
“Van dit magazijn gingen zij naar de grote kerk; toen hij naar het graf van Rubens was gebracht, viel de grillige schilder op zijn knieën en bewees hij eer met zulk een schijn van devotie, dat de koster, geschokt door dit bijgeloof, hem overeind trok en fel opmerkte dat de persoon die daar begraven lag geen heilige was, maar een zondaar als hijzelf; en dat hij, indien hij spirituele nood voelde, zich kon begeven naar een kapel van Onze-Lieve-Vrouw, drie stappen verderop aan de rechterkant. Hij dacht dat het zijn plicht was om een buitengewone inspiratie te vertonen, zolang hij verbleef in de stad waar Rubens geboren was; zijn hele gedrag was dan ook één aanstellerij van verrukking, uitgedrukt in verwarde uitroepen, krampachtige schokken en lomp armgezwaai. Midden in deze overspannen vertoning zag hij een oude Capucijn met een witte baard de preekstoel beklimmen en de gelovigen toespreken met zoveel stemverheffing en gebaren, dat het hem beviel; hij schreeuwde: ‘Hemel! wat een uitstekende Paulus die preekt in Athene!’ en haalde een potlood en een klein schrift uit zijn zak. Hij begon de redenaar te schetsen met grote gretigheid en opwinding, zeggend: ‘Welaan! vriend Rafael, we zullen zien wie van ons tweeën het meest geschikt is om een apostel tevoorschijn te toveren.’ Dit gebrek aan respect stoorde het publiek, dat begon te morren tegen deze ketterse libertijn. Een van de priesters uit het koor ging naar hem toe, in een poging om verder onheil te verhinderen, en zei hem in het Frans dat zulk gedrag niet toegelaten was in hun kerk en raadde hem aan zijn gereedschap weg te leggen, zodat de mensen niet geprikkeld zouden worden door zijn tekening en hem zouden willen straffen als een bespotter van hun eredienst. Toen de schilder deze broeder zag, die, terwijl hij sprak, boog met grote hoffelijkheid, beeldde hij zich in dat het ging om een bedelmonnik die een aalmoes afsmeekte; en omdat zijn aandacht volledig in beslag genomen werd door zijn tekening, gaf hij een paar vriendelijke klopjes op de geschoren kruin van de priester, zeggend: ‘Oter tems, oter tems’, en tekende toen weer geconcentreerd voort. De geestelijke stelde vast dat de vreemdeling hem niet begreep, trok hem aan zijn mouw en legde alles opnieuw uit in het Latijn; waarop Pallet, woedend om deze onderbreking, hem luidop uitschold voor een onbeschaamde schooiende zoon van een h–, een shilling nam en die op het plaveisel smeet, met duidelijke tekenen van verontwaardiging.”
Geen wonder dat Byron dit een hilarisch hoofdstukje vond. Tobias Smollett, The Adventures of Peregrine Pickle, 1751-1758, hoofdstuk 62 (vertaald door mij).





