Catullus

Catullus uit Verona

Catullus herlezen is beseffen dat ik me mijn leven moeilijk zonder de impact van deze dichter kan voorstellen. Na jaren van historische verslagen en Romeins patriottisme van vroede vaderen deed Gaius Valerius Catullus zijn intrede in het klaslokaal als een popster, iemand die een taal sprak die tieners konden begrijpen.  Recht naar het hart. Misschien is er inderdaad geen betere leeftijd dan zestien om deze gedichten te leren kennen.

Wijzentijd

Woordenaar

Op de Boekenbeurs ontdekte ik een stand van de Provincie Antwerpen, in mijn ervaring een uitstekende boekenproducent. Voor een habbekrats vond ik er een publicatie over een Britse militaire basis in de Kempen die zo geheim was dat ik er zelfs nog nooit van had gehoord; over het pensionaat van de Ursulinen in Onze-Lieve-Vrouw-Waver, waar mijn mooiste en ongelukkigste oudtante school liep; over de Antwerpse pantserforten. Het leeuwendeel van mijn buit bestond echter uit de ronduit meeslepende tentoonstellingscatalogus Portret van een woordenaar: Cornelis Kiliaan en het woordenboek in de Nederlanden (2007). Onze eigen Samuel Johnson, en veel eerder actief! Uit de heldere artikelen leer ik dat het Nederlands (nee, niet het Frans, niet het Italiaans) de best gedocumenteerde taal ter wereld is. Vooral sprokkel ik de meest verrukkelijke woorden. De niet te onderschatten bijdrage van Simon Stevin aan het Nederlands: evenwijdig, langwerpig, rechthoekig, schiksel, strijdreden, wiskunst, zingkunst, zichteinder. Zijn fantastische term voor aetas aurea of gulden tijdperk: wijzentijd. Kiliaans eigen woord kleertobbe (waskuip). En parels uit oudere woordenlijsten: Materfamilie of huysvrouwe (1480). Rosridio, uit het Nederfrankisch: joyriding te paard. Changisto: hengst. In ic quad vvie sal gevan mi fetheron also dvvon in ic fliugon sal in raston sal. En ik zei: wie zal mij veren geven als duiven, zodat ik weg zal vliegen en rust zal vinden. Omstreeks 950. Een ontroerende gedachte: dat we terug zouden kunnen tuimelen naar die tijd en daar verstaan wat mensen zeggen.

Librijelust

Dit herfstweer nodigt uit tot lezen, tot de herontdekking van vergeten pockets en ooit geliefde dichtbundels, tot de aanschaf van lang begeerde Pléiade-delen en Loeb-volumes  (vergeet niet, lezers, Loeb viert zijn honderdste verjaardag en biedt tot het einde van dit jaar gulle kortingen aan, alsook mooie potloden). En deze lange tafel is de meest uitnodigende die ik ooit in een privé-bibliotheek heb gezien: ruimte voor ellebogen, boeken, schriften, laptop, theepot, chocolade, atlassen, wereld- en hemelbollen, boodschappenlijstjes, dagboeken, brieven.

Gekleurde steentjes

Sir Thomas More, door Hans Holbein de Jongere

“Uit de grofheid van de mensen komt alle onheil voort”, beweert stripheldin Isabelle Avondrood: een zeer scherpzinnige ethische uitspraak.

Lezers van de prachtige historische roman Wolf Hall weten dat Thomas More daarin wordt voorgesteld als een botte grappenmaker, die vooral graag pronkt met zijn verstand ten koste van zijn Latijn-onkundige vrouw. Een ongewoon beeld van deze beroemde man, dat echter wel bevestigd wordt door zijn eigen geschriften en die van zijn vrienden. Wat More in zijn Utopia schrijft over het rationeel gearrangeerde huwelijk getuigt van een pijnlijke gevoelsarmoede. En in Erasmus’ Lof der Zotheid zegt de Zotheid, Moria: “Ik ken een naamgenoot van mij, die zijn bruid een collectie valse edelstenen ten geschenke gaf, haar ervan overtuigend – want kletsen kon hij! – dat ze niet alleen echt en natuurlijk waren, maar zelfs van bijzondere onschatbare waarde. Ik vraag u, wat voor verschil maakte het voor de vrouw, daar haar ogen evenveel vreugde beleefden aan het glas, dat ze in feite waardeloze rommel bewaarde als ware het een schat? Haar man bespaarde intussen grote onkosten en profiteerde van de dwaling van zijn vrouw, die hem niettemin even toegenegen was als wanneer hij dure geschenken voor haar had gekocht.”

Grappen onder vrienden, veilig opgeschreven in het Latijn zodat de vrouwtjes niet te weten konden komen wat ze maar beter niet wisten. Persoonlijk vind ik dit nogal afstotelijk, en niet omdat ik meen dat alle mannen voortdurend juwelen voor hun vrouw moeten kopen. Maar toch: geef met je hart of geef niks, dat lijkt me een betere leefregel dan een huwelijk te grondvesten op miezerig vrekkenbedrog.

Dit voorbeeldje toont eens te meer aan hoe moeilijk het soms is om te spreken over de redenen waarom we iemand sympathiek of antipathiek te vinden. Kleine verschillen in aanvoelen, in opvoeding, in reactie, wat filosofen de imponderabilia noemen, de onweegbare elementen, en wat ik in mijn kindertijd wel als Fingerspitzengefühl hoorde omschrijven.

Dit neemt niet weg dat Thomas More, zoals een van zijn Nederlandse vertaalsters aangaf, is terechtgesteld als een zestiende-eeuwse Johannes de Doper, als een politieke martelaar voor de waardigheid van de vrouw in het huwelijk (nota bene), en dat ik zeker bewondering voel voor de moed waarmee hij niet voor de koning plooide. Een erg menselijke heilige, dus.

Rook

Ik wandelde door het Museum Mayer Van den Bergh, wat me altijd vreugde verschaft. Simon en Machileone van Spoleto, hallo, lang niet gezien – ik leerde hen kennen toen ik als student een werkje moest maken. Een Antwerps familieportret uit de zeventiende eeuw, met een knappe man, een knappe vrouw en knappe kinderen? Niet zo courant als men zou denken. Antieke juwelen (ze brachten het denkspelletje op gang: als ik uit dit museum één ding mocht kiezen om mee naar huis te nemen, dan …), antieke juwelenkistjes, een allerliefste Maria Lactans, een zeemeermin in het water.

Klik voor grotere afbeelding
Pieter Bruegel, Dulle Griet, Antwerpen, Museum Mayer Van den Bergh

En dan Pieter Bruegel. Dulle Griet. Griet, met het gestolen halssnoer dat aan haar borstkuras bungelt en de goudstukken in haar mand. De strijd tussen mensen, vooral doortastende vrouwtjes, en demonen. De wimpel voor de vuurgloed. De monsters in het want. De grote wijnkruik in het landschap. De twee onverstoorde drinkers in de herberg. Hoe ik ook tracht alle details te bestuderen, dit schilderij van brandstichting en plundering is volmaakt van effect: het hele tafereel lijkt gehuld te zijn in rook, smog, roet en walmen, ik voel me werkelijk alsof ik op dit afgrijselijke slagveld ronddwaal en in de verwarring  probeer te onderscheiden wat er rondom mij gebeurt.

Verstrooide vertaler

Lof der zotheid

Als kind kreeg ik kinderboeken ten geschenke. De eerste boeken die ik zelf koos (waarna mijn moeder ze betaalde) waren Prismapockets, te koop in de supermarkt. Deze editie van Erasmus’ Lof der Zotheid, met de al bij al charmante kaft, stamt uit die jaren. Onlangs haalde ik haar opnieuw van het rek. De vertaling van “Drs. A. J. Hiensch” lijkt me erg verdienstelijk, al blijft ze het ondefinieerbare air houden dat afkomst uit het Latijn verraadt. Op pagina 43 stuitte ik echter op een raar anachronisme.
“Nodig maar eens een wijze uit voor het diner: hij zal het door somber zwijgen of vervelende vraagjes in de war schoppen. Vraag hem ten dans: u zult denken dat er een kameel rondhuppelt! Neem hem mee naar publieke vermakelijkheden: alleen al door zijn blik zal hij het plezier van het volk bederven en hij zal als de wijze Cato gedwongen worden uit het theater te verdwijnen daar hij zijn ernstige frons niet kan afleggen. Valt hij in een gesprek, dan passeert er onmiddellijk een dominee.”

Een dominee? Erasmus schreef dit in 1509, toen er nog helemaal geen dominees bestonden. Integendeel, de godsdiensttwisten zouden pas een decennium later aanvangen, en Erasmus werd niet bepaald een fan van Maarten Luther. Amusant, deze strikt Noordnederlandse lapsus.

Vleugels

“Zie je dat spiegeltje boven op de cockpit?” zei mijn vader. “Zo kon de piloot zien of er achter hem geen aanvallers opdoken.” De Spitfire viert zijn vijfenzeventigste verjaardag en BBC 2 wijdde zaterdagavond een meeslepende documentaire aan dit toestel, Britain’s Flying Past. Om de waarheid te zeggen raakte ik behoorlijk onder de indruk van de moed van de piloten tijdens de Tweede Wereldoorlog: de Ilias is boeiend, De Bello Gallico evenzeer, maar hier zag en hoorde ik mensen die hadden deelgenomen aan de grootste oorlog sinds mensenheugenis. In formaties, ja, maar onherroepelijk alleen, in een ingenieus vliegtuig. “Als je nog maar tegen de stick blies, deed de Spitfire alles wat je wilde,” prees een piloot. En een verbluffende pilote, ook veterane, zei: “Vliegen met de Spitfire kwam het dichtst bij vliegen met je eigen vleugels.”

Alledaags voorkomen

Stubbe op steekkaart (Foto Universiteit Gent)

Die goede Vlaamse  Pockets! Wie gaf hen uit, bedenk ik nu, wie stippelde de lijnen uit van dit oprecht volksverheffende fonds? In een verloren hoekje van mijn boekenkast vond ik de Vlaamse Pocket Bruegel en de Renaissance terug, geschreven door Achilles Stubbe. De foto op de achterflap toont een uitgeteerd gelaat boven een priesterboordje. Niet echt wervend, maar al lezend begon ik de heer Stubbe te waarderen. Een kunsthistoricus die algemene conclusies durft te formuleren, in plaats van zich almaar dieper te verliezen in acribische detailstudie? Chapeau. Ik geloof dat ik het voorlopig op driekwart van zijn bladzijden met hem oneens ben, maar hij kon wel degelijk schrijven. Nu eens een verrassend inzicht, dan weer een geestige woordkeuze. Ik onthoud met genoegen zijn uitdrukking “de menselijke wormstekigheid”.

“Voor de renaissancekunstenaar en de romanist was de mens door de adel van zijn lichamelijke schoonheid alles, voor Bruegel was de mens in het onbelangrijke van zijn alledaags voorkomen een deel van de natuur. Ten aanzien van dergelijke soort van mensen had het geen zin enige aandacht te schenken aan het naakt, dat de absolute voorkeur genoot van de renaissance, ook die van de maniëristen, terwijl het kleedsel slechts noodgedwongen werd aangewend en ten hoogste als picturaal en compositorisch element diende. Bruegel kende dat dualisme niet. Een naakte boer is geen boer. Boer en dorper zijn met hun kleren vergroeid. Hun ziel schuilt in de plooien van hun alledaagse of feestelijke dracht. Aldus zag het Bruegel en laadde hij zijn figuren, in weerwil van hun bescheiden verhoudingen, met de explosieve kracht van een wonderbaarlijke levensheftigheid.”

Dr. A. Stubbe, Bruegel en de Renaissance, tweede druk, Hasselt, 1964, p. 166.

Oktober

Zaaien in oktober

“Delicious Autumn! My very soul is wedded to it,” schreef George Eliot. Ik deel haar gevoel in de maand oktober.

In het prachtige getijdenboek van de hertog van Berry is deze maand echter de enige van de kalender waarop we een smartelijk gezicht zien. Ja, dit is de meest gedetailleerde weergave van het Louvre die we kennen uit de middeleeuwen. Ja, ultramarijn en subtiel goud vertonen ook hier weer al hun schoonheid en rijkdom. Het is mooi om de wimpels te bekijken die over de akker gespannen zijn, en de vogelverschrikker die aangekleed is als een boogschutter. Maar de boer die zaait ziet er verbitterd uit. Hoogstwaarschijnlijk had hij daar alle reden toe, aan het begin van de vijftiende eeuw. De koning krankzinnig. Zijn ooms (onder wie de hertog van Berry) roofzuchtig en inhalig. Burgeroorlog alom, en plunderende Engelse bendes. Nu eens twee pausen, dan weer drie. Frankrijk aan de rand van de afgrond. Ver weg, aan de grens van het land, in Barrois mouvant, groeide een kleuter op, de kleine Jeannette van Domrémy. Voorlopig wees nog niets op nakende verbetering.

Indien de boer in dienst was van de hertog van Berry, dan is dit citaat van Jean Froissart ongetwijfeld verhelderend. “Die hertog van Berry was de meest hebzuchtige man ter wereld en hij gaf er niet om waar men het haalde, als híj het maar in handen kreeg.”