Ik kocht dit boek omwille van de sfeervolle illustratie op het omslag. En ook omdat ik me regelmatig een lijk in de bibliotheek voelde, in de laatste fase van het werken aan Bruegels biografie.
Al doende herontdekte ik Agatha Christie. Wat een schrijfster! Meestal wordt ze voorgesteld als een knutselend dametje, voorbestemd om er zo snel en zo lang mogelijk uit te zien als iemand van middelbare leeftijd. Ik ervaar iets heel anders. Een vlijmscherpe pen, een vrouw gespeend van alles wat wij onder politieke correctheid verstaan, en een opmerkelijke mensenkennis.
Gelukkig heeft ze een groot oeuvre nagelaten, zodat ik nog veel tijd in haar gezelschap kan doorbrengen.
Clandestien plezier, eindelijk weer eens een roman te lezen.
Een literaire roman. Een lastige roman. Een sprankelende, sarcastische roman. Een roman waarin een vrouw een roman schrijft.
Mooi dat Fernanda Botelho onderdak vond bij Actes Sud.
Ik vertaalde hieruit een stukje voor mijn boek over Bruegel.
Meester van de vrouwelijke halffiguren, Drie musicerende dames, ca. 1530, Schloss Rohrau
Wat zijn ze charmant wanneer je ze weer eens tegenkomt, de jongedames in de schilderijen van de Meester van de Vrouwelijke Halffiguren. Foto’s ogen wat vlak, de werkelijkheid is viever. Ze zijn prachtig gekleed, ze dragen mooie juwelen, ze spelen op luit en dwarsfluit en begeleiden een vriendin die een uitdagend liedje van de Franse hofdichter Clément Marot zingt:
Jouissance vous donnerai,
Mon ami, et vous mènerai
Là où prétend votre espérance…
Onderschat ze niet, deze dames. Nog tot eind deze maand te zien in het Museum Boymans van Beuningen. Van Bosch tot Bruegel.
Pieter Bruegel, De grote vissen eten de kleine, Metropolitan Museum, New York
Je suis Charlie, je reste Charlie, kopt La Libre Belgique vandaag. Ooit stond Pieter Bruegel bekend als karikaturist. Daarom hieronder een fragment uit mijn volgende boek. De laatste zin, van Conrad Busken Huet, vind ik nu vooral behartenswaardig.
“In Frankrijk hield de alerte prentenverzamelaar Pierre Jean Mariette echter de belangstelling en waardering voor Bruegels tekeningen en prenten levendig. Daardoor kon Charles Baudelaire, zoals vele dichters een goede kunstcriticus, Bruegel in 1868 vermelden in zijn essay Quelques caricaturistes étrangers. In dat essay verkeert Bruegel in het ietwat onverwachte, maar uitstekende gezelschap van William Hogarth en Francisco de Goya. “De zotheden van Brueghel le Drôle maken duizelig. Hoe heeft een menselijk verstand zoveel duivelse taferelen en wonderen kunnen bevatten, zoveel beangstigende absurditeiten kunnen voortbrengen en beschrijven? Ik kan dit niet begrijpen noch er duidelijk de oorzaak van aanwijzen; maar dikwijls vinden wij in de geschiedenis, en zelfs in meer dan een deel van de moderne geschiedenis, het bewijs van de onmetelijke kracht van besmettingen, van vergiftiging door de morele atmosfeer, en ik kan me niet weerhouden op te merken (maar zonder aanstellerij, zonder pedanterie, zonder welomlijnd oogmerk zoals bewijzen dat Brueghel de duivel in persoon heeft gezien) dat deze miraculeuze bloei van monsterlijkheden op de meest zonderlinge wijze samenvalt met de beruchte en historische epidemie van hekserij. “
De Nederlandse schrijver Conrad Busken Huet, die een goed deel van zijn leven in Parijs doorbracht, publiceerde in 1879 Het land van Rubens, een cultureel verslag van een bezoek aan België. De titel vertelt ons heel wat: Huet keek onderweg vooral naar schilderijen van Vlaamse Primitieven en van Rubens. Toch vermeldt hij eenmaal, terloops, Pieter Bruegel de Oude, zij het uitsluitend in de context van zijn nazaten, met name zijn aangetrouwde kleinzoon David Teniers II. “In Teniers herleven drie generatien van Bruegels, voorafgegaan door Jeronimo Bosch.” Zoals zijn stamvader schilderde Teniers helse taferelen, bij voorkeur in de gedaante van Bekoringen van Sint-Antonius. “Bij de schilders van Zuid-Europa heeft de voorstelling van het duivelse, hoewel zij in Dante’s Hel aanleiding genoeg vonden, zich nooit in een humoristisch kleed gehuld. Het is een eigenaardig vlaams verschijnsel. In elk geval is er zekere mate van geestkracht nodig, om het verschrikkelijke zich bij voorkeur in de gedaante van het potsierlijke te kunnen denken. “
Weinig dingen zijn zo herkenbaar Belgisch voor me als de werkkamer van Michel de Ghelderode, bewaard in de Koninklijke Bibliotheek. De schrijver omringde zich met afgedankte etalagepoppen, kazuifels, heiligenbeelden, marionetten. Tussen al die brocante draafde het houten kermispaard Borax, ook zo’n heerlijke vondst. Nu lees ik dan eindelijk een paar van zijn toneelstukken en ik vraag me af of ze nog worden opgevoerd. Net als Jean Ray lijkt De Ghelderode verbijsterend Vlaams, al lees ik op zijn bladzijden voornamelijk Frans (niettemin, een personage dat Pickedonker heet? Breedmaag? Geweldig toch). In D’un diable qui prêcha merveilles stuit ik op het onvergetelijke zinnetje: Et foutredieu, que la religion est belle quand prêche le diable! Een bewering waarmee menige geradicaliseerde het eens zal zijn.
Mijn boek over Bruegel is voltooid. Zojuist. Nu bijt de slang in zijn staart en begint het nalezen. Drie schriften heb ik gevuld met notities, verwijzingen, vragen, gedachten. Het derde zal me nog dienen, de komende weken.
Op de achtergrond Bruegels Wellust, de leeslinten van nuttige Pléiades, anijssnoepjes ‘les petits amis’ van Flavigny, een dennenappel uit de Kempen. Ja, een mastentop.
Wanneer je William Carlos Williams heet, dan moet je misschien wel dichter worden. Door het ritme en de alliteratie in die naam. Net als bij Guido Gezelle.
Nu kijk ik naar foto’s van de dichter-dokter en ik ben verbluft. Ik zie geen verband tussen zijn jonge en zijn oude gezicht. Dat overkomt me zelden. Hij lijkt eerst een algemeen type jongeman en later een algemeen type oude man, uit twee verschillende families. De oude man is expressiever, vrolijker, levendiger. Heeft dit met stijlveranderingen in de fotografie te maken, meer nog dan met de persoon zelf? Of gaat het om het verschil tussen de rozenknop en de bloeiende roos? Ik moet het antwoord schuldig blijven en dub voort.
In elk geval schreef hij mooie laconieke gedichten over Bruegel, die ik vanavond ontdek.
Kerstbeelden van Jan Huet in Wortel (foto S. Huet)
Wel, het is die dag. Onlangs zijn de kerstbeelden die Jan Huet in de jaren 1930 schilderde voor de kerk van Wortel gerestaureerd en het deed me plezier om ze terug te zien in hun natuurlijke omgeving. Knoestige herders, nieuwsgierige schapen, een alerte hond, en het pasgeboren kind knap weergeven als een wriemelend wurm. Niet te zien op de foto: de drie glasramen die de kunstenaar voor de kerk maakte.
Vandaag geen mooie afbeelding, slechts een leerrijke. Het Matteuseffect bestaat wel degelijk, zo stelde ik de afgelopen week vast. Dit zijn de begerenswaardige boeken die ik in die tijdsspanne simpelweg als geschenk ontving. “Want aan ieder die heeft, zal gegeven worden, zelfs in overvloed gegeven worden; maar wie niet heeft, hem zal nog ontnomen worden zelfs wat hij heeft. ” (Matt. 25:29) Ik bezit een paar boeken, dus ik krijg boeken. Hetgeen me doet vermoeden dat als ik goudstaven, smaragden en sinecures bezat, ook die rijkdommen mijn huis zouden binnenstromen. En zo steek ik weer wat op over economie.
Het glanzende boek bovenaan is een heerlijke editie van Max Friedländers Early Netherlandish Painting. Bruegel en Mercator leveren eens te meer het bewijs dat kunsthistorici de historici zijn met het beste beeldmateriaal. De drie uitgaven van Christoph Bruneel, rechts onderaan en midden, zijn nog steeds te bestellen bij L’âne qui butine. De Japanse vertaling van Marie Gevers’ Plaisir des météores is nog mooier dan ik dacht. En ik had het geluk dit jaar een tekst te mogen schrijven bij godinnen van AMVK, wat, samen met het werk van AMVK en acht andere schrijvers, resulteerde in Jazzz van DWB. Dank, dank en nog eens dank.
En het is alweer zover, Nicolaas Rockox van Antwerpen verjaart voor de vierhonderdvijfenvijftigste keer. Tijd voor zijn biografen om te vieren, met dit onweerstaanbaar mooie schilderijtje van Rockox’ stadgenote Clara Peeters.
“Liefde maakt blind, en dan vooral eigenliefde.” Een wijs woord van de oude burgemeester, dankzij zijn persoonlijke nadruk op het tweede deel van het gezegde.
Huet & Grieten, Nicolaas Rockox burgemeester van de gouden eeuw, Antwerpen, tweede druk, 2011, p. 339.