Tja, we wandelden hier voorbij. Hans Memling lag vlak bij ons hotel begraven. Heeft hij nog nazaten, denk ik dan, en als die nazaten bestaan, zijn ze dan blij met de schilderijen van hun voorvader? Ik zou het wel zijn. Maar het mooie is, ik ben nu ook blij om de schilderijen van Memling, daar heb ik zijn DNA niet voor nodig.
Uncategorized
Hotel du Lac
Als student kocht ik de roman Hotel du Lac van Anita Brookner, omdat ik wel eens wilde zien hoe dat in zijn werk gaat, wanneer een kunsthistorica een roman schrijft.
Nu de schrijfster overleden is, herlees ik haar en stuit na reeksen briljante zinnen op een echt meesterstukje.
‘Ik wil graag een kop koffie,’ zei ze, met nietzscheaanse directheid, naar ze hoopte.
En leest u in al die grafschriften dat haar romans over eenzame vrouwen van middelbare leeftijd gaan? Er valt ontzettend veel meer te beleven. Ik heb het gevoel dat ik de twintigste-eeuwse Jane Austen leer kennen.
Torentrap
Voor de laatste maal sleep ik mezelf de torentrap van het Tabularium op om een referentie over Bruegel te controleren. Voor de laatste maal, hoop ik, wegen mijn laarzen als lood, voor de laatste maal maak ik een beverige foto.
Maar eenmaal in de leeszaal voor kostbare werken, turend in een boekje dat lang geleden gedrukt werd in de Antwerpse Wolstraat, vind ik eindelijk de passage terug waaraan ik al drie jaar loop te denken en die ik niet meer kon localiseren. Mijn overvoerde geheugen blijkt toch nog te functioneren. Dolblij wandel ik naar buiten.
Pasen 2016
Dit is er, zoals altijd. Paasbloemen in mijn ouders tuin, op Pasen.
“Die kerels komen hier niet, hoor.”
“Ja, maar Doel is niet veraf. En ze hebben die saboteurs van een tijd geleden zelfs nog niet gevonden.”
“Als dat gebeurt, is er niks meer aan te doen. En ze kunnen ook gewoon een drone in Doel gooien. Maar we hebben wel jodiumpillen in huis. Die zijn ons toegestuurd.”
“Oh? Waar liggen ze? Dat moeten we nu wel weten. Laat ze eens zien. Oh, je mag ze oplossen in water of fruitsap. Okee.”
“In geval van een nucleaire ramp moet je schuilen in een ruimte zonder vensters. Neem het bureau… De voorraadkast is vlakbij. En misschien moeten we er een doos kaarsen klaar zetten.”
Terloopse gesprekken. En dan weer aandacht voor Monello de haan, de grillige schoonheid van de dag (dappled beauty), Gent-Wevelgem, een glimp Urbi et Orbi, de kieviten op de akkers, een roodborsttapuit op een prikkeldraad, mijn favoriete Highlandkoeien, een verwilderde meidoornhaag in haar eerste groen.
Black Beauty
Zondagavondmelancholie kan soms het best overwonnen worden met behulp van oude beelden die niets van hun opwekkende kracht verliezen. Black Beauty! En de muziek van Denis King, die de tv-serie bekroonde. Zoveel jaren later verneem ik voor het eerst dat de rol van Black Beauty vertolkt werd door vier paarden:Tramp, Ebony, Fury en Jet. Tramp was de hoofdacteur, de anderen dankten de witte vlek op hun voorhoofd aan make-up. En Charlotte Mitchell, die de rol van de huishoudster speelde, was een dichter, zo blijkt.
Kari en Georges

Voor de nieuwe Stripgids koos ik Kari Lente als heldin. En een heldin ben je zeker, wanneer je vereeuwigd wordt met een bronzen beeld in Brasschaat!
“Kari heeft een ongewoon huisdier voor een heldin: een kater, Titus. Is een kater verhaaltechnisch wel zo’n goede keuze? Iedereen kent de gretigheid van honden om mee op avontuur te vertrekken. Amper heb je het woord “avontuur” gedacht of ze springen al tegen je op, klaar om hijgend en blaffend de wereld in te snellen. Maar katten, zelfs katers, willen die niet vooral bij de open haard liggen en op tijd en stond tournedos Rossini eten? En toch, ik ontwikkelde sympathie voor Titus, opgewekt en laconiek als hij is. ”
Voorts mooie artikels over Morris en over de kunstenaar Georges Van Raemdonck, die ik kende als portrettist en illustrator van jeugdboeken, maar niet als striptekenaar.
Sir Richard

In Antiquariaat Demian te Antwerpen vond ik een gesprek over Chateaubriand – heel zeldzaam! – en een boek met vier lezingen van Sir Richard Burton. Niet te verwarren met de acteur en, zoals de foto aantoont, mogelijk de meest viriele schrijver die ik ooit heb gezien. Sir Richard Burton vermomde zich in 1852 als derwisj om de pelgrimstocht naar Medina en Mekka te maken en zwierf in latere jaren door Somalië en Dahomey. “Ik moet nauwelijks vermelden dat de Natuur me begunstigd heeft bij het aannemen van een oosterse nationaliteit: gouden lokken en blauwe ogen, hoezeer ook op zich begerenswaardig, zouden lastige obstakels zijn bij reizen in getaand Arabië. En aan wat de Natuur begon, droeg Kunde bij door vele jaren van moeizame studie.” Als Europese die dag in dag uit omgeven is door gezoem van het commentariaat, beleef ik genoegen aan Burtons zin voor avontuur, zijn eruditie, zijn inlevingsvermogen en zijn euvele moed. Ik leer ook een en ander over historische continuïteit. Pelgrims vertrappeld in Mekka? Toen ook al. Somalische piraten? Toen ook al. De boeken van Claudius Ptolemaeus als bron van waardevolle aardrijkskundige informatie? Toen nog steeds. Het koninkrijk Dahomey aan de westkust van Afrika lijkt intussen niet meer te bestaan, maar wie weet. De koning ontleende er zijn macht onder andere aan een gevreesd leger van vrouwelijke krijgers. Misschien wilde leider Khadafi dat overdoen, nog niet zo lang geleden?
Sir Richard Burton’s Travels in Arabia and Africa. Four Lectures from a Huntington Library Manuscript, bezorgd door J. Hayman, San Marino, 1990
Het lijk in de bibliotheek
Ik kocht dit boek omwille van de sfeervolle illustratie op het omslag. En ook omdat ik me regelmatig een lijk in de bibliotheek voelde, in de laatste fase van het werken aan Bruegels biografie.
Al doende herontdekte ik Agatha Christie. Wat een schrijfster! Meestal wordt ze voorgesteld als een knutselend dametje, voorbestemd om er zo snel en zo lang mogelijk uit te zien als iemand van middelbare leeftijd. Ik ervaar iets heel anders. Een vlijmscherpe pen, een vrouw gespeend van alles wat wij onder politieke correctheid verstaan, en een opmerkelijke mensenkennis.
Gelukkig heeft ze een groot oeuvre nagelaten, zodat ik nog veel tijd in haar gezelschap kan doorbrengen.
Deze nacht droomde ik van Bruegel
Clandestien plezier, eindelijk weer eens een roman te lezen.
Een literaire roman. Een lastige roman. Een sprankelende, sarcastische roman. Een roman waarin een vrouw een roman schrijft.
Mooi dat Fernanda Botelho onderdak vond bij Actes Sud.
Ik vertaalde hieruit een stukje voor mijn boek over Bruegel.
Mooi!

Wat zijn ze charmant wanneer je ze weer eens tegenkomt, de jongedames in de schilderijen van de Meester van de Vrouwelijke Halffiguren. Foto’s ogen wat vlak, de werkelijkheid is viever. Ze zijn prachtig gekleed, ze dragen mooie juwelen, ze spelen op luit en dwarsfluit en begeleiden een vriendin die een uitdagend liedje van de Franse hofdichter Clément Marot zingt:
Jouissance vous donnerai,
Mon ami, et vous mènerai
Là où prétend votre espérance…
Onderschat ze niet, deze dames. Nog tot eind deze maand te zien in het Museum Boymans van Beuningen. Van Bosch tot Bruegel.



