Zondereigen bezongen

Vandaag hoorde ik voor het eerst het loflied dat Kempens chansonnier Guido Belcanto wijdde aan Zondereigen. Ik bewonderde ook zijn schoeisel. (De glasramen van de kerk in het filmpje zijn ofwel door mijn oudoom Jan Huet, mijn oom Raph Huet of mijn neef David Huet gemaakt, dat moet ik nog eens navragen.)

Entrepreneur in Packard te Brussel

In 1973 speelde Fud Candrix op Jazz Middelheim. In een interview vertelde hij: “Dat ik orkestleider ben geworden heb ik eigenlijk te danken aan een van Brussels kleurrijkste figuren, de Olympische zwemkampioen Martial Van Schelle. De man, die in de tweede wereldoorlog als spion door de Duitsers zou gefusilleerd worden, reed in die tijd door Brussel in een grote open Packard die hij had meegebracht na een van zijn vele reizen door Amerika. Zijn grote liefde voor de Verenigde Staten ging gepaard met een even grote liefde voor jazz. Hij had te Brussel een grote sportwinkel en toen ik daar op een mei-dag van 1935 voorbijliep, riep Martial mij binnen.
– Legerdienst gedaan? Wat doe je nu?
– Voorlopig niets.
– Ik open volgende week in Oostende een nieuwe danszaal, met bad, het “Lac aux Dames”. Tracht tegen die tijd een orkest bij elkaar te krijgen van tien man…
Het orkest werd gekleed in witte tuxedo’s, het werd “Orchestre Blanc” genoemd en het werd een groot succes. De zomermaanden speelde het te Oostende, de wintermaanden in “L’Heure Bleue” te Brussel.”

Dit puzzelstukje aangaande Martial Van Schelle drukte me vandaag opnieuw met de neus op de feiten: indien hij niet op zijn drieënveertigste vermoord was door de nazi’s in Breendonk, had hij een van de grote naoorlogse Belgische zakenmannen kunnen worden. En een ware mecenas.

(Met dank aan David Deroy)

Verrassingseffect

Boris Vian (Jan Ruzicka)
Boris Vian (Jan Ruzicka)

Je suis snob – encore plus snob que tout à l’heure; on n’est pas là pour se faire engueuler, on est là pour voir le défilé; ah, Gudule; je bois – systématiquement! Terwijl de briljante teksten van Boris Vian weerklinken, verdiep ik me dankzij Google nog eens in zijn wonderlijke uiterlijk. Dat is namelijk één en al verrassingseffect – wat, iemand die er voor honderd procent uitziet als een stijve hark en een ultrakeurige ingenieur van goeden huize, en dat zou dan een jazzkenner en onvermoeibare grappenmaker zijn? Veel beter kun je het niet krijgen.  En zo stuit ik op het werk van twee Tsjechische poppensnijders.

Ma petite flamande

wannes2bjpg
“Ma petite flamande de Heyst-aan-Zee”, jarenlang heb ik mijn vader die zin uit een chanson horen citeren. Was het een regel van Brel of Bialek? Ik stond er nooit bij stil. Nu leert enig gegraaf in familiearchief en op het internet me plotseling dat het hier een tweetalig lied betreft van Bob Delmare, die eind 1967 in Wortel optrad, niet lang voordat Wannes Van de Velde daar zijn blijde intrede zou houden.
Delmare

Hij lijkt sprekend op een vroegere studiegenoot van me, Bob Delmare. En zijn liedje is hier te beluisteren.

Amper

Sir Walter Scott, Minstrelsy of the Scottish Border
Sir Walter Scott, Minstrelsy of the Scottish Border

Amper heeft men zich een liedboek aangeschaft of ze duiken plotseling overal op.

“Walter Scott was min of meer een buitenstaander, een jurist uit Edinburgh die tot een hoge post was benoemd in het traditionele gebied van zijn familie. Maar ook zag hij het belang in – zoals een buitenstaander dat vaak het beste kan – van datgene wat aan het verdwijnen was. Toen hij drost van Selkirkshire – dat wil zeggen, de plaatselijke rechter – was geworden, begon hij door het land te trekken en de oude liederen en balladen die nooit waren opgeschreven te verzamelen. Ze zouden in Het liedboek van de Schotse grensstreek gepubliceerd worden. Margaret Laidlaw was een plaatselijke beroemdheid omdat ze zoveel verzen uit haar hoofd kende. En [zoon James] Hogg, met zijn oog op het nageslacht en eigen voordeel, zorgde ervoor dat hij Scott meenam naar zijn moeder.
Ze droeg veel verzen voor, waaronder de pas ontdekte ‘Ballade van Johnnie Armstrong’, die zij en haar broer, volgens haar zeggen, ‘van de oude Andrew Moore hadden gekregen die haar weer van Bebe Mettlin had, die huishoudster was bij de eerste landsheer van Tushielaw’.
Margaret Hogg was uiterst verontwaardigd toen ze het boek zag dat Scott in 1802 publiceerde, met haar bijdragen erin. ‘Ze zijn er om te zingen en niet om gedrukt te worden’, schijnt ze gezegd te hebben. ‘En nu zullen ze wel nooit meer gezongen worden.’
Verder klaagde ze dat ze ‘verkeerd opgeschreven en verkeerd gespeld waren’, hoewel dit een vreemd oordeel mag heten voor iemand die – door haarzelf of door Hogg – was voorgesteld als een eenvoudig oud boerenvrouwtje dat bijna geen onderwijs had genoten.
Ze was waarschijnlijk niet alleen eenvoudig, maar ook scherpzinnig. Ze wist wat ze deed, maar kreeg toen spijt over wat ze had gedaan.
En nu zullen ze wel nooit meer gezongen worden.
Ook liet ze misschien graag weten dat er meer dan een gedrukt boek voor nodig was en meer dan de drost van Selkirkshire om indruk op haar te maken. Zo zijn Schotten geloof ik. Zo was men in mijn familie.”

En zo maak ik kennis met Nobelprijswinnares Alice Munro, via een boek dat ze schreef over haar voorouders. De vurige pleidooien die collega-schrijvers de afgelopen dagen voor haar hielden dreven me naar de boekhandel, maar hoewel ik Munro graag blijk te lezen, voel ik nog niet hun enthousiasme.

A. Munro, Het uitzicht vanaf Castle Rock, uit het Engels vertaald door P. Boyce, Breda, 2008, p. 34-35.

Liedboek

Van%20de%20velde%20groot%20liedboek%20cover
Kun je een prijs uitreiken voor de mooiste boekvoorstelling van het jaar? Dan wint het Groot Liedboek van Wannes Van de Velde. De vrienden van zangers zijn nu eenmaal enthousiaster dan de vrienden van schrijvers.

Bladerend door het Liedboek vind ik het wondermooie Café Bruegel:

Meester Bruegel, kom maar binnen
in de lichten van de kroeg
laat de blinden maar verzuipen,
zet uw eigen bij de ploeg.

Time worships language, dichtte Auden, tijd eert taal, en die regel vond ik steeds van metafysisch gewicht (hij is bijzonder goed geanalyseerd door Josef Brodsky in Less than One). Maar hier lees ik: ‘zijn penselen boorden gaten in de tijd’. En dat deden Bruegels penselen ook werkelijk. Time worships art then? Weer iets om over na te denken.
En ik ben blij dat een vriendelijke man uit Antwerpen me vorig jaar terloops kwam vertellen dat de prenten van Café Bruegel nu in de Sint-Andriesparochie hangen.

Wannes in Wortel

Wannes1

In Almanak evoceerde ik een optreden van Wannes Van de Velde in De Diept in Wortel. Onlangs reikte mijn moeder me een envelopje aan met archiefmateriaal uit die periode. Het leert me meteen dat Wannes bij de jaarwisseling 1967/1968 meermaals is langsgekomen in het noorden.

(ontwerp: Raph Huet)
(ontwerp: Raph Huet)

wannes2bjpg

Er zit zelfs een manuscriptje bij.

Wannes3

Maandag wordt Wannes’ definitieve liedboek voorgesteld in de Roma in Antwerpen. Het belooft een mooie avond te worden, met een onmisbare publicatie voor iedereen die hield van zijn gedachten, woorden en muziek.