Gouden eeuw

Clara Peeters, Zelfportret met vanitasmotief, Rafael Valls Gallery, Londen

Zaterdag spraken we over burgemeester Rockox op een congres over de Gouden Eeuw in Gent. Is de Gouden Eeuw een strikt Noord-Nederlands begrip of kan men in de zeventiende eeuw ook spreken van een Gouden Eeuw voor de  provincies van het Zuiden? Kunsthistorici zullen geneigd zijn “ja” te antwoorden: nooit genoten lokale kunstenaars tijdens hun leven zoveel roem als Rubens en Van Dyck, nooit bouwden er in hun voetsporen zoveel schilders en beeldhouwers een bloeiende internationale loopbaan uit. En men zou, zeker voor de eerste helft van de zeventiende eeuw, nog andere gunstige factoren kunnen aanhalen.

Het deed me nadenken over dat hele begrip, Gouden Eeuw. Wat definieert een gouden eeuw eigenlijk? Leven wij, die na de Tweede Wereldoorlog zijn opgegroeid in vrede, welvaart en democratisering, in een Gouden Eeuw? Of beleven we veeleer een periode die vergelijkbaar is met die van de volksverhuizingen, aan het einde van het Romeinse Rijk? Zal de slordig in elkaar geknutselde Europese Unie als een reus op lemen voeten instorten, net zoals het ongeziene wereldrijk van de Habsburgers in de zestiende eeuw scheurde?

De mooiste beschrijving van een gouden tijdperk vind ik nog steeds die van de achttiende-eeuwse historicus Edward Gibbon. Zijn toetssteen lijkt niet op de eerste plaats een welig tierende economie, maar de algemene graad van beschaving. In deze dagen, waarin alles om economische hysterie draait, is het belangrijk om dat voor ogen te houden. “In de tweede eeuw van de christelijke tijdrekening omvatte het Romeinse rijk het mooiste deel van de aarde en het meest geciviliseerde deel van de mensheid. De grenzen van deze omvangrijke monarchie werden bewaakt door oude roem en gedisciplineerde kracht. De zachte maar machtige invloed van wetten en zeden had geleidelijk een eenheid tussen de provincies bewerkstelligd. Hun vreedzame inwoners genoten van en misbruikten de voordelen van rijkdom en weelde. De illusie van een vrije grondwet werd met zedige eerbied in stand gehouden: de Romeinse senaat leek de soevereine macht te bezitten, en droeg aan de keizers al de uitvoerende macht over. Gedurende een gelukkige periode van meer dan negen decennia (98-190) werd het gezag toevertrouwd aan de bekwaamheden van Nerva, Trajanus, Hadrianus, Antoninus Pius en Marcus Aurelius…”

Het witte paardje

Lang verwacht

Lang geleden ging ik op een woensdagnamiddag spelen bij een vriendinnetje. Zij had net nieuwe boeken uit de bibliotheek gehaald, ik neusde daarin en werd zo gegrepen door één boek dat ik meteen het eerste hoofdstuk uitlas. Een weesmeisje reist naar het kasteel van een verre oom op het platteland en ziet vanuit de koets een wit paardje in de verte. In het kasteel krijgt ze een torenkamer toegewezen, waarvan de blauwe zoldering met sterren beschilderd is. Jaren heb ik de herinnering aan dat hoofdstuk en die torenkamer gekoesterd en me afgevraagd hoe het verder zou zijn gelopen. Schrijver noch titel van het verhaal kende ik. Onlangs tikte ik “Wit paardje” in bij Google en zag het sinds decennia verbeide antwoord op mijn scherm verschijnen. Het boek dat me betoverde kon bijna niet anders zijn dan The Little White Horse, uit 1946, van Elizabeth Goudge. Ik snelde naar de kleine, onafhankelijke boekhandel en bestelde een Puffin-editie. Nu, twee weken later, ligt de lang-, langverwachte pocket naast me, grijpensklaar voor de eerste vrije uren. Maar uiteraard heb ik al geneusd. En op de eerste bladzijde van hoofdstuk 1 vond ik dit: “Humanity can be roughly divided into three sorts of people – those who find comfort in literature, those who find comfort in personal adornment, and those who find comfort in food.” Dankzij Elizabeth Goudge besef ik meteen dat ik geluk heb: ik vind zowaar troost in alle drie.

Cyllarus?

Ook Cyllarus zou sterven in de strijd ondanks zijn charmes – / als wij van charme kunnen spreken bij ’n Centaurenlijf. / Hij had pas kort een baard, goudblond van kleur, en van zijn schouders / hing zijn al even goudblond haar tot op zijn flanken neer. / Er straalde goede kracht uit zijn gelaat: nek, schouders, handen / en bovenlijf, alles wat mens was leek op beeldhouwwerk / van veelgeprezen kunstenaars: maar ook zijn paardgedeelte / was als volmaakt, niet minder dan het mensendeel…

En dan was er ook nog zijn mooie merriemeisje, Hylonome.

Ovidius, Metamorphosen, vertaald door M. D’Hane-Scheltema, Amsterdam, 1999, p. 307 (XII 393-401).

Strijdlust

Uccello, Portret van John Hawkwood, Florence, Dom

“En de krijgers zegden: ‘Laten we welgemoed naar die Lombarden rijden: we hebben een goede reden om te vechten en een rechtvaardige, goede aanvoerder, onze oorlog zal er meer waard door zijn en des te mooier van worden. En we gaan ook naar het rijkste land ter wereld, want Lombardije ontvangt langs alle kanten de rijkdommen van deze wereld. De Lombarden zijn van nature rijk en laf; wij zullen daar profijt uit halen. Ieder van ons die kapitein is zal zo rijk terugkomen dat wij nooit meer zullen hoeven te vechten.’ Zo spraken de krijgers met elkaar; en toen ze vette weiden vonden, bleven ze daar een tijd, om zichzelf en hun paarden beter te helpen.”

Dit soort opgewekte strijdlust vindt men misschien alleen nog in middeleeuwse geschriften. Mafia-“eer” of gang culture vervangen haar niet.

De bladzijden van mijn Froissart brengen me onverwachte ontmoetingen: nu kom ik plotseling weer John Hawkwood tegen, alias Giovanni Acuto, de beruchte militieleider, aan kunsthistorici bekend door zijn geschilderde ruiterportret in de Dom van Florence. Hij wilde een bronzen ruiterstandbeeld, maar de Florentijnen hebben zich er na zijn dood vanaf gemaakt met een versie in verf, weliswaar in hun mooiste kerk, weliswaar van de hand van meester Uccello. Bestaat er nog een andere band tussen Hawkwood en mij? Wel, we leven allebei free-lance: het woord werd eerst gebruikt voor krijgers die zich in de Honderdjarige Oorlog nu eens ten dienste stelden van de ene, dan weer van de andere.

De vriendelijke waard van het stationsbuffet in Lier keek over mijn schouder naar wat ik las. “Ik dacht dat het de Bijbel was, ” lachte hij. Inderdaad, zo’n Pléiade-uitgave wordt op gelijkaardig papier gedrukt.

Vrome boom

Kapelletje, Diepte, Merksplas (foto ca. 1950)

Stel: een Kempenaar koopt een afgelegen, vervallen huis, uitgerekend in de jaren dat elke andere Vlaming zich in een verkaveling vestigt. Bij dat huis hoort sinds mensenheugenis een kapelletje, gebouwd naast  de ingang van de tuin en toegewijd aan de Ster der Zee. Waarom Stella Maris? Omdat de bouwheer, als vertegenwoordiger van het Belgische Rode Kruis, in de jaren 1890-1900 vaak de oceaan op en over moest? Omdat zijn Amerikaanse echtgenote op 7 mei 1915 de Duitse aanval op het passagierschip Lusitania  overleefde – helaas niet voor lang? Feit is dat er toen een Noord-Amerikaanse boom bij het kapelletje werd geplant, een robinia pseudo-acacia, die intussen de omvang van 240 cm heeft bereikt.

De enige zoon van dit echtpaar, Martial Van Schelle, werd meervoudig Belgisch zwemkampioen, nam deel aan de Olympische Spelen in Antwerpen in 1920 en stierf als verzetsheld in het folterkamp Breendonk in 1943.

Van Schelle inspireert al drie generaties van mijn familie. En dus vul ik nu netjes de folder “Vrome Bomen” in, om deze ietwat exotische acacia zijn plaats te geven in de rangen van vrome inheemse eiken, lindes en meidoorns.

(Vrome bomen, een erfgoedproject van de Provincie Antwerpen)

Zwemmen in de Juine

Augustus in de Très Riches Heures van de hertog van Berry

Voor de weergave van de maand augustus kozen de gebroeders Van Limburg een tafereel uit bij een favoriete verblijfplaats van hun opdrachtgever, in Etampes. Van deze prachtige burcht blijft niets over dan de centrale toren, de Tour Guinette. Toen de dichter Charles d’Orléans trouwde met een kleindochter van de hertog, kreeg hij deze burcht ten geschenke.

Edellieden rijden uit op valkenjacht, vergezeld door een valkenier en twee honden. Augustus is niet de maand waarin ik, gehuld in lange, nauwsluitende gewaden van fluweel en kant, een duursport zou willen beoefenen op de rug van een dampend paard; de boerin die haar blauwe jurk uittrekt op de oever en het frisse water van het riviertje de Juine in glijdt, is er mijns inziens heel wat beter aan toe. Achter haar bindt men koren in schoven en laadt men het op een wagen.

Jean Froissart, onze Henegouwse kroniekschrijver die nagenoeg volledig geannexeerd is door de Franse literatuur, heeft heel wat interessante zaken te vertellen over de hertog aan wie we deze magnifieke bladzijden – het getijdenboekje is intussen misschien een van de beroemdste kunstwerken ter wereld – danken. “Hij overlegde met de meester van zijn beeldhouwers en schilders, meester Andrieu Beau-Neveu, om nieuwe beelden en schilderingen te maken; want hij hield ervan om steeds nieuwe werken te bedenken en te bestellen; en hij was aan het juiste adres, want die meester Andrieu over wie ik spreek kende zijn gelijke niet, noch was er iemand van wie zoveel mooi werk overbleef in Frankrijk of in Henegouwen, waaruit hij afkomstig was, en in het koninkrijk Engeland.” De gebroeders Van Limburg namen rond de eeuwwisseling de penselen van Beauneveu over. Noordelijke kunstenaars bloeiend onder Frans mecenaat, stel u voor!

J. Froissart, Les Chroniques, in Historiens et chroniqueurs du Moyen Age, (Pléiade, 48), 2005, p. 743 (vertaald door LH).

Le prime

Le prime more

Waarom bestaan we eigenlijk? Ook om die paar zomerwandelingen op sandalen of espadrilles, een beetje verveeld, geplaagd door lome vliegen of dazerikken, en dan die glans langs de kant van de weg, tussen de gekartelde bladeren en de stekels,  een paar rijpe en halfrijpe bramen, sommigen met een stukje spinnenweb eraan, hop – de smaak.

Foto via 7 heures du mat.

Silentium

(In Het hart van de schorpioen stuit ik op een taalwondertje:)

RUSSISCH: Je leert Cyrillisch lezen, maakt een Assimil door, komt tot het besluit dat deze taal te moeilijk voor je is. Als de NRC een vertaalwedstrijd uitschrijft, kan je dankzij een woordenboek toch het gedicht van Tsjoettsjev ontcijferen en word je eervol tweede.

SILENTIUM

Maak geen gerucht, wees stil en hou

Al wat je voelt en droomt voor jou.

Laat het uit zielengrond ontstaan

En sprakeloos ten onder gaan

Zoals de sterren in de lucht:

Geniet het – en maak geen gerucht.

 

Hoe kan een hart ooit opengaan?

Hoe kan een ander jou verstaan?

Begrijpt hij wel wat jou bezielt?

Gedachte wordt door taal vernield;

Een bron vertroebelt bij een zucht:

Drink water – en maak geen gerucht.

 

Leef in je eigen ziel het meest,

Er ligt een wereld in je geest,

Een geheimzinnig toverwoord

Dat door de drukte wordt verstoord

En voor de zonnestralen vlucht:

Hoor ’t zingen – en maak geen gerucht!…

Paul Claes, Het hart van de schorpioen, Amsterdam, 2002, p. 92-93.

Hier kunt u de Engelse vertaling van dit klassieke Russische gedicht door Vladimir Nabokov beluisteren. En mocht u Fedor Tsjoettsjev internationaal willen googlen, de Engelse schrijfwijze van zijn naam is Fyodor Ivanovich Tyutschev.

 

Laatste zomerdagen

Ik kreeg een boek “voor mijn kermis”. Deze ouderwetse omschrijving beviel me. Geen spekken, schietkraam of vliegtuigjes, maar een autobiografie van een Vlaams auteur, getooid met de slimme benaming Roman. Paul Claes (“Je houdt van schuilnamen. Je geliefde schuilnaam is Paul Claes.”) schreef met Het hart van de schorpioen een beknopt thematisch woordenboek van een leven, waarin alle lemmata meesterlijk door elkaar zijn geschud en de lezer van de ene verrassing naar de andere voeren. Benamingen voor soorten snoep, geliefde strips, raadsels, spelletjes, talen geleerd met behulp van Assimilboekjes. De beknoptheid – een eigenschap die in autobiografieën niet genoeg kan worden geprezen –  is die van mozaïeksteentjes: men vindt kleine, krachtige fragmenten, die vaak licht en glans vangen, en samen, gezien van op het juiste punt in de verte, een beeld vormen.

Wellicht worstelen alleen jonge schrijvers met vragen als deze: “What would you rather be, happy or Hölderlin? (Theodore Roethke)”.

Paul Claes, Het hart van de schorpioen, Amsterdam, 2002.

Lais

Wonderlijke verhalen

De Lais van Marie de France is misschien wel het prettigste boek dat ik deze zomer zal lezen. Marie, de allereerste schrijfster in het Frans, vertelt laconiek haar kleine magisch-realistische verhalen: een valk landt op de vensterbank van een torenkamer waarin een jonkvrouw zit opgesloten en verandert vervolgens in een man; een fee schenkt een arme ridder haar liefde; een andere ridder verandert in een weerwolf; twee gescheiden geliefden houden contact met elkaar door middel van brieven, verstopt in het verendek van een zwaan (cygne/signe, nietwaar?); Tristan gebruikt kamperfoelie en hazelaar als codetaal voor Isolde; de tweelingzussen Es en Hazelaar trouwen met dezelfde man; een voorloopster van Doornroosje slaapt in een kapel in het woud. Dus hier luisterden edelvrouwen, ridders en baronnen naar tijdens avonden aan het hof? Mooi. Men beleeft zelden zoveel ongedwongen plezier tijdens het lezen van werken uit de literaire canon.

Een staaltje van Maries bedrieglijk eenvoudige toon: “In Bretagne, in Nantes, leefde een dame die bijzonder mooi, verstandig en gracieus was. Elke verdienstelijke ridder in het land werd meteen verliefd op haar zodra hij haar gezien had, en vroeg haar om haar liefde. Zij kon hen niet allemaal beminnen, maar wilde ook niet hun dood veroorzaken. Het is voor een man gemakkelijker alle vrouwen in het land het hof te maken dan het voor een vrouw is om één gek op afstand te houden, want dat zet meteen kwaad bloed. Als de vrouw aan allen tegemoetkomt, zullen ze haar allemaal dankbaar zijn. En mocht ze daar niet van willen weten, dan moet ze hen niet beledigen maar met hoofse eerbied behandelen en hun dankbaar zijn. De dame over wie ik wil vertellen en die vanwege haar schoonheid en waarde door zovele mannen werd aanbeden, hield zich dag en nacht met deze kwestie bezig.” Ik zie haar al zitten piekeren, de arme.

Marie de France, De Lais. Liefdessprookjes uit de twaalfde eeuw, vertaald door P. Verhuyck en C. Kisling, Amsterdam, 2009, p. 87.