
Zondag spreek ik over de verboden vrucht in de bibliotheek van Voerendaal. Hartelijk welkom!

Zondag spreek ik over de verboden vrucht in de bibliotheek van Voerendaal. Hartelijk welkom!
Ik gaf een lezing over Bruegel in Peer, werd ontvangen in een mooie zaal en bewonderde de Ghoststoeltjes van Starck waarin het publiek mocht plaatsnemen.
Peerse historici willen erg graag bewijzen dat Bruegel in Peer geboren is. Ik stelde vast dat per se iets willen bewijzen een goede methode is in de wiskunde, maar niet in de geschiedschrijving. Dan word je immers een advocaat die alle achterpoortjes gebruikt om zijn klant vrij te krijgen, in plaats van een onderzoeksrechter die getuigen hoort à charge en à décharge. En er is ook nog het Scheermes van Ockham: de eenvoudigste verklaringen zijn dikwijls de beste.
Toen ik naar buiten ging, zag ik charmante affiches met dames in Saint-Laurents Mondriaanjurken. Een frisse en fleurige campagne voor het cultureel centrum, die me er op gelukkige wijze aan herinnerde dat ik ook nog een dergelijke jurk in de kast heb hangen.
Waar je bij kunt uitkomen als je op een receptie eens achter het hoekje kijkt.

Het gepixelde prentje zien of de echte tekening: dat is niet hetzelfde. Dat is nooit hetzelfde. Op de tentoonstelling Oer in Gent trof dit werk van Rik Wouters me. Hij had zo weinig nodig om een teken van leven na te laten. Dat blauw. De lijn van de hand en de kam. O, dat blauw. Tot op haar kruin toe.
Als Belg van gemengden bloede (laten we zeggen, Henegouws-Brabants, alle voorouders door de eeuwen heen wel altijd op de rechteroever van de Schelde) zet ik graag kanttekeningen bij de pensée unique dat hedendaagse Vlamingen per definitie uit de klei omhooggetrokken keuterboeren zijn. De kunstenaars die het werk voor Oer leverden, die reisden naar Brussel, Londen en Parijs, die lazen de krant en buitenlandse literatuur en die spraken vlot twee talen. Het neemt niet weg dat de kunstwerken van Oer inderdaad een vertrouwd beeld oproepen. Landschap. Rituelen. Gezichten. De scenografie van Bob Verhelst, die in de ene ruimte de jonge fruitbomen van Gustave Van de Woestyne plantte en in de kamer van Tytgat een draaimolen zette, vind ik speels, charmant – waarom niet, voor een keer? Mijn lieveling is van oudsher Gustave Van de Woestyne en nu stond ik ineens aan de grond genageld voor papiertjes met wat lijnen houtskool erop: bladen uit een schetsboek van Rik Wouters. Zien en ontdekken, daar gaat het in elke tentoonstelling om.

Ik lees Jeroen Olyslaegers knappe roman Wil. Over een jonge politieman tijdens de tweede wereldoorlog in Antwerpen. Over de Antwerpse politie die door de Nazi’s wordt opgevorderd om te helpen bij razzia’s in joodse wijken. En het raakt me, te lezen hoe agent Wilfried Wils Bruegels schilderij Dulle Griet beschouwt als een symbool van zijn stad tijdens de oorlog. “De terreur hangt daar open en bloot, het roven aan de mond van de hel. Het is niet omdat een mens er weinig moeite voor moet doen dat een onthulling geen onthulling blijkt. Die Dulle Griet raast en daast door een zot landschap vol oorlog en herinnering in felrood, bruin en zwart. Haar ogen staan wijd opengesperd zodat ze alles en niets ziet. Heeft zij deze verschrikking veroorzaakt of maakt ze louter deel uit van deze smeerlapperij en speelt ze het spel mee? Op een schone zaterdag moet ge toch eens naar dat museum gaan om het allemaal in u op te nemen.”
Het is niet de enige keer dat Bruegel Wilfried Wils tot inzichten brengt. Hij kijkt naar de beelden van Rechtvaardigheid en Voorzichtigheid in de gevel van het stadhuis en bedenkt: “De schilder Bruegel was in deze stad aan het werk toen dat stadhuis werd gebouwd. Op zijn prent die de Voorzichtigheid verbeeldt wordt er geoogst en gepekeld, en staat Vrouwe Prudentia op de spijlen van een ladder die op de grond ligt terwijl haar rechterarm een lijkkist omvat. Onder aan de prent staat er in het Latijn te lezen: ‘Wilt gij voorzichtig zijn, houdt dan de toekomst voor ogen en houdt alles wat gebeuren kan in gedachten.’ Snapt ge waar ik naartoe wil? Snapt ge hoezeer deze stad met haar burgemeester de deugd van de voorzichtigheid heeft beleden en overigens via andere burgemeesters zal blijven belijden tot op vandaag?”

Een intrigerend campagnebeeld, deze mooie reuzin in het kerkschip. Ik verheug me op The Sound of Justice in Mechelen, met een nieuwe creatie van Willem Ceuleers, gezongen door het ensemble Utopia. De woorden die ik schreef over de rechtszaken van Lysken Ruttens en Elisabeth Van Wetten zullen in muziek tot leven komen. Based on a true story. Better still: based on two true stories.

Ik besloot mee te werken aan de Kempen Atlas om mijn geboortestreek beter te leren kennen, en de mensen die er wonen. Vandaag voltooide ik, denk ik, mijn laatste tekst over Kempense locaties voor het boek dat in het najaar zal verschijnen. Het is de tekst over de kolonie waar ik opgroeide. Neem ik de trein naar huis, dan word ik steeds meer aangegrepen door de schoonheid van het onopvallende, vlakke landschap onder het immense uitspansel. “The sky is so big here!” zei een dierbare vriendin van het andere einde van de wereld, toen ik met haar door deze dreven wandelde. Deze ontroering, vermoed ik, is een gevoel dat in de komende jaren zal toenemen. Mijn discrete landstreek!
Wat waren westerlingen welbespraakt. En wat bleken leraren klassieke talen goede jazzpianisten, terwijl leraren lichamelijke opvoeding voor de ritmesectie zorgden. Een parel.

Veel liefde voor Bruegel in Brussel, maandagavond, in de spiegelzaal van de Markten.

Onlangs bezochten we Antoon van Dycks schilderij Sint Martinus in de Sint-Martinuskerk te Zaventem. Het verslag van die visite vindt u in het nieuwe nummer van Openbaar Kunstbezit in Vlaanderen. We kregen de smaak te pakken en reden naar Bocholt om het wonderlijke Mariaretabel te bekijken. Daarover meer in het volgende nummer van OKV. Bleek men daar in Bocholt over meer topstukken te beschikken. Deze fantastische Sint-Christoffel, bijvoorbeeld, een reus van eikenhout in oosters gewaad. Christoffel droeg het Jezuskind over een rivier en ondertussen zwom er een vis in zijn geldbuidel. Een heerlijk grappig detail, bedacht door beeldhouwer Jan van Steffensweert (of een navolger) aan het begin van de zestiende eeuw. Vaut le détour!