Logeerpartijtje. Fototoestel, schriften en reservejurk in de koffer gepropt, trein op, naar het platteland. Tuin vol duiven en kauwen, geur van de herfst, een geliefde kamer, een boek dat op het nachtkastje wacht en wordt gelezen voor het slapengaan, vier tot acht bladzijden per maand. Lumineuze en verstilde passages. Schrijfster van wie ik hierna mogelijk veel meer zal willen lezen.
“Ze zei dat ‘paradijs’ in een mij onbekende taal ‘tuin’ betekende, dat ze dat ergens had gelezen, en dat de hel daarentegen een saaie wachtzaal moest zijn, zoals men die aantreft in vredegerechten, pandjeshuizen, stations … Ik meende dat ik zelf ook had horen spreken over een grote grijze kamer, waar de muren beschilderd waren met olieverf, waar men nooit de vensters opende, waar een geur hing van ontsmettingsmiddel. Ik was er zeker van dat ik daar al was geweest, dat ik die kamer goed kende.
– We moeten eens komaf maken met die legende van de vorige eeuw, volgens dewelke men zich in het paradijs steendood verveelt en de hel bevolkt is met interessante en beroemde mensen. In het paradijs spreekt Socrates met Homeros, en iedereen die wil mag luisteren. In de hel zijn er alleen maar duistere administratieve lokalen en afstotelijke ambtenaren.
– Met een ooglap, vulde ik aan.
– Met een ooglap, herhaalde ze. En de wijzer van de klok blijft miljoenen jaren stilstaan.
– Totdat het loket sluit.
– En wanneer het sluit, dan weet men niet waar men heen moet.”
Nina Berberova, Le mal noir, vertaald door L. Jurgenson, Actes Sud, Arles, 1989, p. 63-64.