Liefdesbrieven

archief1

5 augustus 1865

Huit longs jours se sont écoulés depuis ton départ… Acht lange dagen zijn voorbijgegaan sinds je vertrek en nooit heb ik in een dergelijk tijdsbestek meer moedeloosheid, meer verveling, meer vermoeidheid bij het werk ervaren. Verschillende keren per dag wandelde ik in de tuin in een poging om me te ontspannen, en elke plant, elke boom, elk blad zelfs herinnert me aan gelukkige gesprekken die de uren deden voorbijvliegen. Afgelopen maandag was voor mij de ergste dag: Meneer, Mevrouw, de meid en de kleine Marie waren allemaal naar Brussel vertrokken, ik bleef alleen met mijn herinneringen tot 9 uur ’s avonds. Jij zult nooit mijn verdriet tijdens die eenzame ogenblikken kunnen begrijpen. Mijn hart klopte alsof het zou breken, mijn gloeiend voorhoofd stond me niet toe ernstig te werken; ik dacht even dat ik echt ziek zou worden; alleen mijn vertrouwen in jou en de hoop om je terug te zien konden mijn hart weer enigszins tot rust brengen. ’s Avonds tegen half negen, toen ik op hun terugkeer wachtte en de dahlia’s en je geliefde rozenstruiken had gegoten, ben ik op de trap van de binnenplaats gaan zitten, en daar drong nog dieper tot me door, terwijl ik keek naar jouw ster, hoezeer je aanwezigheid me dierbaar is en hoezeer ik je liefde nodig heb.”

Rommelend tussen oude papieren vind ik een schriftje met liefdesbrieven uit de jaren 1865-1867. Ik vermoed dat mijn betovergrootvader ze schreef en ik vind dat hij er werk van maakte. Ze ontcijferen wordt wellicht een klein avontuur.

Chateaubriand in Windsor

J. Zoffany, Koning George III (1779), Royal Collection, Verenigd Koninkrijk
J. Zoffany, Koning George III (1779), Royal Collection, Verenigd Koninkrijk

“George III overleefde M. Pitt, maar hij verloor zijn verstand en zijn gezichtsvermogen. Elke zitting, bij de opening van het Parlement, lazen de ministers aan de stille en ontroerde Kamers het gezondheidsbulletin van de koning voor. Op een dag ging ik Windsor bezoeken: voor een paar shillings kreeg ik een conciërge zover dat hij me verstopte, zodat ik de koning kon zien. De monarch verscheen, met witte haren en blind, zwervend als Koning Lear door zijn paleizen, met zijn handen de muren van de zalen aftastend. Hij ging zitten voor een piano waarvan hij de plaats kende en speelde enkele stukken uit een sonate van Haendel: het was een mooi einde van het oude Engeland. Old England!”

Write Bloody

Bij het rek poëzie in Boekhandel ’t Verschil liet ik me de bundel The Madness Vase van Andrea Gibson aanraden. ‘Dit is spoken word,” vernam ik, “geen poëzie die alleen bedoeld is om gelezen te worden.” Ik las toch, en ben tot nu toe het meest onder de indruk van Gibsons gedicht over haar grootmoeder: Somewhere, a carpenter.

Achter in de bundel drukte de uitgeverij, Write Bloody, haar catalogus af. Leerzaam en boeiend. Dichters voeren er geuzentitels als gootpunker, hiphop intellectueel, ja zelfs beroepsmilitair. En het navrante working class queer survivor of incest.

Ik bekijk vluchtig de titels. Bring Down The Chandeliers. Mooi. The Feather Room. Klassiek. Hot Teen Slut. Pardon? Heet Tienersletje is geen titel die men verwacht in een respectabel literair fonds, anarchistisch of niet. De korte samenvatting deed me glimlachen. “Cristin O’Keefe Aptowicz’s second book recounts stories of a virgin poet who spent a year writing for the porn business.”

Belgisch

Kijk eens aan, een glimp van België in de Verenigde Staten.

“It’s the immemorial feelings
I like the best: hunger, thirst,
their satisfaction; work-weariness,
earned rest; the falling again
from loneliness to love;
the green growth the mind takes
from the pastures in March;
the gayety in the stride
of a good team of Belgian mares
that seems to shudder from me
through all my ancestry.”
– Wendell Berry, “Goods”

Via Lit Verve

Oogst

Gek, wanneer de oogst van de dag wat beelden en citaten uit een blog blijken te zijn. Andrew Butterfield (Dries Boterveld) bespreekt een paar tekeningen en prenten van Albrecht Dürer. Ik onthoud: de kunstenaar geloofde dat de mens onherroepelijk slecht, zondig en gebrekkig was, zoals zijn werk aantoont. (Het herinnert me ook aan de uitspraak van de wereldwijze Maximilien Morillon in het heetst van de godsdienstoorlog: gereformeerden waren zonder uitzondering “zwartgallige types”, op zoek naar een minder optimistische godsdienst dan het oude katholicisme.) Dürer erkende drie manieren om het innerlijke kwaad te overstijgen.
The third was to work without ceasing. Never stop. The counsel of despair was Satanic and it was everywhere. The resolute warrior in the engraving Knight, Death and Devil rides forward despite the demons at his side taunting him and telling him to give up and give in. Work was a form of prayer and art was a form of praise. Dürer wrote, “[Painting] is useful because God is thereby honored.” But if you ever stopped, you would lose your way and fall into error, like the idle genius in Melencolia I. To quote Staupitz once more, “The first sign of true faith is the battle against the demons.”

The men Dürer admired and whom he depicted at peace are almost all shown in their studios at work at their desks in acts of contemplation and learning. It is remarkable that both possibly the first independent print he ever made, a woodcut of Saint Jerome in 1492, and possibly the last, an engraving of Erasmus in 1526, depict such a scene. Neither image is in the show, but it does feature the most beautiful of all his attempts to imagine this vision of blessedness, the 1514 engraving of Saint Jerome in His Study. Bathed in warm light streaming through the large windows of his room, mindful of death yet unafraid, the saint concentrates with absolute attention on his writing. It is a picture of human good and human happiness. This was the ideal, the one Dürer sought and emulated in his own life.

The counsel of despair was Satanic and it was everywhere. Ware woorden.
En zo komen we via Dürer toch weer bij Sint-Hiëronymus uit, patroonheilige van de humanisten, van Erasmus, van de boekenliefhebbers.

20130520-butterfield6_jpg_470x950_q85

Morillon, geciteerd in Huet & Grieten, Rockox. Burgemeester van de gouden eeuw, Antwerpen, 2010, p. 78.

Groeten

Zondereigen
Ik beantwoordde een oproep van illustratrice Charlotte Peys en ontving een postkaart die me charmeerde. Met rechts bovenaan een reconstructie van de dodendraad, de grensversperring met Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog waarover ik schreef in Almanak. Ook u kunt deelnemen. Hier is de oproep:

Tijdens mijn masterproject in Zondereigen wil ik postkaarten van verschillende dorpen uit België en Nederland verzamelen. De typische postkaarten waarop een herkenbaar gebouw, een kaart van de streek, een landschap van de plek in kwestie te zien is of een mozaïek van al deze elementen samen. Iedereen die een postkaart verzendt naar onderstaand adres en zijn of haar eigen adres op de kaart vermeldt, kan de huidige postkaart van Zondereigen in zijn/haar bus verwachten! Met een kort tekstje natuurlijk. Over het weer en de mensen en de dingen.

Charlotte Peys
Zondereigen 81
2387 Baarle-Hertog

Meer over Zondereigen

Meester Lens

Willy Lens, 20 juni 1929-27 mei 2013 (foto Bart Grietens)
Willy Lens, 20 juni 1929-27 mei 2013 (foto Bart Grietens)

Maandag hoorde ik dat meester Lens onverwachts overleden was. Leuven verliest met hem een bijzondere figuur. Zoals vele mensen leerde ik hem kennen in Café Gambrinus, waar hij dagelijks zijn vrienden ontmoette. Hij was een erudiete boekenliefhebber, een geestige en boeiende verteller, een hartelijke man. Enkele weken geleden nog genoot ik van zijn verhaal over de Leuvense uitgever Uytspruyts van de Muntstraat, de eerste scout van Leuven en mogelijk een vriend van Baden Powell. Hij vertelde over een reiziger in dure stoffen die naar Gambrinus kwam om zijn collectie te tonen aan heren die een nieuw kostuum wilden bestellen en over de buurman uit zijn kinderjaren, een kannunik-hoogleraar, die om de rozen in zijn tuin te snoeien een lange witte schort aantrok over zijn zwarte toga. Hij herinnerde me eraan dat Selah Sue in werkelijkheid Sanne Putseys heet; er was ook een anekdote over een burgemeester van Leuven die aan het einde van de achttiende eeuw revolutionair in Frankrijk werd, waarvan ik me nu de details tracht te herinneren. De verhalen van meester Lens brachten Leuven voor mij tot leven. En Café Gambrinus zal anders zijn zonder hem.

Ik vond deze mooie portretfoto, gemaakt door Bart Grietens, op de website drieduizend.

Haas

En dernier résultat tout m’étant égal, je n’insistais pas; un comme vous voudrez m’a toujours débarrassé de l’ennui de persuader personne ou de chercher à établir une vérité. Je rentre dans mon for intérieur, comme un lièvre dans sa gîte: là je me remets à contempler la feuille qui remue ou le brin d’herbe qui s’incline.

Nee, Chateaubriand valt niet tegen. Op elke bladzijde bloeit een veldbloem, flitst een bliksem aan de einder. En daarvoor lees ik.

Of hiervoor.
Presque tous les avares sont gens d’esprit: il faut que je sois bien bête.