Ridder in landschap

N.C. Wyeth, De Groene Ridder, in ‘Boy’s King Arthur’, 1917.

N. C. Wyeth heeft schitterende illustraties ontworpen bij de Arthur-cyclus, zo ontdek ik via het internet, en ik stel vast dat ik afgunstig ben op de jeugdige lezers die in 1917 een exemplaar kregen van Boy’s King Arthur, een bewerking van Sir Thomas Malory’s versie van de Arthurlegende. Men hoort het droge gras bijna knisperen, en de zon schijnt op de pagina.

Myrddin

Kaart van Merlijns territorium (N. Tolstoy)

Een beetje onverwacht, dat ik uitgerekend dankzij Nikolai Tolstoy die kinderlijk intense sensatie herbeleef: helemaal opgaan in een geschiedenisboek. Want ik bekommer me doorgaans niet veel om de Kelten, of de zesde eeuw n.C. in Engeland, of de druïden, of de Welshe literatuur. Maar het is ronduit verrukkelijk om een historicus die standaardwerken heeft geschreven over de naweeën van de Tweede Wereldoorlog te volgen wanneer hij zijn andere passie uitleeft: de figuur van Merlijn/Myrddin in de middeleeuwse letteren en in de Britse mentaliteit. ‘Volgen’ mag de lezer letterlijk nemen: Tolstoy tuft door het Schotse landschap, geleid door de legenden omtrent Merlijn en hij identificeert de plaats waar in 573 de veldslag van Arderydd plaatsvond en de berg met de bron waar de waanzinnig geworden bard/druïde/profeet zich na die slag zou hebben teruggetrokken: Hart Fell. ‘Guaul’ staat voor the Wall, de muur van Hadrianus, Cair Ligualid is Carlisle. De god Lug en de wilde jacht zijn al behandeld, nu naderen de bladzijden waarop de verzen van de barden Taliesin en Aneirin aan bod komen. Die prachtige verzen waarin de spreker voortdurend van gedaante verandert: “Ik had vele vormen voordat ik werd bevrijd: / Ik was een slank betoverd zwaard / Ik was regendruppels in de lucht, ik was licht van een ster / Ik was een woord in letters, een boek in oorsprong / ik was lantarens van licht voor anderhalf jaar / Ik was een brug die zich uitstrekte over zestig mondingen; / ik was een weg, een adelaar, een bootje op zee.” Ik weet niet waarom ik die poëzie zo krachtig vind, maar ze mist haar effect niet.

“In de koningshal heersen warmte en gelach, kameraadschap, poëzie en liederen. Terwijl regenwolken aanstormen van de zee van Rheged en de wind huilt over de besneeuwde hoogten van het Coed Celyddon, neemt Myrddin zijn plaats in aan het einde van het rustbed. Dienaren leggen enorme houtblokken in het vlammende haardvuur, en de geur van gebraden varkensvlees stijgt op uit de ketel. Laat de regen roffelen op het leistenen dak en tegen de stevige muren: de mede is in de hoorn en de harten zijn vrolijk.”

Nikolai Tolstoy, The Quest for Merlin, Boston-Toronto, 1985, p. 42; p. 136-137.

Patroon

Een reus helpt Merlijn om Stonehenge te bouwen (Egerton 3028 fol. 30 r, British Library)

“Geoffroy van Monmouth schrijft: ‘Toen Merlijn deze en vele andere dingen profeteerde, bewonderden alle aanwezigen hem om de dubbelzinnigheid van zijn woorden.’ Of, zoals een latere Britse versie het koddig verwoordt: ‘hij begon … zo mistig te spreken …’ Die vaagheid maakte van zijn voorspellingen een goudmijn voor mensen die iets wilden weten over de in alle andere opzichten ondoorgrondelijke toekomst. Daar was niets vreemds aan. God had de loop van het menselijk bestaan vooraf bepaald, en het zou best kunnen dat een uitzonderlijk begiftigde ziener de macht kreeg om op voorhand glimpen van het zich ontvouwende patroon op te vangen. Onze eigen tijd is maar een fractie sceptischer, zo lijkt het. Een jaar of wat geleden wekte een heruitgave van de profetieën van Nostradamus een golf van buitengewoon enthousiasme in het verfijnde Frankrijk, en op een ander niveau is het historisch determinisme van Karl Marx wellicht een meer intellectuele poging om ditzelfde mysterie te doorgronden.”

Nikolai Tolstoy, The Quest for Merlin, Boston-Toronto, 1985, p. 7.

Van Errol naar Flora

Bekijkt men tijdens het weekeinde een film met Errol Flynn, dan levert dit nostalgisch amusement op, want Errol blijft very dashing indeed en kan als weinig anderen overweg met floret, cape, bepluimde hoed en laarzen tot over de knie. Wat ik echter niet verwachtte, was dat ik in een film met Flynn een wonderlijke Britse actrice zou ontdekken, die met haar charme en humor iedereen van de scène speelt. In The Sea Hawk vertolkt Flora Robson met heerlijke flair de rol van koningin Elizabeth I. Uiteindelijk hield zij me aan het scherm gekluisterd, veel meer dan de luimige piraten en de clichés over geschiedenis dat deden. Mooi, om naast al die zeemzoete leading ladies en love interests voor Errol een brok puur talent in actie te zien. Achter de schermen werkten ook briljante kostuumontwerpers – ziet u in de bovenste foto de grote parel die ter hoogte van de elleboog aan de mouw van de vorstin bungelt? Vermoedelijk hét visuele detail dat me van deze uren zal bijblijven.

De decorbouwers sloegen er echter gewoon een slag naar, of misschien was het geld op toen hun departement aan de beurt kwam. Geen enkel paleis uit die tijd had kale witte muren. Alleen kloosters hadden dat, als teken van armoede. Maar kloosters waren nu net afgeschaft in Engeland.

Gezond

Prima kookboek

Goed. Iets nuttigs. Iets waar u, dierbare lezer, wat aan heeft. Een recept voor een gezonde drank. Als u hem vandaag bereidt, is hij klaar tegen de herfst.
Uit dat prima kookboek van Toulouse-Lautrec. Treft u het aan in een tweedehandsboekhandel, koop het gerust. Stevige kost voor durvers.

Porto à l’ail, Porto met knoflook. Uitstekend tegen chronische bronchitis, verkoudheden, u weet wel.

Koop een fles goede tot zeer goede porto. Schenk uzelf en iemand anders een glaasje uit, om plaats te maken in de fles.

Hak ongeveer 500 gram knoflooktenen in stukken en laat ze door de flessenhals  glijden. Klaar. Opnieuw afsluiten en twintig dagen laten trekken.

Begin met een half likeurglas ’s avonds (net voor uw soep, aldus het kookboek) en bouw geleidelijk op tot een of twee likeurglazen per avond. Een volstaat wel, wat mij betreft. Uitgeprobeerd en goed bevonden.

Porto à l’ail, in J.-B. Naudin, G. Diego-Dortignac, A. Daguin, Toulouse-Lautrec’s Table, New York, 1993, p. 181.

Ambtelijk

Ik heb een bijzondere band met Cultureel Centrum De Warande. Deze Turnhoutse instelling is namelijk twee keer opgetreden als mijn uitgever: de eerste keer in 2002, toen zij een boekje bij me bestelde over onverwachte schrijvers in haar stad, de tweede keer dit jaar, toen zij een bibliofiel werkje liet uitgeven met tekeningen van Anne-Mie Van Kerckhoven en verhalen van mij, als onderdeel van het kunstenparcours Tweespoor.

Dat een cultureel centrum zich op een originele  manier met literatuur inlaat en niet enkel de schaarse literaire theaterprogramma’s boekt, juich ik volmondig toe. Dit voorbeeld biedt mogelijkheden en verdient navolging. Wat me echter bij elke gelegenheid heeft verbaasd, is de nazorg voor die literaire productie. In 2003 vernam ik dat de verkoop van het eerste boek –Turnhout. Onverwachte schrijvers in een kleine stad – niet bijster vlot liep. Geen wonder, want het boek was nergens in de inkomhal van het cultureel centrum  te zien, stond daar nergens vermeld op een affiche of wat dan ook (dit in tegenstelling tot menige allang vergeten theatervoorstelling). Hoe konden bezoekers dan weten dat De Warande een interessant  literair-heemkundig boek had besteld bij een auteur en het nu aanbood? Zelfs in de uitstekende uitleenbibliotheek  van het cultureel centrum werd nergens promotie gemaakt voor deze eigen publicatie. Ik vernam ten slotte dat er een stapel dozen met onverkochte exemplaren in de kelder was weggezet. En daarna kreeg ik telefoons van mensen die me vroegen of zij bij mij een exemplaar van dit boek konden kopen: ze hadden naar De Warande gebeld en daar was hun verteld dat De Warande het niet meer kon leveren. Kafkaiaans, en bovendien niet getuigend van een gezonde hang naar return on investment.

Gisteren vernam ik weer zoiets: onafhankelijke boekhandel ’t Verschil in Antwerpen had geprobeerd om bij De Warande een exemplaar van het mooi vormgegeven Sacra Conversazione | Heiligen en begijnen te bestellen. De e-mail bleef gewoon onbeantwoord.  Wat een verspilling, denk ik dan. Mits goede promotie en opvolging zou De Warande iets aan dit eigen initiatief kunnen verdienen, in elk geval de kostprijs dempen. Of denkt men daar niet aan, wanneer men vastbenoemd ambtenaar is en zorgeloos aan welige subsidiestromen leeft?

(Update: een van de organisatrices van kunstenparcours Tweespoor heeft de voorliggende kwestie ter harte genomen. Dank, Sarah R.!)

La culture physique

Van Schelle vous présente (Galeries Royales Saint-Hubert)

La culture physique développe, entretient, conserve. En dus speelden we badminton op het gras, terwijl de vleermuizen rond onze hoofden zoefden, in het licht van de rijzende maan.

Zonder extenseurs of développeurs, maar wel in souliers de gymnastique.

Nepdiamant

Gouden ring met diamant, zestiende eeuw (The Walters Art Museum, Baltimore)

“De reuzen droegen koning Anarche op hun nek mee zoals Aeneas zijn vader Anchises uit het brandende Troje redde.” Voor ons een vergezochte vergelijking; voor een lezer of toehoorder uit de zestiende eeuw, toen letterlijk alles voortdurend aan voorbeelden uit de oudheid en de Bijbel werd gelinkt, waarschijnlijk een prima kleine grap in een boek vol reuzengrappen – Rabelais’ Pantagruel. Al lezend word ik heen en weer geslingerd tussen ergernis en verwondering – geen aspect van het leven in de zestiende eeuw blijft onbehandeld in dit brallerige, zwetsende epos.

Tja, dit raadseltje beviel me wel, al zou ik het niet willen vertalen. Pantagruel trekt ten strijde en ontvangt onderweg een brief van een dame. De brief blijkt onbeschreven te zijn, maar bij het papier zit wel een gouden ring met een diamant. Pantagruels kompaan Panurge onderzoekt eerst of er onzichtbare inkt gebruikt is voor een bericht – bijvoorbeeld sap van uien, paddenbloed of ravengal. Vervolgens bestudeert hij de ring en ontdekt de inscriptie: lama hazabthani. De laatste woorden van Christus aan het kruis (in het Hebreeuws, niet het oorspronkelijke Aramees): Waarom hebt gij mij verlaten? Dan doorgrondt Panurge de cryptische boodschap. “Ik begrijp het geval, ziet u deze diamant? c’est un dyamant faulx. Telle est donc l’exposition de ce que veult dire la dame: Dy amant faulx: pourquoy me as tu laissée?

Rabelais, Oeuvres complètes, (Bibliothèque de la Pléiade, 15), Parijs, 2009, p. 301.