“Welke nacht, de verledene!
Het is merkwaardig voor hem, wiens zenuwstelsel niet tot doodsangst is geschokt, die nog eenige vrijheid van waarnemingsvermogen bezit om de veelvoudige gevechtsgeluiden te ontleden: een algemeen oorverdoovend gedonder van rommelvuur met daartusschen knallen, monsterknallen van ’t grof geschut, in echo’s wegstervend en schijnbaar een waan wekkend, alsof in de onmiddellijke nabijheid op dezen zolder en op al de zolders in de buurt een strijdgeweld ontstaan was van titanen tegen elkaar, met molensteenen en rotsblokken, met knodsen of met ijzeren reuzenhamers tegen de binten van ’t huis aanbonkend, van dit huis niet alleen, van al de huizen in het ronde, zoodat de dakpannen schijnen neer te roffelen op de straat en het bouwmateriaal op den planken vloer boven het hoofd verbijsterend neergeslagen wordt.”
Uit het oorlogsdagboek van Virginie Loveling in Gent.
No matter how daring or cautious you may choose to be, in the course of your life you are bound to come into direct physical contact with what’s known as Evil. I mean here not a property of the gothic novel but, to say the least, a palpable social reality that you in no way can control. No amount of good nature or cunning calculations will prevent this encounter. In fact, the more calculating, the more cautious you are, the greater is the likelihood of this rendezvous, the harder its impact. Such is the structure of life that what we regard als Evil is capable of a fairly ubiquitous presence if only because it tends to appear in the guise of good. You never see it crossing your treshold announcing itself: ‘Hi, I’m Evil!’ That, of course, indicates its secondary nature, but the comfort one may derive from this observation gets dulled by its frequency.
A prudent thing to do, therefore, would be to subject your notions of good to the closest possible scrutiny, to go, so to speak, through your entire wardrobe checking which of your clothes may fit a stranger. That, of course, may turn into a full-time occupation, and well it should. You’ll be surprised how many things you considered your own and good can easily fit, without much adjustment, your enemy. You may even start to wonder whether he is not your mirror image, for the most interesting thing about Evil is that it is wholly human. To put it mildly, nothing can be turned and worn inside out with greater ease than one’s notions of social justice, civic conscience, a better future, etc. One of the surest signs of danger here is the number of those who share your views, not so much because unanimity has the knack of degenerating into uniformity as because of the probability – implicit in great numbers – that noble sentiment is being faked.
By the same token, the surest defence against evil is extreme individualism, originality of thinking, whimsicality, even – if you will – eccentricity. That is, something that can’t be feigned, faked, imitated: something even a seasoned impostor couldn’t be happy with. Something, in other words, that can’t be shared, like your own skin: not even by a minority. Evil is a sucker for solidity. It always goes for big numbers, for confident granite, for ideological purity, for drilled armies and balanced sheets. Its proclivity for such things has to do presumably with its innate insecurity, but this realization, again, is of small comfort when Evil triumphs.”
Zo begint een van de mooiste essays uit Josephs Brodsky’s beklijvende bundel Less than One. Verderop in de tekst verwijst hij kort naar zijn verblijf als politiek gevangene in een Russisch strafkamp en ontvouwt hij de meest intelligente interpretatie van het Evangelievers ‘Keer de andere wang’ die ik ooit heb gelezen.
Joseph Brodsky, Less than One. Selected Essays, Penguin Books, 1986, p. 384-385.
Is het serendipiteit wanneer een in de badkamer rondslingerend tijdschrift een gedicht over Catullus blijkt te bevatten? De Mededelingen van het Wijsgerig Gezelschap dan nog! William Butler Yeats consacreerde het romantische beeld van de dichter, Jan Eijkelboom vertaalde:
Catullus herlezen is beseffen dat ik me mijn leven moeilijk zonder de impact van deze dichter kan voorstellen. Na jaren van historische verslagen en Romeins patriottisme van vroede vaderen deed Gaius Valerius Catullus zijn intrede in het klaslokaal als een popster, iemand die een taal sprak die tieners konden begrijpen. Recht naar het hart. Misschien is er inderdaad geen betere leeftijd dan zestien om deze gedichten te leren kennen.
Op de Boekenbeurs ontdekte ik een stand van de Provincie Antwerpen, in mijn ervaring een uitstekende boekenproducent. Voor een habbekrats vond ik er een publicatie over een Britse militaire basis in de Kempen die zo geheim was dat ik er zelfs nog nooit van had gehoord; over het pensionaat van de Ursulinen in Onze-Lieve-Vrouw-Waver, waar mijn mooiste en ongelukkigste oudtante school liep; over de Antwerpse pantserforten. Het leeuwendeel van mijn buit bestond echter uit de ronduit meeslepende tentoonstellingscatalogus Portret van een woordenaar: Cornelis Kiliaan en het woordenboek in de Nederlanden (2007). Onze eigen Samuel Johnson, en veel eerder actief! Uit de heldere artikelen leer ik dat het Nederlands (nee, niet het Frans, niet het Italiaans) de best gedocumenteerde taal ter wereld is. Vooral sprokkel ik de meest verrukkelijke woorden. De niet te onderschatten bijdrage van Simon Stevin aan het Nederlands: evenwijdig, langwerpig, rechthoekig, schiksel, strijdreden, wiskunst, zingkunst, zichteinder. Zijn fantastische term voor aetas aurea of gulden tijdperk: wijzentijd. Kiliaans eigen woord kleertobbe (waskuip). En parels uit oudere woordenlijsten: Materfamilie of huysvrouwe (1480). Rosridio, uit het Nederfrankisch: joyriding te paard. Changisto: hengst. In ic quad vvie sal gevan mi fetheron also dvvon in ic fliugon sal in raston sal. En ik zei: wie zal mij veren geven als duiven, zodat ik weg zal vliegen en rust zal vinden. Omstreeks 950. Een ontroerende gedachte: dat we terug zouden kunnen tuimelen naar die tijd en daar verstaan wat mensen zeggen.
Dit herfstweer nodigt uit tot lezen, tot de herontdekking van vergeten pockets en ooit geliefde dichtbundels, tot de aanschaf van lang begeerde Pléiade-delen en Loeb-volumes (vergeet niet, lezers, Loeb viert zijn honderdste verjaardag en biedt tot het einde van dit jaar gulle kortingen aan, alsook mooie potloden). En deze lange tafel is de meest uitnodigende die ik ooit in een privé-bibliotheek heb gezien: ruimte voor ellebogen, boeken, schriften, laptop, theepot, chocolade, atlassen, wereld- en hemelbollen, boodschappenlijstjes, dagboeken, brieven.
“Uit de grofheid van de mensen komt alle onheil voort”, beweert stripheldin Isabelle Avondrood: een zeer scherpzinnige ethische uitspraak.
Lezers van de prachtige historische roman Wolf Hall weten dat Thomas More daarin wordt voorgesteld als een botte grappenmaker, die vooral graag pronkt met zijn verstand ten koste van zijn Latijn-onkundige vrouw. Een ongewoon beeld van deze beroemde man, dat echter wel bevestigd wordt door zijn eigen geschriften en die van zijn vrienden. Wat More in zijn Utopia schrijft over het rationeel gearrangeerde huwelijk getuigt van een pijnlijke gevoelsarmoede. En in Erasmus’ Lof der Zotheid zegt de Zotheid, Moria: “Ik ken een naamgenoot van mij, die zijn bruid een collectie valse edelstenen ten geschenke gaf, haar ervan overtuigend – want kletsen kon hij! – dat ze niet alleen echt en natuurlijk waren, maar zelfs van bijzondere onschatbare waarde. Ik vraag u, wat voor verschil maakte het voor de vrouw, daar haar ogen evenveel vreugde beleefden aan het glas, dat ze in feite waardeloze rommel bewaarde als ware het een schat? Haar man bespaarde intussen grote onkosten en profiteerde van de dwaling van zijn vrouw, die hem niettemin even toegenegen was als wanneer hij dure geschenken voor haar had gekocht.”
Grappen onder vrienden, veilig opgeschreven in het Latijn zodat de vrouwtjes niet te weten konden komen wat ze maar beter niet wisten. Persoonlijk vind ik dit nogal afstotelijk, en niet omdat ik meen dat alle mannen voortdurend juwelen voor hun vrouw moeten kopen. Maar toch: geef met je hart of geef niks, dat lijkt me een betere leefregel dan een huwelijk te grondvesten op miezerig vrekkenbedrog.
Dit voorbeeldje toont eens te meer aan hoe moeilijk het soms is om te spreken over de redenen waarom we iemand sympathiek of antipathiek te vinden. Kleine verschillen in aanvoelen, in opvoeding, in reactie, wat filosofen de imponderabilia noemen, de onweegbare elementen, en wat ik in mijn kindertijd wel als Fingerspitzengefühl hoorde omschrijven.
Dit neemt niet weg dat Thomas More, zoals een van zijn Nederlandse vertaalsters aangaf, is terechtgesteld als een zestiende-eeuwse Johannes de Doper, als een politieke martelaar voor de waardigheid van de vrouw in het huwelijk (nota bene), en dat ik zeker bewondering voel voor de moed waarmee hij niet voor de koning plooide. Een erg menselijke heilige, dus.
Ik wandelde door het Museum Mayer Van den Bergh, wat me altijd vreugde verschaft. Simon en Machileone van Spoleto, hallo, lang niet gezien – ik leerde hen kennen toen ik als student een werkje moest maken. Een Antwerps familieportret uit de zeventiende eeuw, met een knappe man, een knappe vrouw en knappe kinderen? Niet zo courant als men zou denken. Antieke juwelen (ze brachten het denkspelletje op gang: als ik uit dit museum één ding mocht kiezen om mee naar huis te nemen, dan …), antieke juwelenkistjes, een allerliefste Maria Lactans, een zeemeermin in het water.
Pieter Bruegel, Dulle Griet, Antwerpen, Museum Mayer Van den Bergh
En dan Pieter Bruegel. Dulle Griet. Griet, met het gestolen halssnoer dat aan haar borstkuras bungelt en de goudstukken in haar mand. De strijd tussen mensen, vooral doortastende vrouwtjes, en demonen. De wimpel voor de vuurgloed. De monsters in het want. De grote wijnkruik in het landschap. De twee onverstoorde drinkers in de herberg. Hoe ik ook tracht alle details te bestuderen, dit schilderij van brandstichting en plundering is volmaakt van effect: het hele tafereel lijkt gehuld te zijn in rook, smog, roet en walmen, ik voel me werkelijk alsof ik op dit afgrijselijke slagveld ronddwaal en in de verwarring probeer te onderscheiden wat er rondom mij gebeurt.
Als kind kreeg ik kinderboeken ten geschenke. De eerste boeken die ik zelf koos (waarna mijn moeder ze betaalde) waren Prismapockets, te koop in de supermarkt. Deze editie van Erasmus’ Lof der Zotheid, met de al bij al charmante kaft, stamt uit die jaren. Onlangs haalde ik haar opnieuw van het rek. De vertaling van “Drs. A. J. Hiensch” lijkt me erg verdienstelijk, al blijft ze het ondefinieerbare air houden dat afkomst uit het Latijn verraadt. Op pagina 43 stuitte ik echter op een raar anachronisme.
“Nodig maar eens een wijze uit voor het diner: hij zal het door somber zwijgen of vervelende vraagjes in de war schoppen. Vraag hem ten dans: u zult denken dat er een kameel rondhuppelt! Neem hem mee naar publieke vermakelijkheden: alleen al door zijn blik zal hij het plezier van het volk bederven en hij zal als de wijze Cato gedwongen worden uit het theater te verdwijnen daar hij zijn ernstige frons niet kan afleggen. Valt hij in een gesprek, dan passeert er onmiddellijk een dominee.”
Een dominee? Erasmus schreef dit in 1509, toen er nog helemaal geen dominees bestonden. Integendeel, de godsdiensttwisten zouden pas een decennium later aanvangen, en Erasmus werd niet bepaald een fan van Maarten Luther. Amusant, deze strikt Noordnederlandse lapsus.