Naïef

Kronieken van Jean Froissart, KB

In een van zijn columns in De Standaard (kunnen we daar binnenkort ook eens een column van Di Rupo lezen?) omschreef Bart De Wever burgers die aan België gehecht zijn als naïef, ouderwets en hoogstwaarschijnlijk slecht opgeleid. Die opmerking kan ik in mijn zak steken, en dat doe ik ook. Na zijn mededeling dat er in België een langdurig schoolverlatersprofitariaat bestaat van ruim vijfhonderd mensen, lijkt het masker gevallen te zijn: de geestige politicus met zijn mooie Latijnse citaten heeft zichzelf herleid tot een megafoon van de haviken in het bedrijfsleven. Misschien is er ook nog een manier te vinden waarop dat vijfhonderdkoppige profitariaat verantwoordelijk kan worden gesteld voor de bankencrisis, en al de financiële gevolgen die wij daarvan zullen dragen? Worden de Vijfhonderd Schoolverlaters wellicht een even beladen historisch begrip als de Zeshonderd Franchimontezen? En wat te denken van een politicus die ‘de hardwerkende Vlamingen’ voorstelt als wezens die baden in een sfeer van bedrijfswagens, aandelen en door de overheid gefinancierde huishoudhulp? Hij noemt deze groep retorisch de midddenklasse, mij dunkt dat hij spreekt over een heel wat kleiner maatschappelijk segment. Moeten we het dan bijvoorbeeld ook niet eens hebben over de angstwekkend lage pensioenen voor kleine zelfstandigen, naar mijn aanvoelen een bevolkingsdeel dat de economie echt draaiende houdt? Gelukkig kan ik even naar het buitenland om dit alles te laten bezinken. Ik zal er met plezier ’s avonds wat lezen over Vlaamse geschiedenis bij de Henegouwer Jean Froissart, en op tijd terugkomen voor de nationale feestdag.

Op bezoek bij een ridder

De ruiter van Bamberg

Flarden van de cursus ‘Beeldhouwkunst van de Middeleeuwen’ komen weer tot leven, nu een bezoek aan deze elegante heer op het programma staat. De Bamberger Reiter! En misschien zullen we dan ook Ekkehard en Uta zien… (Zij die deze cursus samen met mij hebben gevolgd, herkennen meteen het mnemotechnische ritme van die namen; en herinneren zich de mooie edelvrouw Uta, weggedoken in haar kraag – in Naumburg, nietwaar?)

Gezelle gelezen, Gezelle gezongen

Gezelle, gelezen en gezongen in het park

Twee nerveuze causeurs bespraken tijdens de lunch vooraf hun methodes: kalm blijven dankzij betablokkers of spanningshoofdpijn verdrijven met aspirine. Ik moest op als amateurlezer van Gezelle, Hafid Bouazza analyseerde indringend als collega-dichter. Onze causerieën, in een ruisende tent, werden afgewisseld met gedichten op muziek: Gezelle in de mooie Schubertiaanse toonzetting van Lodewijk Mortelmans, uitgevoerd door Veerle Bosmans en gezongen door Sandra Paelinck; Gezelle eigentijds geïnterpreteerd door Koen de Cauter & Ensemble. Wat woorden, wat zang, verschillende stemmen en invalshoeken: de dichter leek plotseling intens aanwezig.

“Kent u Cesar Gezelle?” vroeg de gastheer van de Bed & Breakfast ’s avonds. Ik knikte: “Hij heeft toch een biografie geschreven van zijn oom Guido?” – “Hij gaf les in de middelbare school in Ieper waar mijn moeder een opleiding volgde voor steno-dactylo: en hij heeft die hele biografie aan haar gedicteerd.” Dit wonderlijke beetje informatie leek een onverwachte toegift van de dichter zelf, net als de zes mussen die speelden in de dakgoot onder het raam van de kamer en de wijde wolken in de verte van de Westhoek.

Mijn Gezelle-bibliotheek

Bescheiden verzamelinkje

Mijn Gezelle-bibliotheek is te klein, besef ik, nu ik me in de meester verdiep. Enkele stukgelezen deeltjes uit de boekenkast van een oudoom-priester, hij schreef zijn naam boven op het omslag; en de geïllustreerde uitgave Hoe stille is ‘t, ter gelegenheid van Gezelles honderdvijftigste verjaardag in 1980.  Deze gedachte confronteert me met een typisch probleem van de Vlaamse lezer. Wanneer ik plotseling alles wil lezen van Villiers de l’Isle-Adam, dan kan ik, dat weet ik, zo naar een boekhandel in mijn buurt stappen en daar de twee Pléiade-delen in dundruk kopen die aan deze bijzondere schrijver zijn gewijd. Wanneer ik alles van Gezelle wil lezen, dan heb ik in de boekhandel weinig heil te verwachten. En eigenlijk wil ik ook graag Gezelles brieven lezen, niet alleen zijn gedichten – ach ja, het kruid Ik Wil groeit zelfs niet in ’s konings tuin.

Aantekeningen bij Gezelle: Nageldeuntjes

H. De Graer, Portret van Guido Gezelle, 1905, Gezellemuseum, Brugge

“Nieuwe mogelijkheden voor zijn pen had hij intussen ook gevonden als dichter in een nieuw genre: dat van het korte gedicht. Hem kwamen, naar voorbeelden uit de literatuur van het nabije Oosten, taalminiaturen voor ogen staan waar hij aanvankelijk de naam ‘nageldeuntjes’ aan gaf. Het woord verwees naar een anekdote uit het leven van de Engelse schilder William Hogarth, die soms vluchtig iets op zijn nagels schetste, om het later thuis te kunnen uitwerken. Het plan om een bundel Album-blaren samen te stellen had hij weliswaar laten varen, maar het ‘Kleine stukje’, ‘de wijze van de araben, de rijkste dichters van heel de wereld’ bleef hem uitdagen.”

M. Van der Plas, Mijnheer Gezelle. Biografie van een priester-dichter (1830-1899), Tielt-Baarn, 1990, p. 175.

Sgraffito?

Onverwachte muurdecoratie

Het loont soms op vele manieren, even halt houden en een koffie drinken op een onooglijk terras. Ik las er het eerste hoofdstuk van een biografie van Gezelle, in zon en bries; en toen ik opkeek, zag ik rode schoentjes.

(Het is geen schildering, merkte ik later, geen zwart-witte schildering zoals de sgraffiti op Italiaanse stadspaleizen:  de afbeelding is op de muur gekleefd.)

Stadstuin

Bloeiende oleander, kleine sinaasappels, weelderige druivelaar tegen de Toscaanse zuilen. Mooi, die oude stadstuin op een zomeravond. Zoals Justus Lipsius schreef in zijn bestseller Over de standvastigheid: “Dit is het ware gebruik en doel van de tuin: rust, afzondering, denken, lezen, schrijven, en dat alles in ontspanning en als het ware spelenderwijs. Zoals schilders hun ogen, die door langdurig turen verzwakt zijn, door bepaalde spiegels en groene kleuren verfrissen, zo verkwikken wij hier onze geest die vermoeid en verstrooid is”.