5 augustus 1865
Huit longs jours se sont écoulés depuis ton départ… Acht lange dagen zijn voorbijgegaan sinds je vertrek en nooit heb ik in een dergelijk tijdsbestek meer moedeloosheid, meer verveling, meer vermoeidheid bij het werk ervaren. Verschillende keren per dag wandelde ik in de tuin in een poging om me te ontspannen, en elke plant, elke boom, elk blad zelfs herinnert me aan gelukkige gesprekken die de uren deden voorbijvliegen. Afgelopen maandag was voor mij de ergste dag: Meneer, Mevrouw, de meid en de kleine Marie waren allemaal naar Brussel vertrokken, ik bleef alleen met mijn herinneringen tot 9 uur ’s avonds. Jij zult nooit mijn verdriet tijdens die eenzame ogenblikken kunnen begrijpen. Mijn hart klopte alsof het zou breken, mijn gloeiend voorhoofd stond me niet toe ernstig te werken; ik dacht even dat ik echt ziek zou worden; alleen mijn vertrouwen in jou en de hoop om je terug te zien konden mijn hart weer enigszins tot rust brengen. ’s Avonds tegen half negen, toen ik op hun terugkeer wachtte en de dahlia’s en je geliefde rozenstruiken had gegoten, ben ik op de trap van de binnenplaats gaan zitten, en daar drong nog dieper tot me door, terwijl ik keek naar jouw ster, hoezeer je aanwezigheid me dierbaar is en hoezeer ik je liefde nodig heb.”
Rommelend tussen oude papieren vind ik een schriftje met liefdesbrieven uit de jaren 1865-1867. Ik vermoed dat mijn betovergrootvader ze schreef en ik vind dat hij er werk van maakte. Ze ontcijferen wordt wellicht een klein avontuur.






