De kerselaar bloeit. Volgend jaar is hij even oud als ik was toen ik hem plantte.
Genie met opvolger

Zo, dit zelfportret van Rafaël met zijn leerling en opvolger Giulio Romano kende ik niet.
Giulio bouwde en decoreerde het Palazzo del Te voor de hertog van Mantua. Ik blader door boeken en neem de details in me op. Wat een wonderlijk, uitdagend oord, gewenst en rijkelijk beloond door een grillige opdrachtgever. Ja, lezend over het mecenaat van renaissancevorsten krijg je de indruk dat hedendaagse kunstenaars veroordeeld zijn tot een sukkelbestaan.

Voogdessen
Het schijnt Wereldboekendag te zijn. Ik weet niet wat die benaming inhoudt, en misschien is nagenoeg elke dag wel boekendag voor mij. In elk geval ben ik blij dat vandaag dit pakje uit Duitsland arriveerde. Want boeken van historici die ook werkelijk goed schrijven, die verzamel ik. En deze drie dames markeerden Bruegels eeuw.
Aangekocht bij The Old Bookcase.
Heloise en Alcuinus
Prisma-boeken: ik kan er zelden aan weerstaan. In mijn ouderlijk huis zocht ik iets om ’s avonds te lezen; dit vond ik in het rek met pockets. Een plechtstatige historische roman, over de strijdlustige filosoof Peter Abelard uit Frankrijk. Tegenwoordig beter bekend om zijn verhouding met zijn studente Héloise dan om zijn gedichten en verhandelingen, waarvan een de modern klinkende titel Ja en nee draagt. Sic et non. (Het verbaast me dikwijls zelf ook, dat ik als student filosofie zoveel plezier beleefde aan de cursus Middeleeuwse wijsbegeerte).
De schrijfster, Helen Waddell, lijkt me een soort Britse Helene Nolthenius. Peter Abelard is haar enige historische roman. Van haar overige boeken zou ik The Wandering Scholars willen lezen, en haar vertalingen van Latijnse gedichten uit de middeleeuwen.
De commerciële Nederlandse titel Abelard en Heloise is misleidend, want het is wel degelijk een roman met Abelard als hoofdpersoon. Maar op een mooie bladzijde zit Heloise te bladeren in een oud handschrift, met brieven van Alcuinus van York. Heloise, een vrouw uit de twaalfde eeuw, Alcuinus, een beroemde monnik uit de achtste eeuw. En dit schrijft Alcuinus.
“O mijn geliefde, herinner je mij. Ik zal de jouwe zijn in leven of in dood… En zelfs al is een andere plek bestemd om mijn lichaam te bewaren, toch denk ik dat mijn ziel zijn rust zal vinden met jou. En al zal verscheidenheid van verdiensten de een gezegender doen leven dan de ander, toch zal de gelijkheid der eeuwigheid allen gelukkig doen leven. Zoals ene zon over allen schijnt en toch door sommige ogen helderder gezien wordt dan door andere zo zal het koninkrijk der hemelen zijn… Dit is de zegen van het leven hiernamaals, dat nooit afwezig is datgene wat altijd is bemind. Ik heb teveel gesproken, maar wie weet of het me morgen gegeven is om te schrijven, en of jij en ik, na morgen, ooit nog onze zoete samenspraken houden?”
Dat hebben kenners van de middeleeuwen voor op ons, ze weten dat dergelijke parels bestaan en ook waar ze die moeten opduiken. Ik ga maar eens op zoek naar de brieven van Alcuinus.
“Ze sloeg de bladzijden haastiger om, deze oude stem uit een vergeten wereld had te veel macht.”
Helen Waddell, Abelard en Heloise, vertaald door G.J. Helmer, Prisma-Boeken, Utrecht-Antwerpen, 1960, p. 39.
Zomerse wandelingen
Maandag Hofdag
Heerlijk hebbeding, met kleine bijdrage van uw dienares. te koop in de krantenwinkel, of in de luxe-editie hier te bestellen.
Pluk de dag
Een paascadeau. De moeilijkste Romeinse dichter, in schoolmeisjesherinnering. Nu speels en schitterend vertaald door Paul Claes. Ik herken gedichten die we traag in de klas ontleedden, schijnbaar urenlang zoekend naar woorden die bij elkaar hoorden. Word getroffen door vrolijke regels in politieke gedichten: Nunc est bibendum, nunc pede libero / pulsanda tellus…
Nu moet er gedronken worden, nu bevrijd
worden rondgedanst …
En sta aan de grond genageld. Beschreef Horatius echt in het gedicht Zwanenzang hoe hij letterlijk in een zwaan verandert?
Op mijn benen komt een ruige vacht te staan
En vanboven ben ik al een witte zwaan:
er groeien vederlichte pluimen
van mijn bovenarmen tot mijn duimen.
Als Romeinse dichters dat konden, dan konden ze alles.
Dag van de hovenier

Een onvergetelijk verhaal, wat mij betreft: de ontmoeting met de hovenier. En nu wordt het zo stilaan tijd om eieren te koken en chocolade te eten. Daarna een wandeling, om kieviten te zien dwarrelen en reeën te zien grazen. Graag wens ik iedereen een mooie Paasdag.
En de rest is nog veel erger, bis
Hoe als uitgever in 2015 een productiesubsidie aanvragen bij het Vlaamse Fonds voor de letteren? Welk soort uitgaves komt in aanmerking?
“proza: enkel kortverhalen, vertaalde fictie en literair proza dat kadert in de VFLbeleidsdoelstellingen rond interculturaliteit en armoedebestrijding.”
O, wat klinkt dit edel. En ja, dit jaagt mij de stuipen op het lijf.
Hoort de hoofddoelstelling van een Vlaams Fonds voor de Letteren niet te zijn: literaire kwaliteit? Interculturaliteit (wat is dit? Ik vat het op als elementaire beleefdheid tussen culturen) en armoedebestrijding zijn taken voor andere overheidsorganen.
Bestudeer het originele document hier.
De rest is nog veel erger
De rest is nog veel erger. Een geniale titel vind ik dat. Ik geloof niet dat iemand een grap met me heeft uitgehaald op 1 april, maar ik kreeg wel een mooi boek cadeau. De briefwisseling tussen Emmanuel De Bom en Maurice Gilliams. Twee schrijvers, twee karakters. De ene hartelijk, de andere integer. Waarom ben ik het zo dikwijls met Gilliams eens?
“De laatste tijd heb ik heel wat fransche auteurs verwerkt; wat een pracht, die kerels der classiek. Wij bezitten geen literatuur. Ook Holland niet. Wij hebben een paar alleen staande figuren van beteekenis, meer niet; maar zij geven geen collectief beeld van een z.g. literatuur. ” In een brief uit 1941. En daar staat ook het snijdende: “Kunst en Schoonheid (met een hoofdletter) bestaan niet voor mij. Schrijven is een quaestie van geweten. De rest is tijdverdrijf, onzin en dwaze hoogmoed.”
Uit enkele voetnoten leer ik dat Gilliams brieven van Elskamp las. Had hij toch maar meer geschreven, denk ik dan, wisten we maar eens wat hij van de poëzie van zijn stadsgenoot Elskamp vond.






