De imitatione statuarum

Rubens, Torso van Belvedere, Rubenshuis Antwerpen
Rubens, Torso van Belvedere, Rubenshuis Antwerpen

Uit Rubens’ nota’s over de beeldhouwkunst:
“De voornaamste reden waarom de lichamen van onze tijd verschillen van die van de oudheid, is de luiheid, de ledigheid, het gebrek aan lichaamsbeweging; want de meeste mensen oefenen hun lichaam alleen in het drinken en goed eten. Wees dus niet verbaasd wanneer u vet op vet stapelt, een dikke overladen buik krijgt, zachte en krachteloze benen, & armen die zichzelf hun werkeloosheid verwijten. In de oudheid oefenden de mannen zich dagelijks in de academies en andere openbare gelegenheden voor lichaamstraining, en dreven zij zichzelf tot zweet en uitputting. Bestudeer in het boek dat Mercurialis schreef over gymnastiek op hoeveel verschillende manieren ze hun lichaam afmatten, en hoeveel kracht daartoe vereist was. Waarlijk, niets was beter om de zachte en door traagheid dikke lichaamsdelen te laten wegsmelten dan deze oefeningen: de pens krimpt en alle delen die bewogen werden veranderden in vlees en verstevigden de spieren: want de armen, de benen, de nek, de schouders en alles wat zich inspant (geholpen door de natuur die door de warmte een sap vormt waarmee ze deze voedt) winnen aan kracht, groeien en nemen fel toe in omvang, zoals wij zien aan de rug van Geten, aan de benen van dansers en aan bijna het gehele lichaam van roeiers.”

R. de Piles, Cours de peinture par principes, Parijs, 1791, p. 133-135.

Sterrenhemel

Adam Elsheimer, De vlucht naar Egypte, München, Alte Pinakothek
Adam Elsheimer, De vlucht naar Egypte, München, Alte Pinakothek

Volgende week vindt in de faculteit Letteren van de KULeuven het symposium Facts & Feelings plaats, over documenten aangaande emoties bij kunstenaars in de vroegmoderne periode (1600-1800). Voor de gelegenheid herlees ik enkele brieven van Rubens en zoals wel vaker haper ik op de bladzijde waar hij zijn bewondering uitspreekt voor Adam Elsheimer, wiens dood in Rome hem net is gemeld. Het is 14 januari 1611. “Om een dergelijk verlies zouden al zijn vakgenoten zich moeten hullen in diepe rouw, want zij zullen niet snel zijn gelijke vinden. Naar mijn mening was hij de beste in kleine figuren en in landschappen, en in vele andere onderwerpen. […] Ik denk dat ik nooit eerder zoveel verdriet heb gevoeld als bij dit nieuws en nooit zal ik diegenen die hem aan zijn ellendig einde hebben gebracht een blik waardig keuren. En ik bid God dat hij signor Adam de zonde van de traagheid wil vergeven, waardoor hij de wereld schitterende kunstwerken heeft ontzegd en zichzelf veel ellende heeft bezorgd totdat hij, denk ik, bijna zichzelf tot wanhoop heeft gedreven, terwijl hij met zijn eigen handen een groot vermogen had kunnen opbouwen en zich door iedereen had kunnen laten respecteren.”
Kortom, de zachtmoedige signor Adam leed aan depressie en gebrek aan daadkracht en Rubens’ liefhebbende verwijt had hem bij uitstek kunnen aanmoedigen en aansporen: “waardoor hij de wereld schitterende kunstwerken heeft ontzegd.”

Elsheimers Vlucht naar Egypte is naar mijn aanvoelen een aangrijpend verstild werk, met dat maanlicht, de echte sterrenbeelden in het uitspansel, de herders en de onopvallende vluchtelingen.
De meester liet ook een zelfportret na, bewaard in de Florentijnse Uffizi. Dat rustige gezicht lijkt volmaakt te passen bij die rustige werken. De hand houdt palet en penselen stevig vast.

Adam Elsheimer, Zelfportret, Firenze, Uffizi
Adam Elsheimer, Zelfportret, Firenze, Uffizi

Reissonnet

viruly.1296

Graaf Floris door de Edelen vermoord…
Al heel lang leerden wij uit de Historie,
dat Edelen voor rijkdom, macht of glorie,
of ook voor de verspreiding van God’s woord,

graag heren van hun eigen hoge soort
de dood aandeden. En na die victorie
geprezen voortleefden in de memorie
waar maar Geschiedenis wordt aangehoord.

Toen is de volkswil in verzet gekomen.
Veel guillotines sierden rode dromen.
Lenin en Stalin kwamen met hun les:
de volksheld Hitler schiep, Heil!, zijn SS…

Ik geloof, dat ik niet aan de volkswil wen
en meer voor moorden door de Edelen ben.

Bij antiquariaat Demian in Antwerpen ontdekte ik deze, mij onbekende, avontuurlijke Brabantse dichter. Bundel uit 1985, hoe kort geleden lijkt dat; een gesigneerd exemplaar, merk ik nu, opgedragen aan Remco Campert.

Juli 1789

31
De gevangen Berthier ziet het hoofd van zijn schoonvader Foulon (Photothèque des Musées de la Ville de Paris)

Chateaubriand beschrijft in zijn Mémoires d’outre-tombe de sfeer in Parijs, enkele dagen na de bestorming van de Bastille: “Ik stond bij de vensters van mijn kamer met mijn zusters en enkele Bretoenen; wij hoorden roepen: ‘Sluit de poorten! Sluit de poorten!’ Een groep havelozen arriveert langs een kant van de straat; in het midden van die groep rezen twee standaarden op die we niet goed konden zien. Toen ze naderden, onderscheidden wij twee verminkte hoofden, die de voorlopers van Marat elk op het uiteinde van een lans voorbijdroegen: het waren de hoofden van de heren Foulon en Berthier. Iedereen deinsde terug van de vensters; ik bleef staan. De moordenaars hielden vóór mij halt en reikten mij al zingend en springend de lansen, om de bleke beeltenissen dichter bij het mijne te brengen. Het oog van een van die hoofden, losgeraakt uit zijn kas, hing neer op het donkere gelaat van de dode; de punt van de lans stak door de geopende mond, de tanden beten in het ijzer. ‘Schurken,’ riep ik, vol van een verontwaardiging die ik niet kon inhouden, ‘is het zo dat jullie de vrijheid verstaan?’ Had ik een geweer bij me gehad, ik zou op die ellendelingen hebben geschoten als op wolven. Ze brulden en stampten met verdubbelde kracht op de koetspoort om ze in te trappen en mijn hoofd bij dat van hun slachtoffers te voegen. Mijn zusters werden onwel; de lafaards van het gebouw maakten me hevige verwijten. De slachters, die men achtervolgde, hadden niet de tijd om het huis binnen te dringen en trokken weg. Die hoofden, en andere die ik niet veel later zag, veranderden mijn politieke gezindte; ik voelde weerzin jegens deze kannibalistische festijnen en het idee om Frankrijk te verlaten voor een ver land kiemde in mijn geest.”

Brigands, est-ce ainsi que vous entendez la liberté? Ik heb op gallicistische wijze de structuur van de zin behouden, omdat ik de aristocratische toon van Chateaubriand onvervangbaar vind. Het lijkt soms alsof je een meesterwerk van de markies van Cantecler zit te lezen. En toch, die prachtige flitsen van levendigheid, directheid, niet zelden humor. Ik waardeer daarenboven de daadkracht en onbeschaamde vurigheid van het zinnetje: “Ik zou op die ellendelingen hebben geschoten als op wolven.”

Conversazione

Sacra Conversazione
Sacra Conversazione

‘Toen ik wegging, sneeuwde het.’
Een boekje met een omslag zo wit en donzig als sneeuw, deze uitgave van CC de Warande met tekeningen van Anne-Mie Van Kerckhoven en verhalen van uw dienares. Zwart op snee, zwart op sneeuw. Binnenin helle kleuren. AMVK voegt woord en beeld in elkaar, als in een middeleeuws verlucht handschrift. Die heerlijk trefzekere lijnen, die doeltreffende plaatsing van de tekstblokjes, dat is het werk van iemand die bladspiegels begrijpt.

Het zachte boek tegen mijn handpalm doet me nadenken: wat is dat eigenlijk, een verhaal? Een anekdote, een gesprek, iets op papier of op een podium, met levende mensen? Wanneer het alleen over gedrukte woorden gaat, dan hebben dit jaar de verhalen van Lydia Davis het meeste indruk op me gemaakt, het jaar daarvoor My Father’s Tears van John Updike. Maar ik heb plotseling ook weer zin in sprookjes, grimmige sprookjes. En gedaanteveranderingen.

Madeleine

Dichters zijn nodig om ons eraan te herinneren dat taal nog uit iets anders bestaat dan geblaf in kranten en eindtermen van het onderwijs. Noem hen in ’s hemelsnaam ook nooit “culturo’s”, er zijn al genoeg lelijke woorden.
De Madeleine in Parijs is een van de bizarste kerken die ik ooit te zien kreeg; onvergetelijk door naam(genote), vorm en de nabijheid van de sublieme delicatessentempels Hédiard en Fauchon. In Bert Bevers’ bundel Arrondissementen – uitgegeven bij Kleinood & Grootzeer – vond ik dit mooie sonnet.

Poulenc gaat een brood kopen

Hij kwam de stad niet bevangen binnen, onwetend als
Kaspar Hauser. Hij kwam er ter wereld, aan de Place
des Saussaies. Hij ziet dagelijks meer toeristen passeren
dan wijkgenoten. Bij de bakker, ja, daar kennen ze elkaar.

Babbelen ze over het weer, over de Ronde, de gezondheid
en de vrijheidsdrang der Algerijnen. Thuis wacht de piano
hem immer, trouw monument van hunkering. Zo simpel
zijn de klanken die hij haar ontlokken kan dat twijfel voor

niks nodig is. Hij noteert ze standvastig weerbarstig, legt
ze zo vast als een schip in de haven. Hoort de voorbijgang.
Dat scheelt al een slok op de borrel, want dorst is de ruimte

van oren. De Madeleine bleef hem zijn ganse leven nabij. Hij
wilde niet dat tijdens zijn uitvaartdienst muziek van hem werd
gespeeld maar wel dat alle, alle, alle klokken zouden luiden.

Zeven

154 punten
104 punten

In het midden onderaan prijkte de S. En plotseling zag ik dat ik er mijn zeven letters naast kon leggen. Met behulp van een blanco blokje, dat niet, zoals u misschien zou veronderstellen, de Y, wel de A verving. Dit zou wel eens het hoogtepunt kunnen zijn van mijn leven als occasionele Scrabblespeler.

Passieklap

Godshuis Van der Biest, Falconrui 33, Antwerpen
Godshuis Van der Biest, Falconrui 33, Antwerpen

Omdat ik Passieklap zo’n mooi woord vind, heb ik me laten overhalen om het morgen, in het Godshuis Van der Biest, over mijn passies te hebben. Violons d’ Ingres, stokpaardjes, u weet wel. Ook dichter en acteur Raymond de Bruyn zal zijn drijfveren toelichten. We worden uit onze tenten gelokt door Dirk Celis. Vanaf 11 uur, aan de Falconrui 33 in Antwerpen.

Zomaar

G.B. Tiepolo, Sara en de engel, Palazzo Patriarcale, Udine, 1726-1728

Rusteloos sla ik zomaar een boek open en vind dit:
“Geen van de oude meesters leent zich minder voor een psychologische of dramatische reconstructie dan Tiepolo. Geen spoor van een ‘strijd met de demon’. Zijn tijdgenoten hebben geen enkel aanknopingspunt achtergelaten dat toegang biedt tot zijn geest en zijn gemoedstoestand. En we kunnen ook niet zeggen dat hij zo ongrijpbaar was door gebrek aan getuigenissen. Integendeel, zodra er over de toenmalige schilderkunst werd geschreven, ging het vaak over Tiepolo. Maar steevast om op zijn roem en zijn virtuositeit te wijzen. Zijn persoon trok in geen enkel opzicht de aandacht. Ook zijn er geen anekdotes of veelzeggende voorvallen overgeleverd die zijn leven markeerden. Alles leek op rolletjes te lopen, er was een onafgebroken reeks opdrachten, en altijd de druk om op tijd klaar te zijn, of minstens niet al te laat.”
Ik zal van dit boek houden, vermoed ik. Vermits ik op die eerste bladzijden ook al mijn lievelingsterm sprezzatura aantref, en mijn oude beursverstrekker Roberto Longhi. En de betoverende Tiepolo’s van Würzburg.

R. Calasso, Het roze van Tiepolo, uit het Italiaans vertaald door E. Van der Pluijm, Amsterdam, 2010, p. 17.

Papiertjes

Om de twintigste verjaardag van zijn antiquariaat te vieren, putte René Franken uit zijn mooie voorraad van in boeken teruggevonden papiertjes en bladwijzers. Hij legde deze voor aan schrijvers en kunstenaars die zijn zaak frequenteren en vroeg hun er iets bij te verzinnen. Het resultaat is een prachtig geïllustreerd boek, verkrijgbaar vanaf 24 november. Ik mocht er gisteren al even in bladeren. Een curiosum, een hebbeding, een aanzet tot nadenken over snippers en velletjes papier, hun langdurigheid, onze kortstondigheid. Blij om op deze bladzijden te prijken.

Feestelijke voorstelling van het boek, Demian, Hendrik Conscienceplein 16-18 Antwerpen, zaterdag 24 november, 15.00 uur.