Ik bezocht een tentoonstelling van landschappen die me soms wonderlijk vertrouwd voorkwamen. Omdat de schilder en ik familiegeschiedenis delen en, onafhankelijk van elkaar, dezelfde reacties op sommige vergezichten hebben geleerd sinds onze kindertijd? De slinger van penselen waarschuwde bezoekers voor de lage latei.
Een mooie blondine stapt in een gondel, vlijt zich daar in de armen van een geliefde en valt door het wiegen van het bootje zoet in slaap; haar minnaar bewondert haar fraaie gelaatstrekken, een briesje licht de sluier op van haar decolleté, de schone ontwaakt en de geliefden beleven nog een gelukkig moment op het water – ziedaar de inhoud van een beroemd Venetiaans lied uit de negentiende eeuw, La biondina in gondoleta. De tekst was geïnspireerd door een avontuur van de onstuitbare gravin Marina Benzoni, een vrouw die tot op hoge leeftijd iedereen wist te charmeren, inclusief de schrijvers Ugo Foscolo, Lord Byron en Chateaubriand. Haar levensvreugde uitte zich ondermeer in een onschuldige voorliefde voor de snack polenta; daarvan sneed ze ’s morgens een warme plak af in de keuken, die ze vervolgens bewaarde tussen haar borsten, zodat er steeds een beetje damp omhoogkringelde uit haar halsuitsnijding. Gondeliers noemden haar dan ook ‘het rookwolkje’. Zonder twijfel de enige goede anekdote over cleavage die ik ooit heb gehoord, en dan ook nog een prachtig lied erbij, ik ben deze dame dankbaar.
Op Youtube vindt men verschillende vertolkingen van La biondina: klassiek bel canto door Giuliano Bernardi, met Napoletaans vibrato door Claudio Villa (dat vibrato werd ook overvloedig gebruikt door volkszangers in de Jordaan, al dan niet van Italiaanse komaf) en een interessante hedendaagse vertolking door het Orchestra popolare di Venezia, in puur venexian.
Men kan een papieren puntzak kopen, bakeliet verzamelen of in een Imperia rijden en daarbij denken: dit is Belgisch. Nochtans heb ik dat gevoel van herkenning nooit sterker gehad dan toen men mij een groene kartonnen doos uit de jaren twintig ten geschenke gaf, waarin de Antwerpse chocoladefabrikant Martougin bonbons aanbood die versierd waren met het klassieke logo van de Minerva-wagens, eveneens in Antwerpen geproduceerd.
L. Huet, Voorwerp, in Mijn België, Pandora, derde druk, 2009, p. 199.
Een mooi motto voor een ex-libris, ontleend aan een sonnet van de zestiende-eeuwse dichter Joachim du Bellay – alleen heeft hij het over un beau voyage, en daarna weer naar huis terugkeren (Plus que le marbre dur me plaît l’ardoise fine, schrijft hij in Rome vol heimwee naar zijn geboortestreek bij de Loire); un long voyage is de wijziging die Georgens Brassens aanbracht toen hij er een liedtekst van maakte. Was de vermoedelijk Angelsaksische bewoner van Pinoch House dan een Brassens-fan? Het zijn glimpen van andere levens die alleen de liefhebber van tweedehands boeken opvangt.
Was ik een uitgever, ik zou de honderdste verjaardag van Maeterlincks Nobelprijs voor de Literatuur herdenken door zijn charmante bundel herinneringen Bulles bleues (1948) in het Nederlands te vertalen. In Drie dichters blikt hij terug op zijn vriendschap met Charles Van Lerberghe en Grégoire Le Roy. De schrijvers groeiden samen op in Gent. “Gent, onze goede, sombere en oude stad die in mijn jeugd evenveel bruggen als straten telde, was hermetisch afgegrendeld voor iedere vorm van literatuur.” Wat Le Roy betreft, “zijn leven, feller bewogen dan het onze, verstoorde soms onze ijverige rust. Zo moest ik, omdat ik een goede schermer was, optreden als zijn getuige in een duel dat onvermijdelijk was geworden door een opeenvolging van beledigingen en klappen. Normaal gezien had Van Lerberghe de tweede getuige moeten zijn; maar hij kon noch het gekletter van degens, noch de knallen van vuurwapens verdragen. Wij vervingen hem door de zoon van een generaal die ons volledig was toegewijd. Wij ontmoetten de secondanten van de tegenstander. Ik bood de strijders een dreef aan in onze tuinen van Oostakker, en wij gevieren kwamen snel overeen om, zonder medeweten van onze cliënten, zeer veel kruit in de pistolen te steken en de kogels te vergeten. Die liet ik in mijn zak glijden. Twee denkbeeldige projectielen werden dus, volgens de geijkte formule, ‘uitgewisseld zonder resultaat’. De eer was gered, en wij vierden een volmaakte verzoening met een goed landelijk maal, gul bevloeid met kostbare flessen die ik eerlijk ontleende aan de vaderlijke kelder.”
M. Maeterlinck, Trois poètes, in Bulles bleues, Parijs, 1948, p. 215-221.