Opschudding in de Sint-Jacobskerk

Interieur van de Sint-Jacobskerk, Antwerpen

“Van dit magazijn gingen zij naar de grote kerk; toen hij naar het graf van Rubens was gebracht, viel de grillige schilder op zijn knieën en bewees hij eer met zulk een schijn van devotie, dat de koster, geschokt door dit bijgeloof, hem overeind trok en fel opmerkte dat de persoon die daar begraven lag geen heilige was, maar een zondaar als hijzelf; en dat hij, indien hij spirituele nood voelde, zich kon begeven naar een kapel van Onze-Lieve-Vrouw, drie stappen verderop aan de rechterkant. Hij dacht dat het zijn plicht was om een buitengewone inspiratie te vertonen, zolang hij verbleef in de stad waar Rubens geboren was; zijn hele gedrag was dan ook één aanstellerij van verrukking, uitgedrukt in verwarde uitroepen, krampachtige schokken en lomp armgezwaai. Midden in deze overspannen vertoning zag hij een oude Capucijn met een witte baard de preekstoel beklimmen en de gelovigen toespreken met zoveel stemverheffing en gebaren, dat het hem beviel; hij schreeuwde: ‘Hemel! wat een uitstekende Paulus die preekt in Athene!’ en haalde een potlood en een klein schrift uit zijn zak. Hij begon de redenaar te schetsen met grote gretigheid en opwinding, zeggend: ‘Welaan! vriend Rafael, we zullen zien wie van ons tweeën het meest geschikt is om een apostel tevoorschijn te toveren.’ Dit gebrek aan respect stoorde het publiek, dat begon te morren tegen deze ketterse libertijn. Een van de priesters uit het koor ging naar hem toe, in een poging om verder onheil te verhinderen, en zei hem in het Frans dat zulk gedrag niet toegelaten was in hun kerk en raadde hem aan zijn gereedschap weg te leggen, zodat de mensen niet geprikkeld zouden worden door zijn tekening en hem zouden willen straffen als een bespotter van hun eredienst. Toen de schilder deze broeder zag, die, terwijl hij sprak, boog met grote hoffelijkheid, beeldde hij zich in dat het ging om een bedelmonnik die een aalmoes afsmeekte; en omdat zijn aandacht volledig in beslag genomen werd door zijn tekening, gaf hij een paar vriendelijke klopjes op de geschoren kruin van de priester, zeggend: ‘Oter tems, oter tems’, en tekende toen weer geconcentreerd voort. De geestelijke stelde vast dat de vreemdeling hem niet begreep, trok hem aan zijn mouw en legde alles opnieuw uit in het Latijn; waarop Pallet, woedend om deze onderbreking, hem luidop uitschold voor een onbeschaamde  schooiende zoon van een h–, een shilling nam en die op het plaveisel smeet, met duidelijke tekenen van verontwaardiging.”

Geen wonder dat Byron dit een hilarisch hoofdstukje vond. Tobias Smollett, The Adventures of Peregrine Pickle, 1751-1758, hoofdstuk 62 (vertaald door mij).

Bloemige nachtmerries

Grafkapel Rubens in Sint-Jacobskerk, Antwerpen

“In Antwerpen hebben we weer geschilderijd – gekerkt – en getorend, maar de hoofdstraat en dok bevielen me het meest – arme goede Buonaparte!!! en de smelterijen, etc.etc. Wat Rubens betreft, het deed me plezier zijn graf te zien omwille van die belachelijke beschrijving (in Smolletts P. Pickle) van Pallets absurditeit bij zijn monument – maar wat zijn werken aangaat, en zijn superbe ‘tableaux’, hij schijnt mij (die er overigens niets van ken) de meest schelle – schetterende – lonkende – hoerige oplichter die ooit een truc heeft uitgehaald met de zintuigen van de mensheid, – het is niet de natuur – het is geen kunst – met uitzondering van wat linnengoed (dat over het kruis hangt in een van zijn schilderijen) en dat, om eerlijk te zijn, er uitzag als een zeer fraai tafellaken – nooit zag ik zulk een samenstelling van bloemige nachtmerries als zijn canvas bevat; zijn portretten lijken gekleed te zijn in preekstoelkussens …”

Aldus Lord Byron in een brief aan John Cam Hobhouse, geschreven in Brussel op 1 mei 1816. Hij verwijst naar de roman The Adventures of Peregrine Pickle (1751) van Tobias Smollett: Pallet is daarin een schilder die in extase neervalt bij het graf van Rubens in de Sint-Jacobskerk.

(Foto via www.Belgiumview.com)

Rockox op Lichtmis

P.P. Rubens, De Opdracht in de tempel, kathedraal, Antwerpen

“Op 7 september 1611 bestelde Rockox als voorzitter van de Kolveniersgilde een drieluik bij Pieter-Paul Rubens. De Kruisafneming was bestemd voor het altaar van de gilde in de kathedraal en bepaalt nog altijd mee de uitstraling van Antwerpen. Was de Kruisoprichting in de Sint-Walburgiskerk een kolkend tafereel vol wrede Sturm und Drang, hier toonde Rubens al zijn talent in de uitbeelding van ingetogenheid.[…] De patroonheilige van de Kolveniersgilde was Sint-Christoffel, een legendarische heilige wiens naam drager van Christus betekent. Daarom toonde Rubens op elk paneel hoe Christus gedragen werd. Links schilderde hij de ontmoeting tussen Maria en Elisabeth, daar draagt Maria het kind in zich – de Nederlandse kunstcriticus Conrad Busken Huet noemde dit de mooiste afbeelding van een zwangere vrouw in de kunstgeschiedenis. Rechts houdt de oude priester Simeon de baby in zijn armen bij de opdracht in de tempel.[ …] Rubens beeldde burgemeester Rockox ontspannen glimlachend achter Simeon af. ” In profiel, zoals de personages op Rockox’ geliefde antieke munten. Het tafereel herinnerde de eerste toeschouwers misschien nog aan Rockox’ lidmaatschap van de prestigieuze Besnijdenisgilde van de kathedraal, vermits Christus’ besnijdenis gewoonlijk ook in een tempel, met een priester erbij, werd voorgesteld.

L. Huet en J. Grieten, Nicolaas Rockox 1560-1640. Burgemeester van de Gouden Eeuw, Antwerpen, 2010, p. 190-191.

Rubensiaans

Koningin Margherita door M. Gordigiani, Palazzo Quirinale, Rome

Koningin Margherita van Italië heeft zich hier, in de aanloop naar de twintigste eeuw, in een bijzonder Rubensiaans kostuum laten portretteren. Hoed, waaier, parels, handschoenen en fauteuil herinneren sterk aan het portret van Rubens’ vrouw Isabella Brant door Antoon Van Dyck, alhoewel de couturier of naaister van dienst ook wat achttiende-eeuwse details heeft toegevoegd.

De schilder heette Michele Gordigiani, een Florentijn die ook de in Florence neergestreken dichters Robert Browning en Elisabeth Barrett Browning vereeuwigde. Zijn atelier, zo verneem ik met verbazing en een soort ontroering, bevond zich bij de Piazza Donatello en het Engels Kerkhof in Florence, waar ik ooit dagelijks passeerde.

Herfst

eerste avondnevel

De koeien verdwalen in de eerste avondnevel, de reeën glippen tussen hen door. Ik hoorde dat wie jarenlang heeft gerookt, geen last meer heeft van muggen. De schillen van de eerste walnoten kleurden mijn moeders vingertoppen zwart, de noten zelf waren onvergelijkelijk wit, soepel en heerlijk. De eerste appels – Rubensappels – vallen uit de boom, op de mispels is het nog even wachten. Voor ik in slaap val, hoor ik een uil, wanneer ik de gordijnen openschuif, zie ik een eekhoorn over het gras golven.

Gouden eeuw

Clara Peeters, Zelfportret met vanitasmotief, Rafael Valls Gallery, Londen

Zaterdag spraken we over burgemeester Rockox op een congres over de Gouden Eeuw in Gent. Is de Gouden Eeuw een strikt Noord-Nederlands begrip of kan men in de zeventiende eeuw ook spreken van een Gouden Eeuw voor de  provincies van het Zuiden? Kunsthistorici zullen geneigd zijn “ja” te antwoorden: nooit genoten lokale kunstenaars tijdens hun leven zoveel roem als Rubens en Van Dyck, nooit bouwden er in hun voetsporen zoveel schilders en beeldhouwers een bloeiende internationale loopbaan uit. En men zou, zeker voor de eerste helft van de zeventiende eeuw, nog andere gunstige factoren kunnen aanhalen.

Het deed me nadenken over dat hele begrip, Gouden Eeuw. Wat definieert een gouden eeuw eigenlijk? Leven wij, die na de Tweede Wereldoorlog zijn opgegroeid in vrede, welvaart en democratisering, in een Gouden Eeuw? Of beleven we veeleer een periode die vergelijkbaar is met die van de volksverhuizingen, aan het einde van het Romeinse Rijk? Zal de slordig in elkaar geknutselde Europese Unie als een reus op lemen voeten instorten, net zoals het ongeziene wereldrijk van de Habsburgers in de zestiende eeuw scheurde?

De mooiste beschrijving van een gouden tijdperk vind ik nog steeds die van de achttiende-eeuwse historicus Edward Gibbon. Zijn toetssteen lijkt niet op de eerste plaats een welig tierende economie, maar de algemene graad van beschaving. In deze dagen, waarin alles om economische hysterie draait, is het belangrijk om dat voor ogen te houden. “In de tweede eeuw van de christelijke tijdrekening omvatte het Romeinse rijk het mooiste deel van de aarde en het meest geciviliseerde deel van de mensheid. De grenzen van deze omvangrijke monarchie werden bewaakt door oude roem en gedisciplineerde kracht. De zachte maar machtige invloed van wetten en zeden had geleidelijk een eenheid tussen de provincies bewerkstelligd. Hun vreedzame inwoners genoten van en misbruikten de voordelen van rijkdom en weelde. De illusie van een vrije grondwet werd met zedige eerbied in stand gehouden: de Romeinse senaat leek de soevereine macht te bezitten, en droeg aan de keizers al de uitvoerende macht over. Gedurende een gelukkige periode van meer dan negen decennia (98-190) werd het gezag toevertrouwd aan de bekwaamheden van Nerva, Trajanus, Hadrianus, Antoninus Pius en Marcus Aurelius…”

Antoon en Nicolaas

Nicolaas Rockox © State Hermitage Museum, St Petersburg

“Vanaf de toren van het Hansahuis schouwde hij in ontmoedigde ogenblikken over de nabije Schelde. Als hij moe was gekeken daalde hij de trap af, ging langs de centrale galerij naar zijn kamers, waar langs de wanden de Tiziano-kopijen en eigen taferelen droomden. Gravuren en schetsen volmaakten het geheel. Zijn ezels, schildersgereedschap, enkele amarant fluwelen zetels en een paar fraaie kasten vormden het meubilair. Deze kasten zijn hem een tweede glorie. De ene is met vierentwintig schilderijen op wit marmer versierd, de ander met verzilverd tin ingelegd.

Hier schilderde hij met veel liefde het portret van Nicolas Rockox, de burgervader der stad en vriend van Rubens. De burgemeester liet zich portretteren met zijn bekoorlijke jonge nicht en haar zoontje, de kleine Adriaan Rockox.

Lucas Vorsterman en Paul Pontius beloofden van dit tafereel een gravure te maken. Anton herinnerde zich met onbehagen de verbetenheid zijner vrienden bij deze belofte. Ze meenden het goed met hem maar konden het niet altijd tegen de duistere machinaties der vijanden bolwerken. Jordaens vergat niet en ontwapende nooit. Zelfs de vriendelijke en hoge bescherming van Rubens kon de lasteraars niet tot zwijgen brengen. Wat kon in hun ogen de te elegante kunstbroeder?

Wanneer het tafereel der Rockox, de eerste kunstminnaars tot loftuitingen had gedwongen om de vrijmoedige opvatting en de verrassende afwerking, dan vonden de afbrekers er niets anders op dan Anton te vragen of het kasteel dat erop voorkwam zijn eigendom was. Op de achtergrond had Anton het Hansahuis geschilderd.”

Aldus de Boomse schrijver Ludo Van de Wijgaert in zijn roman over Anton Van Dyck, Die Cierlycke (1949). Aardige lectuur voor een kunsthistoricus, blijkbaar ook in zijn eigen tijd gewaardeerd, want nog in 1962 uitgebracht in een pocketuitgave. Maar waar zijn de bekoorlijke nicht en haar zoontje, zult u zeggen? Ah, een mooi mysterie, een lang verhaal.

Ode aan de Tijgerkat

“De Italiaan bezit een aangeboren, haast genetisch bepaald gevoel voor vormelijke schoonheid. Dat gaat terug tot de renaissance en uit zich in mode, in architectuur of in design.” Aldus een Italiëkenner vandaag in De Standaard. Gelooft u deze uitspraak? Vergelijk bijvoorbeeld hiermee: “De Vlaming bezit een aangeboren, haast genetisch bepaald gevoel voor vormelijke schoonheid. Dat gaat terug tot de Vlaamse Primitieven en Rubens en uit zich in mode, in architectuur of design.”

Italië viert vandaag zijn honderdvijftigste verjaardag als eengemaakte natie. De ultieme woorden over Garibaldi’s revolutie van 1861 zijn geschreven door Giuseppe Tomasi di Lampedusa, in zijn roman De Tijgerkat, dat ik in eenvoudiger jaren als het beste boek aller tijden beschouwde. Een jonge Siciliaanse edelman sluit zich tegen de wil van zijn voogd aan bij Garibaldi. “Als wij willen, dat alles blijft zoals het is, dan moet alles veranderen.” Later hoort de voogd, de onvolprezen Don Fabrizio, tijdens een bal in Palermo een toekomstvoorspelling: “Bent u nog niet op het continent geweest, Prins, sedert de stichting van het Koninkrijk? Dan bent u gelukkig. Het is geen mooi schouwspel. Nooit zijn wij zo verdeeld geweest als nu, nu wij verenigd zijn. Turijn wil hoofdstad blijven, Milaan vindt onze administratie minder goed dan de Oostenrijkse, Florence is bang, dat haar kunstschatten weggehaald zullen worden, Napels treurt over de industrieën, die zij verliest, en hier, op Sicilië, is een groot, irrationeel kwaad in wording …”

Alleszins een mooie gelegenheid om de verfilming van het boek nog eens te bewonderen. Regisseur Luchino Visconti koos Burt Lancaster voor de rol van de gedesillusioneerde Don Fabrizio en maakte van deze Amerikaanse cowboyvertolker voorgoed een onvergetelijke aristocraat.

Giuseppe Tomasi di Lampedusa, De Tijgerkat. Siciliaanse roman, vertaald door J.C. Romein-Hütschler, zesde druk, Arnhem, 1961.

Appelbollen en worstenbroden: we nemen er nog eentje

Volkskundigen, zo blijkt, zijn niet bang voor duizend jaar meer of minder. Waarom zouden ze ook, hun thema is tenslotte de duurzaamheid in al haar wonderlijke verschijningsvormen. Ik werd het sterkst door die duurzaamheid getroffen toen ik een uitdrukking van mijn moeder – “’t is iet en ‘t is niks” – terugvond bij Hadewych, die zichzelf in de dertiende eeuw omschreef als “iet ende niet”. Mijn grootvader opperde wel eens, fijntjes glimlachend, de wijsheid: “Als niet komt tot iet, dan kent iet zichzelve niet”. Onlangs ontdekte ik dat dit spreekwoord al in de zeventiende eeuw bekend was. Time worships language, dichtte Auden. Tijd aanbidt taal. Toch verbaasde het me nog, dat die simpele Verloren Maandag misschien wel kan worden teruggevoerd tot de Franken. Zij hadden eedgenootschappen, die ambachtsgilden werden, die schuttersgilden werden. En de schuttersgilden bestaan nog steeds! Verloren Maandag komt van verzworen maandag, een uitdrukking die ook al opgetekend werd in de dertiende eeuw. Pieter Paul Rubens, Jan Brueghel en Abraham Janssens behoorden tot een ambachtsgilde en kenden Verloren Maandag, vermits hun stadgenoot Kiliaan die term opnam in zijn woordenboek van 1599. Aten ze ook worstenbrood en appelbollen? Die gewoonte schijnt uit de late achttiende, vroege negentiende eeuw te stammen. Antwerpse patroons boden hun werkvolk op Verloren Maandag worstenbroden, jenever en peperkoek aan. Dat gezinnen in de hele provincie Antwerpen Verloren Maandag vieren met worstenbrood en appelbollen, zou dan weer opgekomen zijn na de Tweede Wereldoorlog. Dankzij volkskundigen, ongetwijfeld.

W. van Osta, Over oorsprong en betekenis van Verloren Maandag en aanverwanten, in Volkskunde, jaargang 92, 4, p. 317-346.

Worstenbroden en appelbollen: the plot thickens

Nationale kranten lees ik intussen zoals een Russische dissident de Pravda: heksenjacht en karaktermoord troef, naast natuurlijk onvolledige berichtgeving. Maar streekgebonden kranten, die leren een mens af en toe nog wat. Niets beter dan oude nummers van de Gazet van Hoogstraten voor Noordkempense mentaliteitsgeschiedenis. En de Gazet van Antwerpen onthulde op donderdag 3 februari dat het ooit de gewoonte was om met Lichtmis pannenkoeken te bakken. “Tradities met uitsterven bedreigd”, luidt de kop. “Op de eerste maandag na Driekoningen eten we worstenbrood en appelbollen. Dat gebruik, dat alleen in onze provincie bestaat, kent zijn oorsprong vermoedelijk bij de Antwerpse havenarbeiders.” Vergeet die kruimels bladerdeeg op de kanten kragen van Rubens en Van Dyck, denk aan krachtvoer voor krachtpatsers. Fijnschilders of dokwerkers, hoe zit het nu eigenlijk? Op onderzoek!