Ze zitten zoet binnen te spelen met hun poppen, deze meisjes van Pieter Bruegel. Ze hebben ook een poppenwiegje. Niet het opvallendste detail van zijn beroemde schilderij, voor mij wel onvergetelijk. Net als de kinderen in het schilderij bikkelden we, speelden we verstoppertje, winkeltje, Antoinette wie heeft de bal, vlooienspel, bliezen we bellen, zwommen we en schommelden we en liepen we op stelten. In tegenstelling tot zestiende-eeuwse kinderen hadden we rolschaatsen, springtouwen, trottinettes en minifietsen. Maar we deden ook dit.Waarom? Daarom.
De nationale feestdag vierde ik voor het eerst in Brussel toen Filip koning der Belgen werd. Dit jaar leek de gelegenheid ideaal om bloemen neer te leggen op het graf van Martial Van Schelle, in maart 1943 als politieke gevangene vermoord in het concentratiekamp Breendonk. Het was stil op de begraafplaats Tir National, achter de gebouwen van de publieke omroep. Geen vlag, geen andere bezoekers, zelfs geen hovenier, alleen een vrouw die haar hond uitliet. Het rook er wel naar de rozen die nobele onbekenden op het merendeel van de graven hebben aangeplant. En wat denk je dan, bij het graf van iemand die je nooit persoonlijk hebt gekend en die je toch heeft beïnvloed? Ik stelde vast dat ik Martial Van Schelle bedankte: voor de verhalen, de zwier, de avonturen en het geluk dat hij met zijn geboortehuis in mijn leven brengt.
Een vriendin stuurde me een foto uit Saint-Malo, en maakte een mooie dag nog mooier.
“Ik was de laatste van tien kinderen. Waarschijnlijk dankten mijn vier zussen hun bestaan aan mijn vaders wens om zijn naam voort te zetten door de komst van een tweede zoon; ik was weerspannig, ik had een afkeer van het leven. … Mijn ouderlijk huis lag in een donkere, smalle straat van Saint-Malo, Jodenstraat genaamd: het huis is heden ten dage een herberg. De kamer waar mijn moeder beviel ligt boven een verlaten gedeelte van de stadsmuren, en door de vensters van die kamer ziet men de zee die zich voorbij de horizon uitstrekt en breekt op de klippen.”
Mooi, deze Matigheid uit manuscript 76. E 13, Koninklijke Bibliotheek, Den Haag. Matigheid is stipt, beteugeld, nauwlettend, haar molens malen traag maar gestaag. Ze ziet er vreemd uit, maar ze schenkt me rust. En ze heeft Bruegel geïnspireerd. Het boek waarin ze zich bevindt? Een rouwklacht bij het overlijden van Philippe de Commines, onze onvolprezen historicus uit Komen, intussen volledig geannexeerd door de Franse literaire canon. Geschreven en verlucht omstreeks 1509-1511.
Pieter Bruegel de Oude, De hooioogst (detail), verzameling Lobkowicz, Tsjechië
Als kind houd je van Bruegel omdat hij een personage was in de avonturen van Suske en Wiske (hoewel het grootste deel van je aandacht uitging naar het Spaanse spook, de schier onweerstaanbare Don Persilos y Vigoramba). Later voel je die steek van liefde weer omdat hij klaprozen schilderde, als een detail, in zijn Hooioogst, alias de maanden juni en juli. Klaprozen en een glimlach; maar daarover later meer.
Het klaproosblad van textielkunstenares Tinctory lijkt hier mooi bij te passen.
In de letterenbijlage van mijn krant lees ik deze woorden van Simon Garfield: “Ik voel me altijd verscheurd tussen enerzijds een boek dat ik belangrijk vind voor deze wereld en anderzijds een boek dat commercieel genoeg is om een mooi voorschot te krijgen en veel verkoop te genereren. (…) Het risico is dat je niet schrijft wat je echt wil omdat je een gemakkelijker financieel leven wil.”
Hij stelt het probleem scherp. En ik geef me er opeens rekenschap van dat ik altijd schrijf wat ik wil.
(Overigens, ‘je wil’? Waarom niet ‘je wilt’? In deze zin zou dat duidelijker zijn. En tweemaal hetzelfde werkwoord in een zin? Ik laat die keuze aan de vertaler, wiens/wier naam niet vermeld wordt.)
Maarten de Vos, De vierschaar van de Brabantse Munt, 1594, Antwerpen, Rockoxhuis
Een Europese staat dreigt failliet te gaan? Rubens wist meer af van dat fenomeen dan wij. Op 22 april 1627 schreef hij aan Pierre Dupuy in Parijs:
“Nu komen wij bij het onderwerp van uw brieven. Ten eerste is uw uitleg over de algemene nooddruft [Vooral de Turk heeft geen cent in reserve en de koning van China staat er niet beter voor] en armoede der heersers, niet alleen in Europa, maar in bijna heel de wereld, van groot belang. Ik heb er ontelbare keren aan gedacht, omdat het ongelooflijk lijkt dat alle christelijke vorsten tegelijkertijd in dezelfde nood verkeren, zodat niet alleen hun inkomsten met schulden beladen en verpand zijn, maar dat zij zelfs met moeite nieuwe middelen kunnen vinden om adem te blijven halen en hun kredietwaardigheid te verlengen, die reeds zo geslonken is dat haar geen lang leven meer beschoren lijkt. Gelooft u alstublieft dat ik niet schrijf uit overmoed, en dat de listen van dit hof niet voor ons, maar voor het volk bestemd zijn. Het staat onbetwijfelbaar vast dat men een nieuwe lening [maar zelfs het bedrag van twee en een half miljoen is te weinig voor onze noden] heeft afgesloten bij de bankiers van Genua en Lucca. Ik zou u kunnen schrijven over de details van de transactie, en hoeveel wij in deze stad moeten betalen, indien dat ons vak was, maar ik betwijfel niet dat u werd ingelicht na uw brief van de 16de, want een transactie die door zovele handen moet gaan kan men ontkennen noch verhullen. Met deze lening wordt het decreet geannuleerd of tenminste verschillende jaren uitgesteld. Indien ik een van die makelaars was, zou ik genoeg hebben aan de dreiging en de slag niet afwachten.
In Spanje heeft men een wel heel bijzondere methode om de nakende totale instorting van het rijk af te wenden, met los quartos de billion, waarbij de munt voor driekwart van zijn waarde wordt gedevalueerd, met de belofte dat de eigenaars in vier jaar zullen worden vergoed voor de gehele waarde. Ik kan dit moeilijk geloven [toch neemt men het voor waar aan] en om de waarheid te zeggen heb ik ook de afkondiging nog niet gezien. Maar om terug te keren naar de armoede van de vorsten, ik kan mij niet anders voorstellen dan dat de rijkdommen van de wereld zich in de handen van particulieren bevinden en dat dit de openbare armoede veroorzaakt, zoals ook de breedste stroom droogvalt wanneer hij zich opsplitst in vele riviertjes. Daarbij, het economische systeem van bijna alle heersers is zo slecht en de wanorde zo groot dat men moeilijk iets kan verbeteren. Een koopman of gelijk welke huisvader wiens financiën eenmaal in wanorde zijn geraakt, geraakt daar zelden nog uit, maar bezwijkt onder het gewicht van zijn schulden en eindigt geruïneerd, want naarmate zijn krediet daalt, neemt de interest toe. Weliswaar hebben de vroegere decreten van de koning van Spanje, door de rente te beperken, die monarchie enigszins in leven gehouden, omdat men 30 tot 40 percent rente aanrekende, en meer in tijden van nood. [Zelfs een rente van vijf procent resulteert in een ongelooflijk bedrag.]”
P.P. Rubens, Brieven, samengesteld door L. Huet, Antwerpen, 2015, p. 170-171.
Het prentje: rechtspraak in de Brabantse Munt, zeg maar de Nationale Bank van Brabant. We zien onder meer Vrouwe Justitia en Mozes met de Tafelen der Wet.
“Op de 18de juni 1815, tegen de middag, verliet ik Gent langs de Brusselse poort; ik ging alleen wandelen op de steenweg. Ik had de Commentaren van Caesar meegenomen en ik vorderde traag, verdiept in mijn lectuur. De stad lag al een mijl achter me toen ik een dof gedruis meende te horen. Ik bleef staan, keek naar de bewolkte lucht, overwoog of ik verder zou gaan dan wel terugkeren naar Gent uit vrees voor het onweer. Ik spitste mijn oren; ik hoorde enkel de kreet van een waterkieken tussen het riet en het luiden van een dorpsklok. Ik vervolgde mijn weg; na nog geen dertig stappen herbegon het gedruis, nu eens kort, dan weer lang, en met ongelijke intervallen; soms slechts merkbaar aan het trillen van de lucht, dat zich voortzette in de aarde van die onmetelijke vlakten, zo ver was het verwijderd. Deze donderslagen, minder luid, minder golvend, minder samenhangend dan die van een onweer, deden me denken aan een gevecht. Ik zag een populier aan de rand van een veld met hop. Ik stak de weg over en leunde tegen de stam, met mijn gezicht in de richting van Brussel gewend. De zuidenwind wakkerde aan en en droeg nu duidelijker het geluid van de artillerie. Die grote, nog naamloze strijd, waarvan ik de echo’s opving aan de voet van een populier, en waarvoor een dorpskerk de doodsklok luidde, was de slag van Waterloo!”
Opnieuw bevond François-René de Chateaubriand zich ver van de plaats waar de zaken werkelijk werden beslist. “Omdat de hemel u neergooit waar hij wil.”
Weken, zelfs maanden voorbereiding. Schuren, schaven, schilderen; wieden, hakken, rijven; schrijnwerker, loodgieter, traiteur, leveranciers, kleren, bloemen, buren die komen paleren en palaveren. En dan een paar heel mooie uren.