Wonderlijk goedgekozen beelden, vaak, in de Ilias. Dit, bijvoorbeeld, over de welsprekendheid van Odysseus:
Maar toen de sluwe Odysseus opsprong,
bleef hij een tijdlang stil, hij keek omlaag,
de ogen strak gevestigd op de grond.
En hij bewoog zijn scepter niet, naar voor
noch achter, maar hij hield hem vast omklemd
als iemand die niets wist te zeggen.
Je zou haast denken dat hij knorrig mokte
of simpelweg onnozel was. Maar liet hij
zijn diepe stem opklinken uit zijn borst,
woorden als vlokken sneeuw in wintertijd,
dan kon geen sterveling wedijveren
met Odysseus. Van toen af keken wij
niet zo verbaasd meer op bij zijn verschijning.
Schitterend, die vergelijking van overtuigende, ja manipulatieve woorden met een sneeuwvlaag die de toehoorders het zicht beneemt.
(Uit boek 3, vertaling door P. Lateur.)






