De Belgische pioniers in Congo

Het gewraakte onderdeel van het monument

“Het monument ‘De Belgische pioniers in Congo’ in het Jubelpark zorgt voor commotie, ” lees ik in mijn ochtendkrant. Om de waarheid te zeggen wist ik niet dat dit monument bestond, maar wat ik wel weet, is dat mijn overgrootvader in 1893 een Belgische pionier in Congo is geweest. “Aan de zijkant van ‘De Belgische pioniers’, gebouwd in 1921, is te zien hoe een Belgische soldaat een Arabier het hoofd intrapt. Het tafereel heeft als bijschrift ‘De Belgische militaire heldenmoed verdelgt den Arabischen slavendrijver’. Volgens Ecolo stoot de islamofobe tekst de moslimgemeenschap tegen de borst. ‘Deze zin heeft Brusselaars van Arabische afkomst geschokt,’ zegt Brussels parlementslid Ahmed Moussin.” (De Standaard, 16 juni 2011, p. 11.)

Islamofoob – met angst voor de islam. Het is me niet duidelijk waar er uit dit opschrift angst voor de islam spreekt. Wellicht bedoelt Ecolo, niet erg bekommerd om etymologie, met ‘islamofoob’: ‘getuigend van afkeer, of vooringenomenheid, jegens de islam’.  Ook dat lees ik niet in dit opschrift. De tekst verwijst slechts naar ‘den Arabischen  slavendrijver’, en dus naar een economische activiteit, niet naar een  religieuze overtuiging. Stuit Brusselaars van Arabische afkomst dan de (historisch correcte) vermelding tegen de borst dat er Arabische slavendrijvers actief waren op het Afrikaanse continent en dat die hun jachtterrein in Congo kwijtraakten? Als met de Brusselaars van Arabische afkomst Saoedi’s bedoeld worden, mag men er misschien op wijzen dat de slavernij in Saoedi-Arabië pas in 1962 officieel werd afgeschaft (en nog steeds lijkt te bestaan). Als er Brusselaars van Marokkaanse origine mee bedoeld worden, kun je je afvragen waar zij zich druk om maken.

Het beeld past bovendien in de allegorische traditie: er zijn geen concrete mensen voorgesteld, maar personificaties. De soldaat symboliseert “de Belgische militaire heldenmoed”, de liggende Arabier de slavenhandel. En wordt hier wel echt een hoofd “ingetrapt”?

Zullen Brusselaars van Arabische afkomst binnenkort ook verzet aantekenen tegen het standbeeld van Godfried van Bouillon? Of aan de mededeling in de geschiedenislessen dat Karel Martel in 732 bij Poitiers de Arabieren versloeg?

Wees op uw hoede voor politieke correctheid, zij leidt tot geschiedvervalsing.

Zie ook Brussel Nieuws

Een verhelderend negentiende-eeuws citaat: “During the present century, many circumstances have combined to make the Zanzibar Arabs the most noted slave-hunters and slave-dealers in the world. Of their earlier history little is definitely known, beyond the fact that already in the tenth century there were Arab settlements along the East Coast of Africa.

After the discovery of the Cape Road to the Indies, most of these settlements were conquered by the Portuguese, and were then gradually reconquered in the eighteenth and beginning of the nineteenth centuries by the Imams of Muscat.

Of this second Arab dominion the most important centres were the islands of Zanzibar and Pemba; and from these islands, as the result of the mingling of Arab and negro blood, a race of black Arabs has sprung. Yet, despite their long occupation of the Zanzibar coast and neighbouring districts, it is only within recent recent times that the Arabs have advanced into the Interior.

Some two generations ago the island of Pemba developed into a great clove-plantation, worked by slaves in the manner of the cotton and sugar plantations of America. A little later, certain merchants of Zanzibar, becoming involved with their creditors, migrated to Central Africa to prospect for ivory. Owing to the destruction of their beasts of burden by the tse tse fly, they found it necessary to employ the natives as porters; and thus it arose that blacks were shipped to the Zanzibar slave-market, as a by-product of the ivory trade, at the very time there was a strong demand for their labour in the clove-plantations of Pemba. The supply of slaves ultimately became such as to permit of a large export across the seas to the Mohamedan countries of Asia.”

Sidney Langford Hinde, The Fall of the Congo Arabs, Londen, 1897, p. 2-3.

In het noorden

Onverwacht bezoek

Mijn moeder had me gewezen op enkele ondiepe kuilen in de tuin: “Hier slapen ’s nachts reeën”. Het leek vreemd dat deze schuwe dieren in de buurt van een woning zouden willen overnachten, in plaats van in de nabije dennenbossen vol beschuttend onderhout. De volgende dag zag ik hen, tijdens een wandelingetje naar de tulpenboom. Uit een aanpalende weide sprongen ze verend de tuin en hielden toen halt op het pad, om naar me te kijken: een reegeit met twee mooie kalfjes. Ik kon mijn ogen amper geloven, en deed het toch. Daarna snelden ze verder, naar het bos.

Filosofie van de lust

Epicurus van Samos, leunend tegen zijn leerling Metrodorus, Louvre, Parijs

Uit Epicurus’ brief aan Menoikeus: “Wanneer wij dus zeggen dat lust ons levensdoel is, hebben wij het niet over de lust van losbandige lieden of over de lust die gelegen is in actief genieten – zoals sommige mensen denken die niet weten waar ze het over hebben en die met ons van mening verschillen of aan onze leer een negatieve uitleg geven – maar wij doelen op een toestand waarin het lichaam geen pijn heeft en de ziel niet verontrust wordt. Het gelukkige leven komt niet tot stand door drinkgelagen of onafgebroken feesten, noch door het genieten van jongens of vrouwen, of het eten van vissen of andere spijzen die de rijk voorziene tafel biedt, maar door nuchter denken, dat niet alleen de gronden onderzoekt van elk kiezen en vermijden, maar ook de ongegronde meningen uitbant waardoor de grootst mogelijke onrust zich van ons meester maakt.”

Epicurus, Over de natuur en het geluk, vertaald, ingeleid en van aantekeningen voorzien door K. Algra, Historische Uitgeverij, Groningen, 1998, p. 132.

Zie ook de inleiding tot Epicurus bij Moraalmarokkaan:

Raam in Rome

L. Cogniet, Mijn kamer in Villa Medici, Rome, 1817 (Cleveland Museum of Art)

Een zelfportretje van de jonge Léon Cogniet, die net de Prix de Rome had gewonnen, een studiebeurs voor vijf jaar verblijf in de Franse Academie in Rome. Hij is bezig zijn kamer in te richten, zijn gitaar heeft al een plaats gevonden. Buiten wenkt het licht op de Pincio. Wat een heerlijk gevoel moet dat zijn geweest, weten dat dit mooie avontuur net begon.

(Tot 4 juli te zien in Rooms With A View, Metropolitan Museum, New York)

Signoria

H. Liska, Mercedes op Piazza della Signoria

De Oostenrijkse illustrator Hans Liska (1907-1983) specialiseerde zich in de weergave van voertuigen en werkte in de jaren 1950 meermaals voor Daimler-Benz. Deze tekening is typisch: we zien waar hij zijn favoriete wagen heeft achtergelaten, tussen de voetgangers en de koetsen op de Piazza della Signoria in Florence, en we zitten bijna samen met hem in de Loggia dei Lanzi de rug van Cellini’s bronzen Perseus te bewonderen. Een dynamische, haast hyperkinetische tekening van een man die Picasso, Ernst en Kokoschka vereerde.

H. Liska, Den Herzen hinter dem Stern, Stuttgart, 1955.

Syrische herinnering

“In 1973, toen ik vijftien was, wandelde ik met enkele vriendinnen van school naar huis over het Najma plein in Damascus. Een van hen, een mooi blond meisje met een zwak voor drop, bleef achter om snoep te kopen bij een kraampje. Wij wandelden voort, giechelend en roddelend, bezorgd om onze moeilijke huistaak voor aardrijkskunde en nergens anders om. Op die zoetgeurende lentemiddag, met de amandelbomen in volle bloei en onze hele toekomst voor ons, beseften we nog niet hoe gruwelijk Syrië veranderd was onder de totalitaire Ba’athpartij. Een gloednieuwe zwarte Mercedes met verduisterde vensters – dertig jaar later nog steeds in gebruik bij dezelfde mafiosi van hetzelfde regime – vertraagde op de plaats waar onze vriendin Simone haar kleingeld uittelde. Het donkere glas gleed traag naar beneden en de man op de achterbank riep haar. Hij beval haar grof om in te stappen voor een fijn ritje. Zij werd bang en keek weg. De bruut, niet gewend aan weigering, stuurde zijn gewapende lijfwachten op haar af. Het meisje geraakte in paniek. Zij zag een winkeltje waar gasflessen werden verkocht, toen een courant artikel voor keukens. Ze rende ernaartoe en riep Dakhilak ya, Ammo!  (Help me alsjeblieft, Oom!) naar de verbaasde oude uitbater.

Zoals veel vrome Arabieren van die lang vervlogen tijd vreesde Abu Ahmad enkel God en niets anders. Hij stormde naar buiten met een gasfles en een doos lucifers en zei tegen de mannen dat hij hen zou opblazen als ze niet wegreden en het meisje met rust lieten. Ze scheurden ervandoor. Wij hoorden het lawaai en snelden terug naar onze vriendin. Ze zat op een werkbank in het winkeltje en hield in haar bevende handen een gespikkelde mok met water, waar haar vriendelijke redder een druppel oranjebloesemessence aan had toegevoegd, zeggend dat dit haar zou kalmeren. We dankten hem snel en namen afscheid; niemand van ons vermoedde dat we hem nooit zouden weerzien.

De volgende dag werd hij een van Syriës vermiste personen, die nu in totaal, volgens Human Rights Watch, met 17.000 zijn.”

Rana Kabbani, Road to Revolution, in Vogue (Britse editie), juni 2011, p. 173.