Mores

Supermarkt. Afdeling vleeswaren. Er duikt een vlotte, aangenaam ogende jongeman op, het type dat men ook zou kunnen aantreffen in loungebars of op een hip muziekfestival. Ik slenter naar de afdeling zuivel, en vervolgens naar de olie en azijn. Plotseling hoor ik een luid gesprek op agressieve toon. Twee personeelsleden van de winkel die in het magazijn staan te ruziën? Wanneer ik naar het volgende rek ga, zie ik dat de vlotte jongeman luidop in zijn mobieltje staat te praten. “Ik heb jou niets meer te zeggen, val me niet lastig, er is niets meer tussen ons, en als hij je een hoer heeft genoemd dan zal hij daar wel goede redenen voor hebben …” Ik stap verbijsterd verder. Dat mensen relaties uitvochten of beëindigden per GSM had ik al wel eens gehoord, dat ze dat ook in de supermarkt deden, is nieuw. Alle andere klanten mochten volop meegenieten van het gebeuren: in de rij voor de kassa ging het bitse gesprek gewoon voort. Het was nog niet afgelopen toen ik naar buiten ging. Wat bezielt die vrouw om aan de lijn te blijven, zo vroeg ik me af. Wat bezielt die man om niet meteen te zeggen: “Ik kan nu niet spreken”?

Gallantry is dead? Bij wijze van troost keek ik thuis naar wat fragmenten van Franse kostuumfilms. Boek door Madame de La Fayette, scenario door Jean Cocteau, zestiende-eeuwse kostuums geleverd door Pierre Cardin.

De macht van de tekenaar

Lhasa, 1846. De twee Franse missionarissen Evariste Huc en Jean Gabet moeten op bevel van de Chinese ambassadeur in Tibet hun koffers laten doorzoeken. Die bevatten boeken, liturgisch gerei en linnen, en prenten.
“De aanblik van onze mooie gekleurde prenten bracht hen buiten zichzelf. De Regent hield zijn handen gevouwen en bekeek ze aandachtig en met halfgeopende mond, terwijl Ki-Chan peroreerde, de geleerde uithing en de toeschouwers uitlegde dat de Fransen de beste kunstenaars ter wereld waren. Vroeger, zei hij, had hij in Peking een Franse missionaris gekend die portretten maakte: ze waren zo gelijkend dat het angstaanjagend was. Hij hield zijn papier verborgen in de mouw van zijn gewaad, legde de gelaatstrekken bijna heimelijk vast, en het portret was klaar in de tijd die er nodig is om een pijp tabak te roken.”

Ja, men kan het zich goed indenken, dat een snel gemaakt en gelijkend portret een magisch voorwerp moet zijn geweest, voor mensen die niet dag in dag uit aan beeldmateriaal waren blootgesteld.

E. Huc, Souvenirs d’un voyage dans la Tartarie, le Thibet et la Chine pendant les années 1844, 1845 et 1846, Doornik, 1850, p. 328.

De prins in de tuin

Het was lang geleden dat ik nog eens een oud boek kocht. O, leren band met goudstempeling! O, gemarmerde dek- en schutbladen! O, ex-libris van iemand anders! O, gesprenkelde snede! O, zijden leeskoord! Ik kan me zo voorstellen dat een jongen van honderd jaar geleden dit reisverslag van een Franse missionaris als een meeslepend avonturenverhaal heeft gelezen.

“Gedurende de korte periode van onze voorspoed in Lhasa, gingen wij ook vrij gemoedelijk om met de Chinese ambassadeur Ki-Chan. Hij ontbood ons twee of drie keer om over politiek te praten, of, naar de Chinese zegswijze, om vluchtige woorden te spreken. Het verbaasde ons dat hij zo goed op de hoogte was van Europese aangelegenheden. Hij sprak veel over de Engelsen en koningin Victoria.  – Het schijnt, zei hij, dat die vrouw zeer bekwaam is; maar volgens mij moet haar echtgenoot een belachelijke rol spelen; zij houdt hem overal buiten. Ze heeft een prachtige tuin voor hem laten aanleggen, met alle mogelijke fruitbomen en bloemen, en daar is hij voortdurend opgesloten en slijt hij zijn leven in wandelingen … Men beweert dat er in Europa nog meer koninkrijken zijn waar vrouwen regeren. Is dat waar? En zijn hun echtgenoten ook opgesloten in tuinen? Bestaat dit gebruik ook in Frankrijk? – Nee, in Frankrijk zitten de vrouwen in tuinen en de mannen nemen de zaken waar. – Kijk, dat is verstandig: anders handelen, dat is chaos. ”

E. Huc, Souvenirs d’ un voyage dans la Tartarie, le Thibet et la Chine pendant les années 1844, 1845 et 1846, Doornik, 1850, p. 335-336. (Antiquariaat Procopius, Leuven)

Mercator in Lhasa

De reisroute en Evariste Huc, afgebeeld in Mantsjoe-kostuum

Lhasa, Tibet, februari 1846. De Franse missionarissen Evariste Huc en Jean Gabet – de eerste westerlingen in de regio sinds 1812 – worden ondervraagd door de Regent van Lhasa en de Chinese ambassadeur Ki-Chan.
“Wij toonden de drie kaarten die we bij ons hadden: een wereldbol, een wereldkaart volgens de projectie van Mercator, en een Chinees Keizerrijk. […] Het was onmogelijk om voort te gaan, zonder wat aardrijkskundeles te geven. Wij kwamen vriendelijk tegemoet aan de wensen van de Regent en de Chinese ambassadeur. Op de wereldkaart van Mercator toonden wij hen met de vinger China, Tartarije, Tibet en alle andere gebieden van de aarde. De Regent was verbijsterd toen hij zag hoe ver wij van ons vaderland verwijderd waren, en welke lange weg wij hadden moeten afleggen, te land en ter zee, om hem een bezoekje te brengen in de hoofdstad van Tibet. Hij keek ons verbluft aan. Daarna richtte hij de duim van zijn rechterhand op en zei: ‘Jullie zijn zulke mannen….'”

E. Huc, Souvenirs d’un voyage dans la Tartarie, le Thibet et la Chine pendant les années 1844, 1845 et 1846, Doornik, 1850, p. 328.

Ferragosto

Rubens, Tenhemelopneming van Maria, kathedraal, Antwerpen.

Per aspera ad astra, door het lijden naar de vreugde. Die boodschap is feestelijk duidelijk in het tafereel dat Rubens meer dan tien jaar later penseelde voor het hoogaltaar van de kathedraal zelf. Maria wordt ten hemel opgenomen en verlaat deze wereld, dat zie je, blij, opgelucht en vol verwachting. Engelen dragen haar, in een uitbarsting van lichte kleuren: wit, roze, azuur, goudgeel. Barok? Nee, rococo.”

Zo schreef ik acht jaar geleden in Mijn België. Later las ik dat de glimlachende vrouw in de rode jurk een portret zou kunnen zijn van Isabella Brant, die stierf aan de pest toen Rubens het schilderij voltooide. Haar aanwezigheid geeft me sindsdien te denken. En omdat 15 augustus in de provincie Antwerpen nog steeds moederdag is, reis ik naar het noorden om met mijn moeder op het terras te zitten. Het zal zijn alsof we daar zitten om samen naar het spektakel van de wereld te kijken. Syrië, Iran/Israël, de Amerikaanse presidentsverkiezingen – we kunnen er niets aan veranderen.

(Vierhonderdste bericht.)

Zomeravond

Godshuis Van der Biest, Falconrui 33, Antwerpen

Ziehier de tuin van het Godshuis Van der Biest, op het literaire salon gewijd aan Max Elskamp. Alles staat klaar voor de prachtige Brelvertolking van Filip Jordens. Daarna was het tijd voor Elskamps gedichten, meeslepend gelezen en vertaald door Geert van Istendael, en Elskamps wandeling, bedacht door uw dienares. En voor chocoladetaart en rode wijn (er was ook Seefbier).

Niet alle mooie verhalen komen van schrijvers, dat weet u even goed als ik. Een vriendelijke bezoeker, wiens naam ik tot mijn spijt vergat te vragen, vertelde me over de reproducties naar schilderijen van Pieter Bruegel, die Wannes Van de Velde inspireerden tot het ontroerende lied Café Bruegel (ik ken geen vriendelijker woorden dan dat: “Zet uw eigen bij de ploeg”). Na de sluiting van het café zijn ze verkocht op de Vrijdagmarkt. De pastoor van de Sint-Andrieskerk  – een collega-kunsthistoricus, als ik me niet vergis – kocht ze, en ze sieren nu de parochiezaal van Sint-Andries. Goed om te weten.

Niet vergeten: volgende vrijdag en zaterdag zijn er literaire salons over Hugues C. Pernath en Paul de Vree.

Verhaal voor zaterdag

“Liefde en griefde. Amour, amure. Liefde, bliefde. Geriefde, liefde. Ziedde. Ziedet?

Amure, de hals van een zeil. Hoe lang was het geleden dat hij een zeilschip had gezien? Met zijn hand kon hij de vergulde wijzers van de klok aanraken als hij dat wilde. En tijdens zijn wandelingen door de stad richtte hij zich altijd wel een keer naar het uurwerk van de toren. Maar tijd en tel waren hem ontglipt. Ik ga de toekomst in, dacht de dichter. Een toekomst die hij niet had kunnen bevroeden. Er waren nog mensen die zijn taal spraken in de stad. Sommigen van hen lazen zelfs zijn gedichten. Wanneer hij ’s nachts door een straat slenterde, hoorde hij wel eens een stem die een kwatrijn van hem prevelde. Iemand die de pocketuitgave las in bed, en een paar regels uitsprak, om te ervaren hoe ze klonken. Als tingeltangel, dacht hij. Als muziekdoosjes. Hij had zijn woordenmechaniekjes zorgvuldig in elkaar gesleuteld om te klinken als een kermis, een dansfeest in de verte.”

Zaterdag lees ik een nieuw verhaal over Max Elskamp voor aan de Falconrui 33 in Antwerpen. Wees welkom!

Meer info vindt u hier.