Rode veeg

Antoon Van Dyck, Portret van burgemeester Rockox, 1621 (State Hermitage Museum, Sint-Petersburg)

Ziet u die rode veeg, boven de linkerhand van de burgemeester? Die okerkleurige stip, op de schouder van de kleine bronzen Herculesbuste? Antoon Van Dyck nam een penseel en zette een rode lijn boven de hand van zijn opdrachtgever, hij nam een ander penseel en trok een lichte streep over de neus van de Jupiterkop, toetste een enkele vlek op de bronzen schouder, om achteloos het licht te vangen. Sprezzatura. We zagen de schilder aan het werk, alsof hij net nog in de kamer was geweest. Het leverde een bijzonder moment op, de burgemeester ontmoeten in Amsterdam. Het portret bleek ‘in het echt’ veel sterker dan foto’s laten vermoeden. Misschien heeft de schilder niet de kans gehad om het helemaal af te werken. Nicolaas Rockox keek ons streng aan, ook al zijn we z’n biografen. Hij zag er intelligent uit, en vastberaden. Charmant, die ongetemde, wat warrige lok op zijn kruin.

‘Rubens, van Dyck en Jordaens’, tot 16 maart 2012 in Hermitage, Amsterdam.

Brief uit Brugge

De dood van Jeanne d'Arc ('Vigiles', Martial d'Auvergne, 1484)

Uit de brief van een Venetiaanse handelaar in Brugge, 22 juni 1431, opgenomen in de Kroniek Morosini:

“De nobele jonkvrouw werd in Rouen bewaakt in een zeer strikte gevangenis; men zegt dat de Engelsen haar twee of drie keer hebben willen verbranden als ketter, ware daar niet Mijnheer de Dauphin van Frankrijk, die grote dreigementen aan de Engelsen heeft gezonden; maar desondanks hebben de Engelsen haar de derde keer, met behulp van enkele Fransen, levend laten verbranden op de markt van Rouen. Voor haar marteldood was zij berouwvol en zeer vroom gestemd; men zegt dat haar toen Mevrouw de heilige Catharina, maagd, verschenen is, die haar troostte, zeggend: ‘Dochter van God, houd vol in je geloof, daarmee zal je worden opgenomen in het getal van de maagden in het Paradijs in de glorie.’ En daarna stierf zij ingetogen. Om welke reden Mijnheer de Dauphin, Koning van Frankrijk, diepe rouw droeg, en aankondigde een vreselijke wraak op de Engelsen te zullen nemen… Men beweert dat de successen van de Fransen de marteldood van de Pucelle hebben veroorzaakt, dat de Engelsen zegden: ‘Is de jonkvrouw eenmaal dood, dan zal niets de Dauphin nog lukken.’ God geve dat het niet zo zal zijn!”

Ik gebruikte de eerste Franse vertaling, gepubliceerd door Leopold Delisle in het Journal des Savants in 1895, bij de herontdekking van het manuscript. De originele Venetiaanse tekst, met nieuwe Franse vertaling, vindt u hier.

Hermitage

Kanaal in Amsterdam

Binnenkort ga ik naar de Hermitage in Amsterdam – een idee dat tien jaar geleden nog absurd zou hebben geklonken, zo bevreemdend als de geografie van Antiterra in Nabokovs roman Ada. Ooit trachtte Abraham Ortelius een kaart te tekenen van More’s Utopia – is er een hedendaagse geograaf die Antiterra in kaart brengt, met haar wonderlijke versmelting van Rusland, Europa en Noord-Amerika?

En in de Hermitage in Amsterdam zal het portret te zien zijn dat Antoon Van Dyck in 1621 schilderde van burgemeester Rockox. Ongetwijfeld een bijzondere ervaring voor de burgemeester, die reis naar het vertrouwde en toch ooit vijandige noorden, 390 jaar na het einde van het Bestand.

5, 6, 7: penta, hexa, hepta

De nimf Arethusa (Lyon, Musée des Beaux-Arts)

Onze taal is klemtoonrijk en wordt mogelijkerwijze ontsierd door een overvloed aan doffe klanken. Met die gegevens moet een dichter rekening houden. Hoewel ik op school geleerd heb Latijnse verzen te scanderen, heb ik de klassieke dactylische hexameter nooit echt doorgrond, misschien omdat ik ook niet wist hoe Latijn eigenlijk klonk uit de monden van Romeinen (laat staan Grieks uit de monden van Ioniërs). Hexameter: zes versvoeten in een regel, en in zijn langste gedaante kun je de dactylus, mutatis mutandis, gelijk stellen aan drie lettergrepen. Hoedanook, men raakt erdoor vertrouwd met de koninklijke breedte van het vers, die in recente poëzie schaars is. Moderne dichters in Germaanse talen kiezen vaak voor de iambische pentameter: vijf versvoeten, gebaseerd op de afwisseling tussen klemtoon en kielzog. Dit alles nog verrijkt met een elegant rijmschema. Veel kortere verzen, gedichten als zuilen.

Bij het herlezen valt me op hoe mooi de oplossing is die mevrouw d’Hane-Scheltema koos voor haar vertaling van Ovidius’ Metamorphosen. Een epos, dus geschreven in dactylische hexameters. Er bestaan Nederlandse vertalingen in dezelfde versvorm, maar voor het Nederlands is dat soms een nauw en lastig kledingstuk, zeker als men een gelijk aantal regels wil afleveren. En dus koos ze voor een iambische heptameter: zeven iamben in een versregel, fraaie breedte, ademruimte en een voor onze taal natuurlijk, lichtvoetig ritme.  En ze schonk ons vele welluidende regels zonder zelfs maar één doffe klank:

geen grond is mij zo lief! Ik, Arethusa, heb mijn bron…

Taboe

Cyriel Buysse

In Mijn België schreef ik over Cyriel Buysse en zijn boek Kerels. Onlangs zocht ik een verhaal opnieuw op – het bevat een onvergetelijk fragment. Buysse vertelt over zijn gesprekken met de materialistische dorpsfilosoof Broes, die hem wijst op grenzen.

“‘Ik beweer dat de beste, de braafste, de eerlijkste, rechtvaardigste en degelijkste man der wereld zich van schaamte niet op straat zou durven vertonen, als er op zijn rug te lezen stond, alles wat hij in één enkelen dag, …wat zeg ik!… in een halven dag,… in een paar uren, heeft gedaan.’

‘Hoho,’ protesteerde ik.

[…] ‘Nou, laten we dan eens een voorbeeld nemen. De gravin van het Kasteel, bijvoorbeeld. Dat is een brave, schoone, vriendelijke vrouw. Komaan; volg mij goed; ik begin. Ik zeg niets meer dan doodeenvoudig, wat voor iedereen op een plakkaat aan haar rug of op den muur van haar kasteel zoude te lezen staan. Luister: “Mevrouw de gravin is van morgen om zes minuten over zeven in haar bed wakker geworden. Terstond heeft ze met haar rechterhand die en die beweging gemaakt, terwijl ze zich even, met de linkerhand, over de knie heeft gekrabt. Na enkele minuten is ze opgestaan en heeft ze zich begeven naar een plek, waar ze is gaan zitten en waar ze…”

‘Schei uit!’ riep ik.”

Het lijkt er op dat onze literatuur sindsdien zijn uiterste, acribische best heeft gedaan om het door Broes aangehaalde taboe te doorbreken, zodat niemand nog zou opkijken van een uitweiding over de nachtelijke avonturen van de gravin en een beschrijving van haar ochtendlijke abluties. (Al zouden lezers nu misschien wel hun hoofd breken over het hele concept ‘gravin’.) Broes kan dus tevreden zijn. Maar waar taboes verdwijnen, duiken er andere op. Ik vind schrijvers boeiend die schrijven over onverwachte – want misschien al te vertrouwde – personages, die de huidige, half bewuste taboes durven aftasten en in wier boeken ik niet alle editorialen van de kranten nog eens een keertje plichtsbewust herkauwd aantref.

Coïncidentie

Meester van Wavrin, BNF

Kijk eens aan, een miniatuur van de Meester van Wavrin, vanochtend in de krant. Sinds ik in het handboek Plaatselijke Renaissancekunst (Cuttler, Northern Painting) een illustratie van hem zag, fascineert hij me: zijn hoekige, heftige stijl is zo anders dan die van andere miniaturisten uit de vijftiende eeuw. En niemand, bij mijn weten, heeft wederzijds enthousiasme ooit zo treffend uitgebeeld als hij, hierboven. Toevallig ligt er een dichtbundel van zijn tijdgenoot Charles d’Orléans op mijn bureau, en zie:

Dedans l’amoureuse cuisine / où sont les bons, frians morceaux… Ofwel: Kom in de zoete keuken van de liefde /hapjes en lekkernijen staan gereed.

Binnenkort naar Brussel dus, om het handwerk van deze streekgenoot-met-noodnaam in de Koninklijke Bibliotheek voor het eerst echt te gaan bekijken.

Vlaamse Miniaturen, in de KB tot 30 december.

De weemoedige prins. Balladen en rondelen van Charles d’Orléans, vertaald en ingeleid door Fred van Enske, Maastricht, 2010, p. 74-75.

Giovanna

Giovanna Garzoni, gouache op vellum, voormalige coll. Goudstikker

Al enkele dagen haal ik mijn boekenkast overhoop, op zoek naar een boek over Giovanna Garzoni, dat ik meen te bezitten, dat ik meen te hebben gekocht in Florence, waarvan ik het omslag voor me zie. Ik vind het niet. Net nu ik mijn ogen wil laven aan haar beelden van oogst en herfst, haar duizelingwekkende weergave van textuur en dauw, net nu ik in haar aquarellen en gouaches ook de gelijkenissen wil zien met het werk van Séraphine Louis, dite de Senlis. Zo gaat het altijd. 1600-1670, met dat brokje informatie moet ik me voorlopig tevreden stellen, en met de mededeling dat ze, in een tijd waarin kunstenaars een ongeëvenaarde bijdrage leverden aan botanische kennis, een leven genoot van ‘steady work and continuous success’.

Kleuren

September (foto Nekopie)

26 september
Maar ook de lovers schijnen in dit jaargetijde tot elkaar te spreken, voor zij ertoe besluiten tot hun gewone gedaanteverwisseling over te gaan.
De bomen doen mij nu denken aan dames, die met haar herfsttoilet begonnen zijn. De ene heeft bruin gekozen, de andere rood, een derde geel. Dat zijn de laatste nieuwe modes van ’t seizoen. Velen, echter, schijnen nog bij ’t zomergroen te willen blijven, maar blijkbaar keuren de anderen dat af en zeggen: ‘Wat geeft het ook, of je nog langer wacht: je komt er toch toe: ’t is de mode.’

Cyriel Buysse, Zomerleven, Amsterdam, Atlas, 2006, p. 264 (geschreven in Deurle in 1913; eerste uitgave 1915).

Bimbi’s oogst

Bartolomeo Bimbi, Citrusvruchten, Villa Medicea di Poggio a Caiano

Ik vond het een mooi idee van de Florentijnse groothertogen aan het eind van de zeventiende, begin van de achttiende eeuw: de oogst van je tuin laten portretteren. Bartolomeo Bimbi schilderde deze grote doeken voor de Medici-villa van Poggio a Caiano. Ze maakten indruk, ze bleven me bij, en plotseling doen ze me denken aan de schilderijen van Séraphine de Senlis, die nooit in Italië is geweest en het werk van deze obscure barokmeester niet kan hebben gekend.

Séraphine

Séraphine Louis, Fruitstilleven

Mijn lerares Latijn raadde me aan de film Séraphine te bekijken, van Martin Provost, met de Belgische Yolande Moreau in de hoofdrol. Ik had ergens opgevangen dat Séraphine de Senlis (1864-1942) een kunstenaar was met een uitzonderlijk levensverhaal. Een dienstmeid-voor-het-zware-werk die schildert? Een soort Bernadette Soubirous van de beeldende kunst? En dan, de zogenaamde naïeve kunst is zo vaak nep-naïeve kunst van zoeterige aanstellers; en outsider art, is dat niet al dat gekrioel en die geobsedeerde horror vacui?

Wel, Martin Provost maakte een mooie film. Indigoblauwe dienstmeidenkleding, lakens wassen in de rivier, geknield schilderen, met delicate vingers, hangend boven het op de vloer uitgespreide doek. Ik kreeg een indruk van de eenzaamheid van Séraphines leven: dagloonster zijn, in een huurkamertje wonen, ’s nachts dat vreemde vuurwerk van kleuren. Alleen de bezoekjes aan de beminnelijke en snoeplustige Soeurs de la Providence, die Séraphine als weeskind hadden opgevangen, brachten soelaas in de droefheid. Het mysterie kon deze film ook niet verklaren: we zagen een eenvoudige vrouw voortdurend rondscharrelen, op zoek naar natuurlijke kleurstoffen, want kunstenaarsgerei kon ze niet betalen. Ze verzamelde slijk en klei in potjes, maakte wellicht aftreksels van planten, goot – met een verontschuldigende blik op het beeld van de Madonna – vloeibare was uit offerkaarsjes in een flesje, om te gebruiken als bindmiddel. In die zin werkte ze, en experimenteerde ze, als middeleeuwse kunstenaars, wier materiaalkennis onovertroffen is. Het was ontroerend, om haar tijdens het schilderen te horen zingen – haar geliefde kerkmuziek, jazeker, het Veni Creator Spiritus.

En de schilderijen? Ik zou ze in het echt willen zien. Men zou kunnen gewagen van gekrioel en horror vacui, maar haar afbeeldingen van bloemen en fruit herinnerden me ook aan bloemstukken en fruitstillevens van renaissance-en barokschilders.