Honderd

Honderd

Vanavond vieren we in Leuven de publicatie van Paul Claes’ negenennegentigste en honderdste boek. Lezend in C vind ik op elke bladzijde een parel, van de observatie dat we vaak zonder het te weten in vijfvoetige iamben spreken (‘Veel mensen zijn zich nergens van bewust’) tot de omschrijving van die goede Bilderdijk als Bombastus van Bulderbast, en een schitterend hoofdstukje over een van mijn lievelingsverhalen door Jules Barbey d’Aurevilly, dat weer voert naar een mooie uitspraak van Luther: Esto peccator et pecca fortiter, sed fortius fide et gaude in Christo. Wees een zondaar en zondig sterk, maar geloof nog sterker en verheug u in Christus. Ja, aan pekel- en kwezelzonden hebben we niets. Beduusd en ontroerd was ik echter, toen ik op bladzijde 177 een expliciet voor mij bestemde verrassing aantrof.

(En passant vier ik mijn tweehonderdste bericht.)

Een kus smaakt beter

Ik leer graag een nieuw woord. Is dat vermoedelijk Etruskisch, dan zoveel te beter. Fescennijns, hoorde ik vandaag, van het Latijnse Fescennina, fescenninus. Fescennijnse scherts, Fescennijnse verzen. Spottende verzen over losbandigheid, ter gelegenheid van huwelijken. Wie zou durven betwijfelen, dat de Romeinen van losbandigheid iets kenden? Er bleef slechts één voorbeeld uit de Late Oudheid bewaard, dat we meteen vertaalden. Geschreven door de dichter Claudius Claudianus (in de Nederlandse letterkunde personage bij Couperus en bij Hella Haasse) ter gelegenheid van het huwelijk van de veertienjarige keizer Honorius met de twaalfjarige Maria, in het jaar 389. Een politiek gemakeld en noodzakelijk geacht huwelijk, dat de hofdichter lyrisch weet en wijdde aan Venus.

Geen mens geniet van bloemengeuren in de lente / of maakt uit korven op de Hybla honing buit, / als hij bevreesd is voor zijn huid of struiken vreest: / een roos dekt zich met doornen, bijen hoeden honing. / Hoe moeilijker de strijd, hoe groter ook de vreugde / en Venus vlamt, wanneer zij wegvlucht, des te meer! / Een kus smaakt beter, als je hem van tranen steelt.

Kortom, de dichter draagt de jonge bruidegom, “de wonderschone Honorius”, nogal militaristisch op om er korte metten mee te maken. “Spring dan als triomfator uit het druipend bed” is niet wat ik een smaakvol beeld noem, maar goed, zo weet ik dus meteen wat Fescennijns betekent.

(vertaald door J. Soenink: Een keizerlijke huwelijksnacht, in Hermeneus (83.4), oktober 2011, p. 189)

Schrijven en schilderen

Ik schrijf. Over Turnhout. Vlaamse cultuurstad in 2012. Omdat ik enkele kilometers naast Turnhout geboren ben, denk ik na over Kempense identiteit. Wat is identiteit? Ah, moeilijke vraag. Meer weefsel dan vezel. Couleur changeant. Wie schrijft, droomt er soms van om eigenlijk te zitten schilderen. Net als het begrip identiteit voert dat verlangen terug naar de kinderjaren. Ooit zat ik aan de keukentafel van mijn grootmoeder met waterverf te schilderen. En daarna volgden er wafels, of macaroni met ham en kaas uit de oven.

Vroeger, nu

Christine de Pisan, gezien door de meester van Bedford

Miniatuurschilders wisten het dagelijks leven bijzonder charmant voor te stellen. Wellicht werkte die charme ook al voor de tijdgenoten. De meester van Bedford maakte schrijfster Christine de Pisan erg lieflijk, in haar blauwe jurk. Hoe vreemd dan, om de vijftiende-eeuwse werkelijkheid plotseling in een foto te zien.

Christines jurk en coiffe à cornes

(Historische kostuums gemaakt door Kat’s Hats)

Toevlucht of speeltuin

Bibliotheek (Foto KUL)

Is het leven een strijd tussen zonden en deugden, tussen mannen en vrouwen, tussen biologische cycli en andere vormen van tijdrekening? Veel vaker nog gaat het om het helse gevecht tussen verstrooiing en concentratie. Wanneer ik in mijn eigen huis geen innerlijke rust meer kan laten opwellen, verhuis ik naar een bibliotheek. Misschien ben ik precies om die reden in een stad met talrijke bibliotheken komen wonen? “Geschiedenis en Neo-Latijnse literatuur” staat er boven de deur, wat iets geruststellends heeft. Het interieur kraakt niet van oud en edel hout, maar door de vensters kijk je uit op wuivende boomkruinen. Je brengt er tijd door in het gezelschap van andere lezers. Het is er stil, al zou je de concentratie kunnen horen zoemen. Daar zit ik dan, met mijn schriftje, klaar voor ideeën. Komen die niet meteen, dan sta ik op en wandel eens langs de boekenrekken. Geschiedenis van de middeleeuwen. Christine de Pisan. Marina Warner, Joan of Arc. “How did she happen?” How indeed? Even lezen. Wanneer ik opkijk, zijn we drie uur verder. Waar gaat het naartoe, wanneer men zelfs in bibliotheken al afleiding kan vinden?

Ratio quique reddenda

M. Sweerts, Portret, 1656 (State Hermitage Museum, Sint-Petersburg)

Een bijzondere schilder, Michael Sweerts (1618-1664). Brussel, Rome, Amsterdam, Marseille, Isfahan, Goa, dat is zijn traject. Mooie melancholie in dit schilderij: jongeman verdwaald tussen kasboeken, wisselkoersen en geldbuidels. Een mens zoals u en ik. Ratio quique reddenda, staat er op het vel papier dat aan het tafelkleed is gespeld: Iedereen moet zijn rekening betalen.

Rode veeg

Antoon Van Dyck, Portret van burgemeester Rockox, 1621 (State Hermitage Museum, Sint-Petersburg)

Ziet u die rode veeg, boven de linkerhand van de burgemeester? Die okerkleurige stip, op de schouder van de kleine bronzen Herculesbuste? Antoon Van Dyck nam een penseel en zette een rode lijn boven de hand van zijn opdrachtgever, hij nam een ander penseel en trok een lichte streep over de neus van de Jupiterkop, toetste een enkele vlek op de bronzen schouder, om achteloos het licht te vangen. Sprezzatura. We zagen de schilder aan het werk, alsof hij net nog in de kamer was geweest. Het leverde een bijzonder moment op, de burgemeester ontmoeten in Amsterdam. Het portret bleek ‘in het echt’ veel sterker dan foto’s laten vermoeden. Misschien heeft de schilder niet de kans gehad om het helemaal af te werken. Nicolaas Rockox keek ons streng aan, ook al zijn we z’n biografen. Hij zag er intelligent uit, en vastberaden. Charmant, die ongetemde, wat warrige lok op zijn kruin.

‘Rubens, van Dyck en Jordaens’, tot 16 maart 2012 in Hermitage, Amsterdam.

Brief uit Brugge

De dood van Jeanne d'Arc ('Vigiles', Martial d'Auvergne, 1484)

Uit de brief van een Venetiaanse handelaar in Brugge, 22 juni 1431, opgenomen in de Kroniek Morosini:

“De nobele jonkvrouw werd in Rouen bewaakt in een zeer strikte gevangenis; men zegt dat de Engelsen haar twee of drie keer hebben willen verbranden als ketter, ware daar niet Mijnheer de Dauphin van Frankrijk, die grote dreigementen aan de Engelsen heeft gezonden; maar desondanks hebben de Engelsen haar de derde keer, met behulp van enkele Fransen, levend laten verbranden op de markt van Rouen. Voor haar marteldood was zij berouwvol en zeer vroom gestemd; men zegt dat haar toen Mevrouw de heilige Catharina, maagd, verschenen is, die haar troostte, zeggend: ‘Dochter van God, houd vol in je geloof, daarmee zal je worden opgenomen in het getal van de maagden in het Paradijs in de glorie.’ En daarna stierf zij ingetogen. Om welke reden Mijnheer de Dauphin, Koning van Frankrijk, diepe rouw droeg, en aankondigde een vreselijke wraak op de Engelsen te zullen nemen… Men beweert dat de successen van de Fransen de marteldood van de Pucelle hebben veroorzaakt, dat de Engelsen zegden: ‘Is de jonkvrouw eenmaal dood, dan zal niets de Dauphin nog lukken.’ God geve dat het niet zo zal zijn!”

Ik gebruikte de eerste Franse vertaling, gepubliceerd door Leopold Delisle in het Journal des Savants in 1895, bij de herontdekking van het manuscript. De originele Venetiaanse tekst, met nieuwe Franse vertaling, vindt u hier.

Hermitage

Kanaal in Amsterdam

Binnenkort ga ik naar de Hermitage in Amsterdam – een idee dat tien jaar geleden nog absurd zou hebben geklonken, zo bevreemdend als de geografie van Antiterra in Nabokovs roman Ada. Ooit trachtte Abraham Ortelius een kaart te tekenen van More’s Utopia – is er een hedendaagse geograaf die Antiterra in kaart brengt, met haar wonderlijke versmelting van Rusland, Europa en Noord-Amerika?

En in de Hermitage in Amsterdam zal het portret te zien zijn dat Antoon Van Dyck in 1621 schilderde van burgemeester Rockox. Ongetwijfeld een bijzondere ervaring voor de burgemeester, die reis naar het vertrouwde en toch ooit vijandige noorden, 390 jaar na het einde van het Bestand.