Oorwurm

land.Heel vreemd soms, de flarden van een boek die je bijblijven. Vandaag spookte voortdurend de herinnering aan dit geestige liedje door mijn hoofd. Luuk Gruwez tekende het op uit de mond van zijn stokoude grootvader.
“Hoe lamlendig Knor zich ook voelt, hij zingt. Hij hoort op de televisie een deuntje dat hem vertrouwd is en hij bromt het mee:
‘Valencia, ’t is te danken aan de banken
dat ons geld zo hoge staat.'”

En dat wordt dan een oorwurm.

L. Gruwez, Het land van de wangen, (Privé-Domein, 226), Amsterdam-Antwerpen, 1998, p. 194.

Het schoentje van Cyann

Cyann-1Voor mijn reeks Heldinnen in Stripgids bracht ik een dag door met Cyann, een stoere ruimtereizigster gecreëerd door François Bourgeon en Claude Lacroix. In het eerste album van de cyclus is Cyann de troonopvolgster van een verre planeet, een verwend nest en een vrolijke verleidster. In haar kringen is het usance om slechts enkele vernuftig samengeknoopte sluiers te dragen. Mij amuseerde het feit dat de tekenaars haar futuristische ensembles completeerden met schoentjes van onvervalste achttiende-eeuwse snit.

Vorst

rm011“Daarna werden onmiddellijk de kleine bovenraampjes opengezet, waardoor de vorst als champagne naar binnen schoot.”
Ziedaar de voor mij onvergetelijke zin van Osip Mandelstam over vrieslucht. Eindelijk teruggevonden in De Egyptische postzegel.

Net als deze parel: “Wat een genot voor de verteller om van de derde op de eerste persoon over te gaan. Dit is net als wanneer je er na enige kleine en ongemakkelijke vingerhoed-glaasjes ineens de brui aan geeft, even nadenkt en dan zó uit de kraan volle teugen koud, ongekookt water drinkt.” Dichters weten waarom.

O. Mandelstam, De Egyptische postzegel, uit het Russisch vertaald door T. Eekman en C. B. Timmer, Amsterdam, 1979, p. 25; p.39.

In de boomhut

Astrid legde nog een blok hout in de kachel. Ik schoof dichter bij de gloed en groef mijn tenen dieper in de schapenvacht. Het regende en waaide, de muren kraakten, de kamer deinde tussen de takken van de rode beuk. Wonen in een boomhut is als wonen in een scheepskajuit. Wanneer de omgeving schommelt, schommel je mee. Je ervaart de elementen en het pikante genot van de beschutting, tegelijkertijd. Misschien dachten de bewoners van de caravans op de camping, een kilometer verderop, precies hetzelfde, in hun behuizingen van plastic en aluminium, omgeven door gammele hekken en vale tuinkabouters. Maar met hen voelde ik een vaag medelijden, terwijl Astrid in haar boomhut een idylle leek te beleven. Waarom was dat zo? In een wijsgeriger bui zou ik mijn snobisme hebben ontleed, nu leunde ik op mijn elleboog en staarde in de vlammen. Astrid pakte mokken, voor thee.

Mijn vierde column, ‘Sprezzatura’, over mijn avonturen met Astrid, voor Rekto:verso. Het vervolg kunt u lezen op hun mooie website.

Tijd

De Nederlandse vertaling
De Nederlandse vertaling

“In hem raasde de onvoltooid verleden tijd.
Een ploeteraar in een zwart hemd met theatraal openstaande boord; met een hevig vuur in de ogen trok hij zich terug in het perspectief van de historische schilderkunst, naar de Schotse martelaren, de Stuarts.
Het verhaal van de tragedie der halfgeletterden is nog niet geschreven. Ik denk dat de biografie van deze dorpsonderwijzer het handboek van onze tijd kan worden, zoals eens de Werther was.”

Wonderlijk, hoe Osip Mandelstam karakters typeert aan de hand van grammaticale categorieën. En ze was profetisch, zijn bedenking over de tragedie der halfgeletterden. Opgeschreven in 1930.

O. Mandelstam, Reis naar Armenië, uit het Russisch vertaald door K. Warmenhoven, Houten, 1991, p. 55.

O!

Osip Mandelstam
Osip Mandelstam

Ik ben op zoek naar een boek, omdat daarin de mooiste zin staat over vrieslucht die ik ken. Toen ik vannacht wakker lag, dacht ik aan die zin. Ik wil hem citeren. Ik weet in welk boek hij staat. Ik weet waar het boek zou moeten staan. Alleen, ik vind het boek niet. Waar is het?
Zo gaat het. Ik blader in een ander boek van dezelfde schrijver. En mijn adem wordt afgesneden.

“In welke tijd wil je leven?
Ik wil leven in de gebiedende wijs van het participium futurum, in de lijdende vorm – in het ‘wat zou moeten zijn’.
Zo wil ik ademen. Zo heb ik het naar mijn zin. Er bestaat zoiets als een bereden, een bandieten-, een ruitereer. Daarom hou ik van het voortreffelijke Latijnse ‘gerundivum’ – dat werkwoord te paard.
Ja, het Latijnse genie schiep, toen het jong en gulzig was, die vorm van gebiedende werkwoordsvervoeging als het prototype van heel onze cultuur, en het was niet alleen ‘wat zou moeten zijn’, maar wat ‘prijzenswaardig’ is – laudatura est. – dat waarvan wij houden…”

O. Mandelstam, Reis naar Armenië, uit het Russisch vertaald door K. Warmenhoven, Houten, 1991, p. 57.

Drie

“Uit de hemel vielen drie appels: de eerste was voor degene die het verhaal vertelde, de tweede voor degene die luisterde en de derde voor degene die het begreep. Zo eindigen de meeste Armeense sprookjes.”

O. Mandelstam, De reis naar Armenië, uit het Russisch vertaald door K. Warmenhoven, Houten, 1991, p. 56.

Ingebeelde levens

Schwob en Matisse
Schwob en Matisse

Ik hoopte eigenlijk Vies imaginaires van Marcel Schwob te vinden, maar trof dit aan. Een aardig boekje, gewikkeld in bros pergamijn. Pas later vernam ik dat Henri Matisse het vignet voor het voorplat leverde. Ik begon te lezen in de trein. Aha, een hoertjeshistorie. Monelle me trouva dans la plaine où j’errais et me prit par la main. En veel mystiek. Tu me retrouveras encore, et tu me perdras. Is het mystiek, of is het woordenkramerij? De schrijver hield in elk geval mijn aandacht vast totdat ik omstreeks pagina 41 stuitte op enkele niet opengesneden bladzijden. En ik had mijn zakmes niet bij me. In elk geval ben ik vanaf nu de eerste lezer, hoewel dat soort maagdelijkheid me niet interesseert.

Dergelijke vluchtige leeservaringen zijn me even dierbaar als de andere. We zullen zien of dit ontkiemt.

M. Schwob, Le livre de Monelle, Walter Schurter, maître-imprimeur à Winterthur, 1946. Bij Antiquariaat Demian in Antwerpen.