grootte van het beest en de moed van de ridder, dat hij hem had durven aanvallen en had verslagen.

Toen zijn vrouw, de gravin van Biscaye, hem zag, viel ze flauw en scheen ze grote pijn te lijden. Haar bedienden namen haar op en brachten haar naar haar kamer. Die dag en de volgende nacht en de volgende dag leed zij hevig, en ze wilde niet zeggen wat er was. Op de derde dag zei ze tegen haar man: “Mijn heer, ik zal nooit meer gezond zijn totdat ik op bedevaart ben gegaan naar Sint-Jacob. Geef mij verlof erheen te gaan en mijn zoon Pierre en mijn dochter Andrienne mee te nemen. Ik verzoek het u.” Heer Pierre gaf haar te lichtvaardig zijn toestemming. De dame vertrok in staatsie, en nam en voerde haar schat met zich mee, goud en zilver en juwelen, want ze wist goed dat ze niet meer zou terugkomen; maar men sloeg er geen acht op. Hoedanook maakte de dame haar reis en bedevaart; en ze besloot om de koning van Castilië, haar neef, en de koningin te gaan bezoeken. Men ontving haar goed. Ze is daar nog, en ze wil niet terugkeren of haar kinderen terugsturen. En ik zeg u dat zij dit idee kreeg in de nacht zelf na de dag dat heer Pierre op de beer had gejaagd en hem had gedood, terwijl hij in zijn bed sliep. Sommigen zeggen dat de dame dit al wist zodra zij de beer zag, en dat haar vader ooit op die beer had gejaagd, en dat tijdens die jacht een stem tot hem sprak, hoewel hij niemand zag: ‘Je jaagt op me, toch wil ik jou geen kwaad, maar je zult een kwade dood sterven.’ De dame herinnerde zich dat, toen ze de beer zag, omdat ze haar vader dit had horen vertellen, en ze wist ook dat de koning Dam Piètre haar vader had laten onthoofden zonder reden; en daarom viel ze flauw; en daarom zal ze nooit meer van haar man houden.”

De verteller vraagt Froissart wat hij hiervan vindt; en de geleerde klerk vergast het gezelschap dan op de mythe van Diana en Actaeon, ook een jacht met tragische gevolgen. “‘Zoiets kan er ook gebeurd zijn met de beer waarover u mij heeft verteld, of dat de dame iets weet of wist waar ze nu niet over spreekt. Dus moet men haar voor verontschuldigd houden.’ De jonker antwoordde: ‘Het kan zijn.’ Aldus beëindigden wij ons verhaal.” Toch weer net even anders, die huwelijksproblemen in de middeleeuwen.

Froissart, in Historiens et chroniqueurs du Moyen Age, (Bibliothèque de la Pléiade, 48), 2005, p. 541-542. Vertaald door LH.