Folklore van de passie

Volksdevotie en passiflora caerulea

Ooit vond ik bij een brocanteur dit flesje, waarin iemand geduldig de instrumenten van de passie – de voorwerpen waarmee Christus is gemarteld – had neergelaten op een lapje rode stof. Het kruis met het spottende opschrift, een ladder, een hamer en een spijker, een gesel  (de knutselaar schijnt hier omwille van de symmetrie twee gesels te hebben voorzien), een speer, een rietstok met de in azijn gedoopte spons, dobbelstenen. De Antwerpse dichter Max Elskamp verzamelde deze voorwerpen voor zijn Volkskundemuseum, omdat ze een heel wereldbeeld, een kosmologie zelfs, bottelden. Zestiende-eeuwse missionarissen in Amerika verenigden dan weer plantkunde en geloofsleer toen zij de passiflora haar naam gaven en in de bloem de werktuigen van Goede Vrijdag zagen afgebeeld: de tien bloembladen stelden de tien apostelen bij het kruis voor, de drie stempels bovenaan de drie spijkers, de 72 paarse draden van de corona de doornenkroon, de vijf meeldraden de vijf kruiswonden.

Diogenes in Leuven

Adieu

De koppige en excentrieke buurman is als eerste vertrokken, nu ons straatje bij de Tiensepoort langs drie zijden belaagd wordt door de bouw van enorme blokken studentenkoten. Met zijn kenmerkende cynische humor liet hij dit bericht achter aan het venster. Zijn zelfportret is niet erg gelijkend en we don’t rejoice. Op de vensterbank bloeiden nog twee scharlaken tulpen in een potje.

Karmijn en ultramarijn

April in het hart van Frankrijk

April is de grimmigste maand, hij wekt
Seringen uit het dode land, vermengt
Herinnering en verlangen, port
Lome wortels op met lenteregen.
De winter hield ons warm, hulde
De aarde in vergetele sneeuw, voedde
Een restje leven met verdorde knollen.

De beroemde openingregels van T.S. Eliots The Waste Land bepalen misschien onze kijk op the cruellest month; in de vijftiende eeuw lag het anders. Wie april bereikte, had weer eens een winter overleefd. De betere tijd brak aan. Omstreeks 1413 schilderden de gebroeders Van Limburg deze bladzijde (ca. 21×16 cm) voor het mooiste getijdenboek van de Franse hertog Jean de Berry. April is voor hen een maand van belofte, zoals ze dat ook voor Ovidius was. Twee jonge mensen verloven zich in het bijzijn van elegant geklede getuigen. Links kijkt een nar toe, rechts plukken edelvrouwen bloemen. Vissers vissen met een net, op de achtergrond verrijst het kasteel van Dourdan in het Ile-de-France, een van de talrijke bezittingen van de hertog. Daarboven wentelen zich de hemelsferen.

Wat is hier het mooiste? Diep blauw, vurig rood? De gewaagde en geslaagde combinatie van een roze jurk en roodblonde haren? Of misschien toch, in de besloten tuin, de frisse witte bloesems op de gesnoeide takken?

Les très riches heures du Duc de Berry, Musée Condé, Chantilly.

T.S. Eliot, Het Barre Land. The Waste Land, vertaald door Paul Claes, Amsterdam, 2007.

Dichter bij Venus

Godin in gesprek

“Gulle moeder”, zei ik, “van de Tweeling Liefdes, schenk mij uw gunst.” Zij wendde haar gelaat naar het mijne. “Wat wil jij van mij?” sprak ze, “Jij bezong toch zeker grotere zaken. Of knaagt er een oude wond in die zachtmoedige borst?” – “Mijn wonde, godin,” antwoordde ik, “is u bekend.” Ze lachte, en meteen werd de hemel daar helder. “Verwond of gezond, heb ik uw vaandel ooit ontvlucht? Altijd, altijd waart gij de taak die ik mijzelf heb gesteld. In mijn jonge jaren speelde ik met bijpassende thema’s, en niemand heeft zich daar ooit aan gestoord.  Nu betreden mijn paarden een weidser veld. Ik bezing de seizoenen, en hun oorzaken, en de rijzende en dalende sterrentekens, dankzij oeroude kronieken. Wij zijn bij de vierde maand gekomen, die aan u is gewijd; en gij, Venus, weet dat zowel de maand als de dichter de uwe zijn.”  Ontroerd raakte zij mijn slapen licht aan met myrte uit Cythera. “Voltooi”, zei ze, “het werk dat je begonnen bent.”

Met deze woorden richtte Ovidius zich tot Venus, en vice versa, in het bijzondere kalendergedicht Fasti. Als er iemand de antieke goden charme kan verlenen, dan is het Ovidius wel. De verbaasde lezer treft hem aan in hoffelijke gesprekken met Janus, met Flora, met Minerva, met Cybele, met half het pantheon. De Fasti, met hun erudiete uitleg over Romeinse feesten en gebruiken,  moeten wel een van de kostbaarste bronnen zijn voor antieke folklore. Ovidius kon Venus niet naar believen gehoorzamen: halverwege de Fasti werd hij door Augustus om onduidelijke redenen verbannen naar een kuststadje aan de Zwarte Zee, vermoedelijk in het jaar 8 van onze tijdrekening. Hij heeft het boek nooit afgemaakt, het eindigt abrupt na de maand juni.

Ovid, Fasti, in het Engels vertaald door Sir J. G. Frazer, 2de herziene editie door G.P. Goold, Loeb Classical Library, Londen, 1999, p. 188-189.

Salammbô

Gustave Flaubert voelde er weinig voor om zichzelf te herhalen. Na Madame Bovary (1856) schreef hij Salammbô (1862). In plaats van het kleinburgerlijke Normandië vol pompeuze apothekers en gefrustreerde doktersvrouwen koos hij Carthago ten tijde van de eerste Punische oorlog; hij ging te rade bij de Griekse historicus Polybius en veranderde de beroemde generaal Hamilcar Barca (vader van Hannibal) en de huurlingenleiders Spendius en Mathos in monolithische romanpersonages. Carthago, in Tunesië. Mathos, de Libiër. In het licht van de huidige revoluties leek het herlezen van Salammbô geen slecht idee. Maar wat kunnen we echt begrijpen van gebeurtenissen die tweeduizend driehonderd jaar geleden plaatsvonden?
Polybius noemde de oorlog tussen de stadsstaat Carthago en haar rebellerende huurlingenleger één van de wreedste uit de geschiedenis; alle wetten van de menselijkheid werden er met voeten getreden. Zoiets biedt een romanschrijver mogelijkheden. Flaubert gebruikte ze, doeltreffend en lakoniek. Is Salammbô een sadistische sandalenfilm op papier? Edelkitsch? En waarom moet er in ’s hemelsnaam nog een quasi-onbegrijpelijk liefdesverhaal bij de historische gebeurtenissen? Flaubert verzon Salammbô, dochter van Hamilcar Barca, uit het niets; Mathos wordt waanzinnig verliefd op haar, en de hele oorlog is slechts een poging om dit ongrijpbare meisje te veroveren. Hoe verplaatst men zich in de geest van een vrouw uit een volkomen andere cultuur en tijd? Misschien gewoon niet. Emma Bovary ging ten onder omdat ze als jong meisje te veel liefdesromannetjes las. Salammbô is opgevoed als dienares van de maangodin Tanit en verliest zich in religieuze mystiek. Flauberts tijdgenoten noteerden nog veel meer gelijkenissen tussen zijn beide heldinnen.
Telkens wanneer ik op het punt stond Salammbô te veroordelen als een mislukking, stuitte ik op een zin die het boek redde. Misschien is Flaubert hier de regisseur van een sandalenfilm; maar hij voegt zulke veelzeggende details en kleine wendingen toe, dat hij de aandacht vasthoudt en aanscherpt. Geen Cecil B. De Mille, meer een Visconti.
Salammbô vervulde me voor het eerst met een afkeer voor antieke goden. Moloch en Tanit, de zon en de maan, mannelijk en vrouwelijk principe. Stompzinnige afgoden van de opbrengst, de winst, de aangroei en de zelfzuchtige genen.

Meisje met inzicht in historische methodiek

Het echte leven

Tot lering en vermaak

 

Zaterdag lees ik een verhaal voor op het Feest van de Filosofie. Wijsgeren gebruiken voortdurend woorden als ‘visie’, ‘inzicht’, ‘bespiegeling’ en ‘beschouwing’.  Het wordt dus een verhaal over het gezichtsvermogen, en wat er gebeurt wanneer je dat verliest.

Het echte leven flonkert steeds in vele facetten. Ik vind het bijgevolg ook gewoon prettig om mijn naam te zien op een affiche die Ilah ontwierp.