
Abraham Ortelius beschrijft in een brief de Beeldenstorm van 20 augustus 1566. Een groep vandalen dringt de Antwerpse kathedraal binnen en begint een opstootje. De magistraat neemt halve maatregelen.
” Men is er Duitse psalmen beginnen te zingen, op drie of vier plaatsen, zoals voor het koor, voor de preekstoel, enzovoort. Toen dit een tijdje bezig was, zijn ze begonnen, een deel van degenen die binnen waren (want de meesten zijn slechts toeschouwers gebleven), mogelijk twintig of dertig, met grote furie de beelden en schilderijen aan te vallen (dit was nu tussen zes en zeven uur). Dit heeft ruim een uur geduurd en daarna heeft men hetzelfde zien gebeuren in alle kerken, kloosters, kapellen en godshuizen die hier binnen de stad zijn, geen enkele uitgezonderd. Zo is in heel Antwerpen (het is moeilijk te geloven) tussen dat ogenblik en twaalf of één uur ’s nachts al het beeldwerk en sieraad van de kerken zo tot schande gemaakt dat er niets ongeschonden of op zijn plaats gebleven is; het is nog vreemder dat iedereen op alle pleinen, straten en huizen paraat stond en licht uithing en het geweer in de hand had, maar niemand heeft het belet. Waar de stormers met stokken, bijlen en brandende toortsen van de ene kerk naar de andere liepen, vluchtte iedereen en liet hen passeren, dikwijls waren ze maar met vijf of zes. De volgende dag zag het eruit alsof de duivel in alle kerken honderd jaar had huisgehouden. De stad is begonnen met het puin op te ruimen en voort af te breken wat beschadigd was. Dat was alles, behalve drie of vier van de beste schilderijen van de Onze-Lieve-Vrouwekerk die ’s avonds gered werden van de stormers door hevig Vive les gueux te roepen. […] ”
Zo werkt terreur.
Hedendaags iconoclasme treft vooral boeddhistische en islamitische cultuurschatten.
Cfr. L. Huet en J. Grieten, Nicolaas Rockox, Antwerpen, 2010, p. 69-71.







