Martials muziek

Martial Van Schelle werd in 1899 geboren in Merksplas, maar bracht de Eerste Wereldoorlog door bij zijn Amerikaanse familie, totdat hij als piepjonge soldaat opnieuw naar Europa kon afreizen. Wanneer ik een boek van F. Scott Fitzgerald lees, zie ik in gedachten vaak Van Schelle in dezelfde sfeer en decors rondlopen. En het lijkt op de een of andere manier te passen bij zijn karakter dat hij jazzliefhebber zou zijn. In de jaren 1930 liet hij het weelderige zwembad Lac aux Dames optrekken in Westende. Hier trad de beroemde Belgische jazzband van Fud Candrix tijdens de zomermaanden op. Dit filmpje geeft een indruk van muziek die Martial kan hebben beluisterd.

Bron: Keep (it) swinging

Kruid

POldermuseum, Fort Lillo
Poldermuseum, Fort Lillo

Hoe liedregels in je hoofd kunnen blijven hangen. Tijdens een bezoek aan het Poldermuseum in Fort Lillo las ik de tekst van een Ganzenrijderslied. Met de opwekkende verzen:

Het kruid der kniezerij
Groeit niet in Stabroeks hoven.

Jammer dat ik ze niet heb horen zingen.

Tien jaar

Marilyn Manson in de Mercedes 230 cabrio B uit 1938
Marilyn Manson in de Mercedes 230 cabrio B uit 1938, op de Cinquantenaire

Precies tien jaar geleden liep Marilyn Manson rond op de Cinquantenaire in Brussel voor de opname van een nieuwe videoclip. Mijn vader en zijn compagnon leverden de vooroorlogse Mercedes ter sfeerschepping (de wagen deed later ook nog dienst in Paul Verhoevens film Zwartboek en in de Canvasreeks Hitler in België). Verscholen tussen het publiek trachtte ik foto’s te maken, maar de veiligheidsdiensten van de ster waakten. De dag werd wel vereeuwigd in Mijn België, onder het lemma ‘Jubelpark’.

“Let goed op. In twee van de bogen wappert een zwarte vlag, bedrukt met witte letters. Zenuwachtige mannen lopen rond met walkie-talkies. In een hoek van de zuilengang staat een miniatuurbuffet, met een koffie-apparaat zonder koffie en vergrijzende sneden vleeswaren. Er komt een oude Mercedes het plein opgereden, in militair groen, het canvas dak neergeslagen; typisch het soort auto dat in films over de Tweede Wereldoorlog opduikt. De auto houdt halt; er worden twee zwarte vlaggetjes aan bevestigd …” En die avond trad Manson op in Haasrode.

L. Huet, Mijn België, Amsterdam-Antwerpen, 3de druk, 2009, p. 150 e.v. De videoclip hoort bij Mansons single “This is the new sh*t”, uit Golden Age of Grotesque.

Dulle Griet

indexDe Brugse boekhandel De Reyghere heeft een mooi aanbod van Franstalige literatuur. En zo ontdekte ik rijkelijk laat de Brusselse schrijver Dulle Griet. “Amoureux de la capitale belge, il a décidé d’en faire, tout à la fois, le décor et l’héroïne de ses romans.” Vanaf de eerste regel heb ik me met deze detectiveroman geamuseerd. Die eerste regel luidt immers: Vé van Bomma, patate mè saucisse.. Dulle Griet strooit, in tegenstelling tot de meeste detectiveschrijvers, gul met voetnoten in het rond, zodat ik meteen iets bijleerde over de oorsprong van dit klassieke lied. Het zou gaan om een verbastering van een succesnummer na de Eerste Wereldoorlog, met als beginregel: Vivre à Boma, avec mon Artémise. Nu u weer.

Een staaltje.
“Dis, papzak, t’ a pas besoin d’énoncer des évidences, hein!” glisse la demoiselle  au prénom fleuri dans le silence que Stu a eu la maladresse de prolonger au point de donner l’impression qu’il se désinteressait de leur discussion. “Si j’avais cru Serge idiot, je ne serais pas venue demander son aide. Le problème n’est pas de son côté, mais du mien.”
Le papzak soupire.
Potfermiliaarde!
Ja, ik voel me wonderlijk thuis in dit boek.

Dulle Griet, Les fenêtres murmurent. Les mystères de Bruxelles, Presses de la Cité, 2013, p. 31-32.

Rubensfeest

Rubens op de Groenplaats (foto Edmond Fierlants, 1865: Consciencebibliotheek)
Rubens op de Groenplaats (foto Edmond Fierlants, 1865: Consciencebibliotheek)

Wannes Van de Velde schreef een prachtig lied over het standbeeld van Pieter Paul Rubens op de Groenplaats. In 1840, toen men besloten had om het standbeeld op te richten, ontstond er een conflict tussen het stadsbestuur en de Belgische regering over de plaats waar dat moest gebeuren. Bovendien liep de bronzen versie vertraging op en moest men zich tijdens de Rubensfeesten van augustus 1840 tevreden stellen met een gipsen replica, bronskleurig beschilderd, op het Burchtplein, aan de Schelde, buiten de stadsmuren. Uiteindelijk zou het tot 1843 duren vooraleer de 7000 kilo zware Rubens van massief brons zijn bestemming vond op de Groenplaats. Deze verwikkelingen gaven aanleiding tot heel wat satirische liederen. Zo is er De klacht van P. P. Rubens over het plaatsen van zijn beeld buiten de wallen van Antwerpen:

Hier stond voorheen het beeld eens reus
de plaag, de schrik van allen,
Daar hij noch heiden, Turk of Geus
was, stond hij uit haar wallen
Maar mij, een minnaar van ’t penseel
en Roomsch gelijk een Pater,
Waarom valt mij dees plaats ten deel
hier buiten stad aan ’t water?
Signoor ge zijt me zeker moe
en wenscht dat ik vertrekke
Wellicht voor u een reisje doe
om eilanden te ontdekken…
Daar sta ik nu met ’t hoofd ontbloot
in storm en wintervlagen,
de hand vooruit alsof ik brood
of aalmoes wilde vragen …

De blootshoofdse Rubens bleef de Antwerpenaren dwarszitten, want bij de inhuldiging van het bronzen beeld circuleerde reeds het Beklag over het zoogezegd beeld van Rubens:

Rubens van zijnen hoed beroofd
en gesierd met eenen degen!

Ik ken dien man niet, zegt van Dyck…

Wien verbeeldt die Spaansche held
dien men daar nu heeft verheven,
vraagt Jordaens…

Schande! ’t Edele palet
onder zijnen voet gestooten
en zijn hoed er bij gezet
om de kunst geheel te ontblooten. [….]

Gresham staat met bedekt hoofd
in ’t vermaard en konstrijk Londen
Rubens van zijnen hoed beroofd
heeft men den Signoors gezonden.

(Geciteerd in Floris Prims’ Antwerpiensia, 1927).

Lesje voor biografen

Wat een heerlijke film, Joann Sfars Serge Gainsbourg, Vie Héroïque. Ik keek geamuseerd toe en vroeg me meermaals af of het niet beter zou zijn om te beginnen met roken: al die elegante gebaren die een sigaret toelaat en die nu eenmaal niet te imiteren vallen met een gebakvorkje – en vergeten we ook de impact van smoky eyes niet. Sfars sprookjesachtige aanpak werkte bevrijdend – misschien moeten biografen maar eens wat loskomen van voetnoten, boodschappenlijstjes en verslagen van de gemeenteraad, en overwegen hoe hun onderwerp hun poëtische fantasie stimuleert. Charmant en geestig ook, Yolande Moreau als Fréhel – Belle époque zangeres van “realistische” liederen -, Anna Mouglalis (en een zwarte kat) als Juliette Gréco, Laetita Casta als Brigitte Bardot en Lucy Gordon als Jane Birkin.

Kleinkunstpocket

freys

“Al die dingen waar troebadoers nu al zo lang liedjes over zingen. Elke herfst opnieuw. Want ja, dan begint altijd opnieuw het kleinkunstseizoen. En meteen ook voor mij het kelder-, schuur- en teaterleventje, zoals het vijf jaar geleden begon.” Met die woorden leidde de samenstelster in 1972 dit naslagwerkje in. Het bevat korte biografieën van de bekendste Vlaamse en Nederlandse kleinkunstenaars die deelnamen aan de Nekka-nacht (onder wie Kor Van der Goten, Tim Visterin, Leen Persijn, Wim de Craene, Della Bosiers, Wannes Van de Velde, en zelfs Henk Elsink), foto’s van wapperende lokken, tal van liedjesteksten, en wonderlijke extra informatie: zo verneem ik van haast elke artiest de verjaardag en het adres.

Een tijdmachine.

(Gevonden in een Antwerps antiquariaat.)

Oorwurm

land.Heel vreemd soms, de flarden van een boek die je bijblijven. Vandaag spookte voortdurend de herinnering aan dit geestige liedje door mijn hoofd. Luuk Gruwez tekende het op uit de mond van zijn stokoude grootvader.
“Hoe lamlendig Knor zich ook voelt, hij zingt. Hij hoort op de televisie een deuntje dat hem vertrouwd is en hij bromt het mee:
‘Valencia, ’t is te danken aan de banken
dat ons geld zo hoge staat.'”

En dat wordt dan een oorwurm.

L. Gruwez, Het land van de wangen, (Privé-Domein, 226), Amsterdam-Antwerpen, 1998, p. 194.

Madeleine

Dichters zijn nodig om ons eraan te herinneren dat taal nog uit iets anders bestaat dan geblaf in kranten en eindtermen van het onderwijs. Noem hen in ’s hemelsnaam ook nooit “culturo’s”, er zijn al genoeg lelijke woorden.
De Madeleine in Parijs is een van de bizarste kerken die ik ooit te zien kreeg; onvergetelijk door naam(genote), vorm en de nabijheid van de sublieme delicatessentempels Hédiard en Fauchon. In Bert Bevers’ bundel Arrondissementen – uitgegeven bij Kleinood & Grootzeer – vond ik dit mooie sonnet.

Poulenc gaat een brood kopen

Hij kwam de stad niet bevangen binnen, onwetend als
Kaspar Hauser. Hij kwam er ter wereld, aan de Place
des Saussaies. Hij ziet dagelijks meer toeristen passeren
dan wijkgenoten. Bij de bakker, ja, daar kennen ze elkaar.

Babbelen ze over het weer, over de Ronde, de gezondheid
en de vrijheidsdrang der Algerijnen. Thuis wacht de piano
hem immer, trouw monument van hunkering. Zo simpel
zijn de klanken die hij haar ontlokken kan dat twijfel voor

niks nodig is. Hij noteert ze standvastig weerbarstig, legt
ze zo vast als een schip in de haven. Hoort de voorbijgang.
Dat scheelt al een slok op de borrel, want dorst is de ruimte

van oren. De Madeleine bleef hem zijn ganse leven nabij. Hij
wilde niet dat tijdens zijn uitvaartdienst muziek van hem werd
gespeeld maar wel dat alle, alle, alle klokken zouden luiden.