Lucian Freud die bloemen schilderde op de wanden van een badkamer in Chatsworth House, waar de butler zorgvuldig zijn penselen en tubes bewaarde. Lucian Freud als jonge man in een zeemanstrui, met een roofvogel op zijn schouder. Lucian Freud die elke dag werkte en van plan was zichzelf “dood te schilderen”. Men hoopt dat die wens vervuld werd.
Britse schilders zijn decennialang minder bang geweest van de schilderkunst dan de onze. Daar bewonder ik hen om. Freud, met zijn groezelige portretten, stelde de zenuwen van conceptuele critici nog het meest op de proef. Al die verf voor een paar individuele tronies en lijven, waar was dat goed voor? Portretkunst, was dat niet iets elitairs uit een vervlogen tijdperk?
Heemkundige Dan Van Herpe bezorgde ons enkele DVD’s over de Kolonie van Merksplas en al de gebouwen die de Belgische staat daar aan het einde van de negentiende eeuw als een zorgzame huisvader optrok: de grote en kleine boerderij, de werkhuizen, een kade met eigen spoorlijntje, en deze bijzondere kerk in neo-byzantijnse stijl met elegant gietijzeren gebinte en vooruitstrevende lichtstraat. Architect was Victor Besme, in Brussel ook bekend als “de Hausmann van Leopold II”. Ik schreef al over hem in Mijn België. De DVD’s maakten wel duidelijk dat de Belgische staat sinds de tweede helft van de twintigste eeuw elke esthetisch samenhangende visie is kwijtgespeeld. Aangezien ik ben opgegroeid in een huis ontworpen door Besme, naar een schooltje ging dat Besme uittekende en zelfs (zo vernam ik vandaag) gedoopt ben in deze kerk van Besme, stelde ik me voor wat de geest van Besme zou voelen indien hij naar deze plaats terugkeerde. Dat er iets van zijn architectonische verwezenlijkingen bewaard bleef, is zeker niet meer aan de bemoeienissen van de Belgische staat te danken, maar aan de inzet van de plaatselijke heemkundigen en vrijwilligers. Toch blijft het vreemd, wanneer je gewone dagelijkse leven in een onderwerp van heemkunde verandert. Het gebeurt gaandeweg.
Beer in de Kronieken van Jean Froissart, Parijs, BNF
Wie de Kronieken van Jean Froissart leest, betreedt een vreemde wereld. Mensen in de veertiende eeuw hanteerden vaak wel dezelfde begrippen als wij – eer, vriendschap, loyauteit, huwelijk – maar ze gaven er een iets andere interpretatie aan. Tijdens zijn reis naar Béarn hoorde Froissart het verhaal over de scheiding van ridder Pierre de Berne, die voortkwam uit het feit dat de ridder elke nacht slaapwandelde, of slaapvocht. Hij stond op, greep naar zijn wapens en ging tekeer alsof hij door tien mannen overvallen werd. Wanneer zijn bedienden hem wakker maakten, herinnerde hij zich niets.
“De eerste keer dat men dit merkte, was in de nacht die volgde op de dag waarop hij in de bossen van Biscaye met honden had gejaagd op een reusachtige beer. Die beer had vier honden gedood en er meerdere verwond, zodat alle andere bang van hem waren. Toen nam heer Pierre de Berne een zwaard van Bordeaux dat hij bij zich had, en viel woedend, omwille van zijn dode honden die hij zag, de beer aan; en daar vocht hij lange tijd met hem, op groot gevaar van lijf en leden, en het kostte hem een enorme inspanning om hem te overwinnen. Uiteindelijk doodde hij hem en keerde hij terug naar zijn verblijf in zijn kasteel van Languedendon in Biscaye, en hij liet de beer met zich meevoeren. Allen verbaasden zich over de grootte van het beest en de moed van de ridder, dat hij hem had durven aanvallen en had verslagen.
Toen zijn vrouw, de gravin van Biscaye, hem zag, viel ze flauw en scheen ze grote pijn te lijden. Haar bedienden namen haar op en brachten haar naar haar kamer. Die dag en de volgende nacht en de volgende dag leed zij hevig, en ze wilde niet zeggen wat er was. Op de derde dag zei ze tegen haar man: “Mijn heer, ik zal nooit meer gezond zijn totdat ik op bedevaart ben gegaan naar Sint-Jacob. Geef mij verlof erheen te gaan en mijn zoon Pierre en mijn dochter Andrienne mee te nemen. Ik verzoek het u.” Heer Pierre gaf haar te lichtvaardig zijn toestemming. De dame vertrok in staatsie, en nam en voerde haar schat met zich mee, goud en zilver en juwelen, want ze wist goed dat ze niet meer zou terugkomen; maar men sloeg er geen acht op. Hoedanook maakte de dame haar reis en bedevaart; en ze besloot om de koning van Castilië, haar neef, en de koningin te gaan bezoeken. Men ontving haar goed. Ze is daar nog, en ze wil niet terugkeren of haar kinderen terugsturen. En ik zeg u dat zij dit idee kreeg in de nacht zelf na de dag dat heer Pierre op de beer had gejaagd en hem had gedood, terwijl hij in zijn bed sliep. Sommigen zeggen dat de dame dit al wist zodra zij de beer zag, en dat haar vader ooit op die beer had gejaagd, en dat tijdens die jacht een stem tot hem sprak, hoewel hij niemand zag: ‘Je jaagt op me, toch wil ik jou geen kwaad, maar je zult een kwade dood sterven.’ De dame herinnerde zich dat, toen ze de beer zag, omdat ze haar vader dit had horen vertellen, en ze wist ook dat de koning Dam Piètre haar vader had laten onthoofden zonder reden; en daarom viel ze flauw; en daarom zal ze nooit meer van haar man houden.”
De verteller vraagt Froissart wat hij hiervan vindt; en de geleerde klerk vergast het gezelschap dan op de mythe van Diana en Actaeon, ook een jacht met tragische gevolgen. “‘Zoiets kan er ook gebeurd zijn met de beer waarover u mij heeft verteld, of dat de dame iets weet of wist waar ze nu niet over spreekt. Dus moet men haar voor verontschuldigd houden.’ De jonker antwoordde: ‘Het kan zijn.’ Aldus beëindigden wij ons verhaal.” Toch weer net even anders, die huwelijksproblemen in de middeleeuwen.
Froissart, in Historiens et chroniqueurs du Moyen Age, (Bibliothèque de la Pléiade, 48), 2005, p. 541-542. Vertaald door LH.
Misschien is het de grijze hemel van de laatste week die het verlangen opwekt naar gele jurken? De zachtgele japon van Rosine, vereeuwigd door haar echtgenoot, of dit meer criante hedendaagse rococo-exemplaar, decadent vergezeld van gouden nagellak – men is marquise of men is het niet. Wel een mooie kleurtheoretische toets, het kleine paarse lint tussen de gepoederde lokken. (Een gele jurk speelt, als ik me goed herinner, ook een rol in dat wrede boek, La Princesse de Clèves. En in Madame Bovary.)
Klassieke voorstelling van de Zondvloed, Michelangelo
Carel van Mander vertelt deze anekdote over de Mechelse schilder Gregorius Beerings (1525/26-1573), van wie geen werken bewaard lijken te zijn: “Toen hij in Rome was en zijn geld opgemaakt had, schilderde hij om snel aan geld te komen op linnen een Zondvloed met niets dan een regenlucht en water met de ark, zonder dat men één enkel mensch zag. Toen men hem vroeg wat dit doek voorstelde en hij antwoordde: ‘De Zondvloed’, volgde de vraag: ‘Waar zijn dan de menschen?’ Hij zei dat ze allemaal verdronken waren en men de lijken zou zien als het water weggezakt was; de overlevenden waren in de ark. Bijna iedereen wilde nu zo’n zondvloed hebben. En daar zulke stukken gauw klaar waren, kwam hij weer goed in zijn geld te zitten.”
Zo te zien ook geen stralend weer, op de voorstelling van juli in de Très Riches Heures, maar toch nog een diepblauwe hemel, een mooi driehoekig kasteel uit de rijke immobiliëncataloog van de hertog van Berry (met een interessante houten voetbrug), knotwilgen en riet, en landlieden die “koren pikken” en schapen scheren.
Ik gebruik de uitdrukking “koren pikken” omdat ik ze van mijn vader hoorde. In het dorp waar ik opgroeide, wordt er in juli nog steeds koren gepikt of geoogst om te gebruiken als dakbedekking voor de kerststal in december. Waar die akkers met koren zich echter bevinden, weet ik niet, noch of men aan de randen ervan korenbloemen kan aantreffen. Het is werkelijk jaren geleden dat ik korenbloemen in het wild zag. De Beierse bermen pronkten vorige week nog met prachtige lichtblauwe bloemen, die enigzins aan korenbloemen deden denken. Dat waren chicoreibloemen, leerde een vriend me; hij had ze sinds zijn kindertijd ook niet meer in België gezien.
“Ik bleef kalm tegenover de troep jakhalzen van de pers vandaag. Zijn er mannen door uw toedoen gestorven? Jawel schatje, volkomen weggezwijmeld. Maar nee, nee, ik was uitmuntend, al zeg ik het dan zelf. Koel, droog, evenwichtig, volmaakt stoïcijns: Coriolanus tegen de generaal. Ik ben een groot acteur, dat is het geheim van mijn succes (Moet niet elkeen die de massa wil bewegen een acteur zijn die zichzelf vertolkt? – Nietzsche). Ik kleedde me perfect voor mijn rol: oud maar goed pied-de-poule colbert, hemd van Jermyn Street en das van Charvet – rood, alleen om ondeugend te zijn – , corduroy broek, sokken met de kleur en textuur van havermoutpap, dat paar versleten bordeelsluipers dat ik in geen dertig jaar heb gedragen. […] Ik meen dat het een goede strategische zet van me was om de lieden van de pers in mijn fraaie woonst te ontvangen. Ze drumden bijna schaapachtig naar binnen, elkaars notaboekjes verdringend en de camera’s ter bescherming boven hun hoofd houdend. Nogal ontroerend, eigenlijk: zo gretig, zo onhandig. Ik voelde me alsof ik terug in het Instituut stond, klaar om een lezing te geven. Sluit u de gordijnen alstublieft Miss Twinset? En Twijg, zet het apparaat maar aan. Dia 1: De Judaskus.”
Tijdens de trip naar Beieren reisde het standaardwerk van Anthony Blunt, Baroque and Rococo, mee op de achterbank, voor consultatie aangaande Johann Dientzenhofer met zijn ‘windscheve bogen’ en Balthasar Neumann met zijn overlappende ovalen. Blunt schreef een monografie over zijn favoriete zeventiende-eeuwse kunstenaar, Nicolas Poussin, en hij leverde ook verplichte lectuur voor onze opleiding, het handige overzichtje Artistic Theory in Italy 1450-1600. Hij leek een van die onovertroffen, dorre Britse kunsthistorici met grootscheepse carrières (conservator van de collectie van de koningin, onder andere), tot onze prof terloops vermeldde dat hij ontmaskerd was als spion voor de Russen in de jaren tachtig. Zo vingen we voor het eerst iets bijzonders op over dat enorme schandaal van de Britse inlichtingendiensten, The Cambridge Five. Vijf jongemannen uit de hogere kringen, allen aan de universiteit gerecruteerd voor de KGB in de jaren 1930. Philby, Burgess, MacLean, X – en Blunt. Ter compensatie nam ik de schitterende roman van John Banville met me mee, The Untouchable, gebaseerd op Blunts wedervaren. De auteur slaagt er beklemmend goed in om de emotionele kilte van Blunt in je botten te doen doordringen – ‘spion’ kan spannend klinken, maar door zijn verraad zijn er mensen gestorven. Een man met een schilderij van Poussin op de plaats waar een hart hoort te zitten?
John Banville, The Untouchable, Picador, 1998, p. 7-8. (vertaald door LH)