Kalenden

Mei, Les Très Riches Heures du Duc de Berry

Calenda Maia, dichtte de troubadour Rambaut de Vaqueras, De eerste mei. Geen rode vlaggen, maar groene takken  – tot diep in de vijftiende eeuw vierde men de eerste dag van de mooie maand door zich in het groen te kleden, het bos in te rijden en er bloeiende takken te verzamelen om de woningen te versieren. (Stel je voor, een picknick organiseren met een kamerorkest erbij.) Edellieden droegen symbolische gewaden die zachtgroen gekleurd werden met gemalen malachiet. Misschien werd deze steen ook gebruikt voor het groen in deze afbeelding? Tel dat op bij de uit het Midden-Oosten ingevoerde ultramarijn voor het blauw, en het bladgoud, en de exquise kwaliteit van het perkament, en men begint zich een idee te vormen van de extravagante kostprijs van dit manuscript, nog zonder de honoraria van de kunstenaars te rekenen; meteen begrijpt men ook hoe grauw of neutraal de kleding van het volk was, met als enige kleurstoffen de aftreksels van planten of kruiden. De edelvrouw op het witte paard zou Marie zijn, dochter van de opdrachtgever van dit getijdenboek, Jean, hertog van Berry. Op de achtergrond zien we de torens van Parijs.

De dichter Charles d’Orléans, kleinzoon van de hertog, vatte de feestelijke sfeer van mei in een ballade:

Le Dieu d’Amour est coutumier

à ce jour, de fête tenir,

pour amoureux coeurs fêter

qui désirent de le servir;

pour ce fait les arbres couvrir

de fleurs et les champs de vert gai,

pour la fête plus embellir,

ce premier jour du mois de Mai.

Toren van Babel?

Kast met grammatica's - boekhandel Peeters Leuven

Vreugde neemt de gekste vormen aan. Ik werd blij toen ik op deze kast stuitte – zoveel kennis, zoveel stille arbeid, zoveel drukkunst, zoveel mogelijkheden (ik kon meteen Japans beginnen te leren, of Ugaritisch), en dat alles voor het meest democratische cultuurgoed, taal.

Democritus Sherlockritus

Democritus, Musei Capitolini, Rome

Sir Arthur Conan Doyle verwees naar sommige professoren  in de geneeskunde als modellen voor zijn Sherlock Holmes.  Diogenes Laertius, de onderhoudende biograaf van de Griekse filosofen, biedt ons echter een onmiskenbare voorloper uit de Oudheid: Democritus van Abdera, door Plato gevreesd als grootste rivaal. “Toen Hippocrates bij hem op bezoek kwam, liet Democritus verse melk brengen; hij bekeek deze en zei dat het de melk moest zijn van een zwarte geit die net haar eerste jong ter wereld had gebracht; Hippocrates stond verstomd over de nauwgezetheid van zijn waarneming. Hippocrates werd vergezeld door een vrouwelijke bediende. Democritus begroette haar op de eerste dag met de woorden: ‘Goedemorgen, meisje’ , maar de volgende dag zei hij: ‘Goedemorgen, vrouw’. Het meisje was in de loop van die nacht inderdaad door iemand verleid.”

Diogenes Laertius, Lives of Eminent Philosophers, vertaald door R.D. Hicks, Loeb, 2005,  dl. 2, p. 452-453.

Le cottage et la ferme Van Schelle, Diepte, à Merxplas

Literaire woning in de Noorderkempen

“De geur van lindebomen waaide aan. Al het houtwerk was nog geschilderd in de verf die meneer Van Schelle er eertijds voor had gekozen, vliegenwerend blauw, nu gebarsten, afgebladderd, door de hitte van zestig zomers in blaren getrokken. Hier zag ik Amélie de meid met het jonge geitje achter zich aan, dacht hij. Hier zullen de meiden en knechts paniekerig vergaderd hebben toen ze een telegram onvingen met het bericht dat Mijnheer terugkwam uit Zuid-Afrika en een tijd wilde uitrusten op zijn buitengoed – want in zijn afwezigheid hadden ze de splinternieuwe machines verkocht omdat ze er niet mee wilden werken en het hele domein maar een beetje tot eigen voordeel uitgebaat. Het was een typisch geval, rijkelui uit Gent, Antwerpen of Brussel die hier hele lappen hei opkochten voor een appel en een ei en die arme grond eens met de nieuwste technieken zouden laten bewerken door hun pachters. Herenboer spelen.

Uitgevlogen

Na de grote oorlog hadden ze alles verkocht. Boer Haest, die in de loopgraven blind was geworden, had blijkbaar genoeg geld in een sok, want hij kocht deze boerderij. En de boomkweker kocht de aanpalende villa, en nodigde mij en mijn broers uit om wafels te komen eten en wijn te komen drinken, in het gezelschap van zijn dochters. Maar voor een stapel wafels gingen we onszelf nu ook weer niet laten vangen.”

L. Huet, Almanak, Atlas, 2005, p. 144-145.

Joie de vivre

“Hij liet zich niet pramen, hij was gek op die Amerikaanse sleeën. Ze schoven gedrieën op de voorbank. Hij legde zijn handen goedkeurend op het witte stuurwiel met de metalen ring en het roodzilveren wapenschild in het midden en draaide de sleutel om in het contact. Dat was techniek, de zoete manier waarop deze grootse motor begon te draaien en de soepele schakeling aan het stuur. Drie versnellingen, dit type was nog niet automatique. Powerglide of Dynaflow noemden de Amerikanen dat, meende hij zich te herinneren. When better cars are built, Buick will build them, luidde de slagzin op een van die folders die hij als kind had verzameld  op het Autosalon en die de muren van zijn slaapkamer sierden. Twee ton staal onder je kont en het gevoel zo licht als een veertje voort te glijden. ‘Een rijdende salon,’ zei hij bewonderend terwijl ze de bocht namen. ‘Maak het jullie gemakkelijk, juffrouwen. Waar gaan we naartoe?’ ”

L. Huet, Almanak, p. 110.

Alfa of bête

Alfa en de rest

De heer Bo Coolsaet poneerde op 16 mei in Reyers Laat dat Dominique Strauss-Kahn een alfamannetje is, zeer intelligent, zeer machtig en zeer seksueel gedreven: een superman, het resultaat waarnaar de evolutie altijd heeft gestreefd. Niemand sprak hem tegen, zodat we mogen aannemen dat een verkrachter-met-macht een rolmodel zou kunnen worden. Annemie Neyts wees op het vermoeden van onschuld. Journalist en politici ginnegapten.

Enkele bedenkingen. We mogen DSK wel bedanken, omdat hij een begripsverwarring in de geesten van onze kwetterende klasse heeft blootgelegd: gooi ze allemaal op een hoop, de hoffelijke vrouwenliefhebber, de subtiele verleider, de man met een minnares, en degene die in een verloren kwartiertje nog snel even het dienstpersoneel aanrandt. Persoonlijk maak ik een onderscheid tussen al deze mensen, en dat hoop ik tot het eind van mijn leven te blijven doen. Niemand in de media noemde Roger Vangheluwe ooit sussend een “joyeuze kindervriend”, of wees op het vermoeden van zijn onschuld. En dan is er nog die wonderlijke ommekeer in de berichtgeving: lang draaide alles om het slachtofferperspectief, nu geldt, als een donderslag bij blauwe hemel, het perspectief van de dader.

Het alfamannetje. Zeer intelligent. Ook hierbij stelde ik me vragen. Om te beginnen, dat versleten begrip alfamannetje. Vroeger was een gentleman het maatschappelijke ideaal, dat lijkt me verkieslijk. DSK is bovendien een gewone intellectueel die dankzij trouw aan een politieke partij carrière heeft gemaakt – een doorsneeverhaal, de Nobelprijs Economie heeft hij bij mijn weten niet ontvangen. Deze kritiekloze verheerlijking van de macht, in een zogenaamd duidingsprogramma op de nationale omroep, deed me huiveren. Wie machtig is, zal dan ook wel razend intelligent zijn. Waarom deze slaafse gevolgtrekking? En wie machtig en intelligent is, die kan onmogelijk weerstaan aan zijn seksuele driften en beschouwt vrouwelijk hotelpersoneel “als een soort tandenborstel” (sic). Mocht ik een machtige en/of intelligente man zijn met respect voor anderen, ik zou me behoorlijk geaffronteerd voelen door dit soort redeneringen over mijn sekse. Kranten en televisie wekken de indruk: DSK vinden we diep in ons hart sympathiek, want hij is de voorzitter van een van de grootste economische instellingen ter wereld, en de hielen van de echte macht, o la la, die likken we. Boeiend toch, al die maten, al die gewichten, in de praktijk.

Ancien régime

De veerkrachtige Rose Bertin

Ik verneem uit de krant dat het gedrag van Dominique Strauss-Kahn te vergelijken valt met dat van Franse edelen in het Ancien Régime. “‘Het is een traditie die ver teruggaat in de tijd’, vertelt de Franse seksuoloog Jacques Waynberg, ‘[…] Uit die tijd komt ook de notie dat de hogere rangen in Frankrijk, de nobelen, niet alleen grond bezaten die ze hadden, maar ook de mensen die erop woonden. Die werden ook gezien als hun eigendommen, inclusief de vrouwen. Zo werd materiële en politieke macht eigenlijk uitgebreid naar macht over mensen.'” Ik hoop dat de heer Waynberg een beter seksuoloog is dan historicus. En sinds wanneer is materiële en politieke macht géén macht over mensen?
Laten we kijken hoe het er toen aan toe ging. Het onderwerp van onze kleine studie is Rose Bertin, de modeontwerpster van koningin Marie-Antoinette. Toen zij nog een jonge modiste was en haar eerste opdrachten kreeg van het hof, werd ze begunstigd door de hertogin van Chartres en trok ze de aandacht van de hertog van Chartres (neef van Lodewijk XVI;  later bekend als Philippe Égalité). “Nadat hij haar had opgemerkt, sprak hij haar aan, maakte haar zelfs avances; hij bood haar diamanten aan, paarden, koetsen, zelfs een huis ingericht naar de laatste smaak, als ze erin toestemde zijn maîtresse te worden. De hertog van Chartres was eraan voor zijn welsprekendheid en zijn madrigalen. Hij bekwam niets. Maar, hoe meer zij hem afwees, hoe koppiger hij werd, en niet alleen begeerde hij de mooie modiste, hij werd opgehitst door haar verzet; hij had zelfs het plan gevormd haar te laten ontvoeren; om dit project te doen lukken hield hij een huisje klaar in Neuilly om zijn successen te verbergen.” Rose is zich bewust van het gevaar; ze grijpt de eerste gelegenheid die zich voordoet en maakt de hertog met enkele welgekozen woorden belachelijk in het gezelschap van vrienden van zijn vrouw. “De hertog verschoot van kleur en sprak geen woord.” Alleen sist hij haar bij het afscheid toe: “Vous êtes un petit serpent.”

We zien een bedenkelijke hertog, de tweede in rang in het koninkrijk, veel geld beloven, veel vleiende woorden spreken, veel tijd verliezen, uiteindelijk gezapig een snood plan koesteren en ten slotte in het gezelschap van zijn gelijken ontwapend worden met een paar eenvoudige zinnetjes. Liet hij Rose vervolgens feodaal vierendelen of toch minstens aan de schandpaal ketenen? Nee, hij noemde haar een serpent en gaf op. Hier geen sprake van bloot uit de badkamer komen, brutaal vastgrijpen, deuren op slot draaien en kleren scheuren. Door clichés over het verleden te debiteren zullen we onze eigen tijd heus niet beter gaan begrijpen.

E. Langlade, La marchande de modes de Marie-Antoinette, Rose Bertin, Parijs, [1911], p. 8-10.

Aan de stroom

Max Elskamp in zijn woning aan de Belgiëlei, Antwerpen

Het lijkt me gepast, om de opening van het Museum Aan de Stroom te markeren door enkele gedichten van Max Elskamp te herlezen. De dichter heeft Antwerpen prachtig en melancholisch bezongen en hij is de stichter van het oude Volkskundemuseum, een museum gewijd, zou je kunnen zeggen, aan de fragiliteit en nederigheid van het dagelijks leven. De collectie van het Volkskundemuseum is nu overgebracht naar het MAS.

C’est ta rue Saint-Paul

Celle où tu es né 

Un matin de Mai

 À la marée haute,

C’est ta rue Saint-Paul 

Blanche comme un pôle,

Dont le vent est l’hôte,

Au long de l’année.  

Maritime et tienne

De tout un passé,

Chrétienne et paienne

D’hiver et d’été …

Stad en haven waren toen, in de jaren 1860, nog niet gescheiden. Als uiterst gecultiveerde persoon betrachtte Elskamp in zijn poëzie ook een eenvoudige expressie, iets als de tingeltangel van volksliedjes of muziekdoosjes. Ce pauvre chant mal à flot, ces syntaxes mal au clair, zo beschreef hij zijn verzen in zijn verzen. Heel geraffineerd, heel doeltreffend.

De commotie over het sixties-snoepwinkeltje dat niet beschermd kan worden aan het Astridplein, zou hij maar al te goed begrijpen. Voor ons boekje over het Volkskundemuseum vertaalde Geert van Istendael in 2007 een mooie tekst van Elskamp over de snoepwinkels van zijn kindertijd. “Het Nederlandse woord snoepwinkeltje geeft precies aan wat die wereld van bont, vrolijk, uitnodigend suikergoed is, een wereld waarin je schapen kunt uitrekken, aan vogels kunt likken, op kathedralen kunt zuigen of, nog beter, een stuk uit de maan, de zon of een vluchtige komeet kunt bijten. […] Het zijn echt winkeltjes van vreugde, zondagswinkeltjes, oneindig menselijk, nodig en nuttig, ze zijn in hun ellendige achterafstraatjes een genot voor dichters, een feest van kleur en diepe harmonie voor schildersogen. Onze grote schilder van het leven der dingen, Henri de Braeckeleer, was er dol op. Altijd sprak hij erover met een vertederde glimlach en de zachtaardige melancholicus die hij was, vond troost voor ogen en ziel in de langdurige contemplatie van hun nederige uitstalramen, waar dit kenmerk van ons ras zo luid zingt: de verering van de dingen die in de nevelen van de tijd verdwenen zijn en die spreken in kleuren.”