Gezelle gelezen, Gezelle gezongen

Gezelle, gelezen en gezongen in het park

Twee nerveuze causeurs bespraken tijdens de lunch vooraf hun methodes: kalm blijven dankzij betablokkers of spanningshoofdpijn verdrijven met aspirine. Ik moest op als amateurlezer van Gezelle, Hafid Bouazza analyseerde indringend als collega-dichter. Onze causerieën, in een ruisende tent, werden afgewisseld met gedichten op muziek: Gezelle in de mooie Schubertiaanse toonzetting van Lodewijk Mortelmans, uitgevoerd door Veerle Bosmans en gezongen door Sandra Paelinck; Gezelle eigentijds geïnterpreteerd door Koen de Cauter & Ensemble. Wat woorden, wat zang, verschillende stemmen en invalshoeken: de dichter leek plotseling intens aanwezig.

“Kent u Cesar Gezelle?” vroeg de gastheer van de Bed & Breakfast ’s avonds. Ik knikte: “Hij heeft toch een biografie geschreven van zijn oom Guido?” – “Hij gaf les in de middelbare school in Ieper waar mijn moeder een opleiding volgde voor steno-dactylo: en hij heeft die hele biografie aan haar gedicteerd.” Dit wonderlijke beetje informatie leek een onverwachte toegift van de dichter zelf, net als de zes mussen die speelden in de dakgoot onder het raam van de kamer en de wijde wolken in de verte van de Westhoek.

Mijn Gezelle-bibliotheek

Bescheiden verzamelinkje

Mijn Gezelle-bibliotheek is te klein, besef ik, nu ik me in de meester verdiep. Enkele stukgelezen deeltjes uit de boekenkast van een oudoom-priester, hij schreef zijn naam boven op het omslag; en de geïllustreerde uitgave Hoe stille is ‘t, ter gelegenheid van Gezelles honderdvijftigste verjaardag in 1980.  Deze gedachte confronteert me met een typisch probleem van de Vlaamse lezer. Wanneer ik plotseling alles wil lezen van Villiers de l’Isle-Adam, dan kan ik, dat weet ik, zo naar een boekhandel in mijn buurt stappen en daar de twee Pléiade-delen in dundruk kopen die aan deze bijzondere schrijver zijn gewijd. Wanneer ik alles van Gezelle wil lezen, dan heb ik in de boekhandel weinig heil te verwachten. En eigenlijk wil ik ook graag Gezelles brieven lezen, niet alleen zijn gedichten – ach ja, het kruid Ik Wil groeit zelfs niet in ’s konings tuin.

Aantekeningen bij Gezelle: Nageldeuntjes

H. De Graer, Portret van Guido Gezelle, 1905, Gezellemuseum, Brugge

“Nieuwe mogelijkheden voor zijn pen had hij intussen ook gevonden als dichter in een nieuw genre: dat van het korte gedicht. Hem kwamen, naar voorbeelden uit de literatuur van het nabije Oosten, taalminiaturen voor ogen staan waar hij aanvankelijk de naam ‘nageldeuntjes’ aan gaf. Het woord verwees naar een anekdote uit het leven van de Engelse schilder William Hogarth, die soms vluchtig iets op zijn nagels schetste, om het later thuis te kunnen uitwerken. Het plan om een bundel Album-blaren samen te stellen had hij weliswaar laten varen, maar het ‘Kleine stukje’, ‘de wijze van de araben, de rijkste dichters van heel de wereld’ bleef hem uitdagen.”

M. Van der Plas, Mijnheer Gezelle. Biografie van een priester-dichter (1830-1899), Tielt-Baarn, 1990, p. 175.

Sgraffito?

Onverwachte muurdecoratie

Het loont soms op vele manieren, even halt houden en een koffie drinken op een onooglijk terras. Ik las er het eerste hoofdstuk van een biografie van Gezelle, in zon en bries; en toen ik opkeek, zag ik rode schoentjes.

(Het is geen schildering, merkte ik later, geen zwart-witte schildering zoals de sgraffiti op Italiaanse stadspaleizen:  de afbeelding is op de muur gekleefd.)

Stadstuin

Bloeiende oleander, kleine sinaasappels, weelderige druivelaar tegen de Toscaanse zuilen. Mooi, die oude stadstuin op een zomeravond. Zoals Justus Lipsius schreef in zijn bestseller Over de standvastigheid: “Dit is het ware gebruik en doel van de tuin: rust, afzondering, denken, lezen, schrijven, en dat alles in ontspanning en als het ware spelenderwijs. Zoals schilders hun ogen, die door langdurig turen verzwakt zijn, door bepaalde spiegels en groene kleuren verfrissen, zo verkwikken wij hier onze geest die vermoeid en verstrooid is”.

Slachtoffer

We bleven zo lang mogelijk op het terras zitten met onze koffie en koekjes, tijdens het gerommel in de verte en toen de eerste druppels vielen. Plotseling stak de wind op, alles ruiste. “Nu begint het.” Binnen viel de electriciteit uit, gelukkig stonden er links en rechts  kaarsen en een zaklamp klaar. Ik snelde naar boven om het schouwspel te bekijken. Vaalgele lucht, lila bliksems, watervallen gutsend uit de dakgoten. Een mot zocht beschutting tegen het venster. Het goede oude huis stond onwrikbaar pal terwijl alles rondom zwiepte, geselde en kraakte. Ik voelde me zo veilig als in een negentiende-eeuwse roman. Het onweer eindigde even abrupt als het begonnen was, vreemd hoe men dat gewaar wordt. We vertrokken, opgelucht omdat er geen schade was. Vlakbij de weg zag ik het. Iets wat er anders niet lag. Een omgewaaide struik? Nee, een halve boom. Witte vlekken tegen de zwarte stam, waar de hoofdtakken waren afgerukt. De tulpenboom, die begin deze maand na tien jaar voor het eerst heeft gebloeid, is verminkt, misschien verloren.

Liriodendron tulipifera

Veldbloemen

Kinderen in de zomer

“Toch nog weer eens een mooie dag! In de blonde wegen, tussen de rijpe korenvelden, lopen kleine kinderen met kransen van rode, blauwe en witte veldbloemen saâmgevlochten door hun warrelige haren. ’t Is als de blijde warmte van de zon, die straalt uit hun heldere ogen. Hun kopjes schijnen gans te glunderen en als ’t ware te bloeien van vreugd en zij letten niet op hun vuile, blote voetjes, die hier en daar nog door ’t vieze slijk der modderplassen baggeren. ’t Is eensklaps weer zomer, volop zomer? Die kleine kinderen voelen den zomer, zoals de natuurbeestjes het voelen. Wanneer zij hun blonde hoofdjes met kransen van veldbloemen en korenaren tooien, dan is het alsof een zeker instinct hen daartoe aandrijft. Het is een natuurpoëzie, die als van zelve uit hen opbloeit.”

Cyriel Buysse, Zomerleven, Atlas, 2006, p. 177. (Koren is pas rijp in juli, maar waar is het nog te vinden? Ik kijk uit op maïsvelden.)

Foto Beeldbank Hoogstraten