Strijdlust

Uccello, Portret van John Hawkwood, Florence, Dom

“En de krijgers zegden: ‘Laten we welgemoed naar die Lombarden rijden: we hebben een goede reden om te vechten en een rechtvaardige, goede aanvoerder, onze oorlog zal er meer waard door zijn en des te mooier van worden. En we gaan ook naar het rijkste land ter wereld, want Lombardije ontvangt langs alle kanten de rijkdommen van deze wereld. De Lombarden zijn van nature rijk en laf; wij zullen daar profijt uit halen. Ieder van ons die kapitein is zal zo rijk terugkomen dat wij nooit meer zullen hoeven te vechten.’ Zo spraken de krijgers met elkaar; en toen ze vette weiden vonden, bleven ze daar een tijd, om zichzelf en hun paarden beter te helpen.”

Dit soort opgewekte strijdlust vindt men misschien alleen nog in middeleeuwse geschriften. Mafia-“eer” of gang culture vervangen haar niet.

De bladzijden van mijn Froissart brengen me onverwachte ontmoetingen: nu kom ik plotseling weer John Hawkwood tegen, alias Giovanni Acuto, de beruchte militieleider, aan kunsthistorici bekend door zijn geschilderde ruiterportret in de Dom van Florence. Hij wilde een bronzen ruiterstandbeeld, maar de Florentijnen hebben zich er na zijn dood vanaf gemaakt met een versie in verf, weliswaar in hun mooiste kerk, weliswaar van de hand van meester Uccello. Bestaat er nog een andere band tussen Hawkwood en mij? Wel, we leven allebei free-lance: het woord werd eerst gebruikt voor krijgers die zich in de Honderdjarige Oorlog nu eens ten dienste stelden van de ene, dan weer van de andere.

De vriendelijke waard van het stationsbuffet in Lier keek over mijn schouder naar wat ik las. “Ik dacht dat het de Bijbel was, ” lachte hij. Inderdaad, zo’n Pléiade-uitgave wordt op gelijkaardig papier gedrukt.

Vrome boom

Kapelletje, Diepte, Merksplas (foto ca. 1950)

Stel: een Kempenaar koopt een afgelegen, vervallen huis, uitgerekend in de jaren dat elke andere Vlaming zich in een verkaveling vestigt. Bij dat huis hoort sinds mensenheugenis een kapelletje, gebouwd naast  de ingang van de tuin en toegewijd aan de Ster der Zee. Waarom Stella Maris? Omdat de bouwheer, als vertegenwoordiger van het Belgische Rode Kruis, in de jaren 1890-1900 vaak de oceaan op en over moest? Omdat zijn Amerikaanse echtgenote op 7 mei 1915 de Duitse aanval op het passagierschip Lusitania  overleefde – helaas niet voor lang? Feit is dat er toen een Noord-Amerikaanse boom bij het kapelletje werd geplant, een robinia pseudo-acacia, die intussen de omvang van 240 cm heeft bereikt.

De enige zoon van dit echtpaar, Martial Van Schelle, werd meervoudig Belgisch zwemkampioen, nam deel aan de Olympische Spelen in Antwerpen in 1920 en stierf als verzetsheld in het folterkamp Breendonk in 1943.

Van Schelle inspireert al drie generaties van mijn familie. En dus vul ik nu netjes de folder “Vrome Bomen” in, om deze ietwat exotische acacia zijn plaats te geven in de rangen van vrome inheemse eiken, lindes en meidoorns.

(Vrome bomen, een erfgoedproject van de Provincie Antwerpen)

Zwemmen in de Juine

Augustus in de Très Riches Heures van de hertog van Berry

Voor de weergave van de maand augustus kozen de gebroeders Van Limburg een tafereel uit bij een favoriete verblijfplaats van hun opdrachtgever, in Etampes. Van deze prachtige burcht blijft niets over dan de centrale toren, de Tour Guinette. Toen de dichter Charles d’Orléans trouwde met een kleindochter van de hertog, kreeg hij deze burcht ten geschenke.

Edellieden rijden uit op valkenjacht, vergezeld door een valkenier en twee honden. Augustus is niet de maand waarin ik, gehuld in lange, nauwsluitende gewaden van fluweel en kant, een duursport zou willen beoefenen op de rug van een dampend paard; de boerin die haar blauwe jurk uittrekt op de oever en het frisse water van het riviertje de Juine in glijdt, is er mijns inziens heel wat beter aan toe. Achter haar bindt men koren in schoven en laadt men het op een wagen.

Jean Froissart, onze Henegouwse kroniekschrijver die nagenoeg volledig geannexeerd is door de Franse literatuur, heeft heel wat interessante zaken te vertellen over de hertog aan wie we deze magnifieke bladzijden – het getijdenboekje is intussen misschien een van de beroemdste kunstwerken ter wereld – danken. “Hij overlegde met de meester van zijn beeldhouwers en schilders, meester Andrieu Beau-Neveu, om nieuwe beelden en schilderingen te maken; want hij hield ervan om steeds nieuwe werken te bedenken en te bestellen; en hij was aan het juiste adres, want die meester Andrieu over wie ik spreek kende zijn gelijke niet, noch was er iemand van wie zoveel mooi werk overbleef in Frankrijk of in Henegouwen, waaruit hij afkomstig was, en in het koninkrijk Engeland.” De gebroeders Van Limburg namen rond de eeuwwisseling de penselen van Beauneveu over. Noordelijke kunstenaars bloeiend onder Frans mecenaat, stel u voor!

J. Froissart, Les Chroniques, in Historiens et chroniqueurs du Moyen Age, (Pléiade, 48), 2005, p. 743 (vertaald door LH).

Le prime

Le prime more

Waarom bestaan we eigenlijk? Ook om die paar zomerwandelingen op sandalen of espadrilles, een beetje verveeld, geplaagd door lome vliegen of dazerikken, en dan die glans langs de kant van de weg, tussen de gekartelde bladeren en de stekels,  een paar rijpe en halfrijpe bramen, sommigen met een stukje spinnenweb eraan, hop – de smaak.

Foto via 7 heures du mat.

Silentium

(In Het hart van de schorpioen stuit ik op een taalwondertje:)

RUSSISCH: Je leert Cyrillisch lezen, maakt een Assimil door, komt tot het besluit dat deze taal te moeilijk voor je is. Als de NRC een vertaalwedstrijd uitschrijft, kan je dankzij een woordenboek toch het gedicht van Tsjoettsjev ontcijferen en word je eervol tweede.

SILENTIUM

Maak geen gerucht, wees stil en hou

Al wat je voelt en droomt voor jou.

Laat het uit zielengrond ontstaan

En sprakeloos ten onder gaan

Zoals de sterren in de lucht:

Geniet het – en maak geen gerucht.

 

Hoe kan een hart ooit opengaan?

Hoe kan een ander jou verstaan?

Begrijpt hij wel wat jou bezielt?

Gedachte wordt door taal vernield;

Een bron vertroebelt bij een zucht:

Drink water – en maak geen gerucht.

 

Leef in je eigen ziel het meest,

Er ligt een wereld in je geest,

Een geheimzinnig toverwoord

Dat door de drukte wordt verstoord

En voor de zonnestralen vlucht:

Hoor ’t zingen – en maak geen gerucht!…

Paul Claes, Het hart van de schorpioen, Amsterdam, 2002, p. 92-93.

Hier kunt u de Engelse vertaling van dit klassieke Russische gedicht door Vladimir Nabokov beluisteren. En mocht u Fedor Tsjoettsjev internationaal willen googlen, de Engelse schrijfwijze van zijn naam is Fyodor Ivanovich Tyutschev.

 

Laatste zomerdagen

Ik kreeg een boek “voor mijn kermis”. Deze ouderwetse omschrijving beviel me. Geen spekken, schietkraam of vliegtuigjes, maar een autobiografie van een Vlaams auteur, getooid met de slimme benaming Roman. Paul Claes (“Je houdt van schuilnamen. Je geliefde schuilnaam is Paul Claes.”) schreef met Het hart van de schorpioen een beknopt thematisch woordenboek van een leven, waarin alle lemmata meesterlijk door elkaar zijn geschud en de lezer van de ene verrassing naar de andere voeren. Benamingen voor soorten snoep, geliefde strips, raadsels, spelletjes, talen geleerd met behulp van Assimilboekjes. De beknoptheid – een eigenschap die in autobiografieën niet genoeg kan worden geprezen –  is die van mozaïeksteentjes: men vindt kleine, krachtige fragmenten, die vaak licht en glans vangen, en samen, gezien van op het juiste punt in de verte, een beeld vormen.

Wellicht worstelen alleen jonge schrijvers met vragen als deze: “What would you rather be, happy or Hölderlin? (Theodore Roethke)”.

Paul Claes, Het hart van de schorpioen, Amsterdam, 2002.

Lais

Wonderlijke verhalen

De Lais van Marie de France is misschien wel het prettigste boek dat ik deze zomer zal lezen. Marie, de allereerste schrijfster in het Frans, vertelt laconiek haar kleine magisch-realistische verhalen: een valk landt op de vensterbank van een torenkamer waarin een jonkvrouw zit opgesloten en verandert vervolgens in een man; een fee schenkt een arme ridder haar liefde; een andere ridder verandert in een weerwolf; twee gescheiden geliefden houden contact met elkaar door middel van brieven, verstopt in het verendek van een zwaan (cygne/signe, nietwaar?); Tristan gebruikt kamperfoelie en hazelaar als codetaal voor Isolde; de tweelingzussen Es en Hazelaar trouwen met dezelfde man; een voorloopster van Doornroosje slaapt in een kapel in het woud. Dus hier luisterden edelvrouwen, ridders en baronnen naar tijdens avonden aan het hof? Mooi. Men beleeft zelden zoveel ongedwongen plezier tijdens het lezen van werken uit de literaire canon.

Een staaltje van Maries bedrieglijk eenvoudige toon: “In Bretagne, in Nantes, leefde een dame die bijzonder mooi, verstandig en gracieus was. Elke verdienstelijke ridder in het land werd meteen verliefd op haar zodra hij haar gezien had, en vroeg haar om haar liefde. Zij kon hen niet allemaal beminnen, maar wilde ook niet hun dood veroorzaken. Het is voor een man gemakkelijker alle vrouwen in het land het hof te maken dan het voor een vrouw is om één gek op afstand te houden, want dat zet meteen kwaad bloed. Als de vrouw aan allen tegemoetkomt, zullen ze haar allemaal dankbaar zijn. En mocht ze daar niet van willen weten, dan moet ze hen niet beledigen maar met hoofse eerbied behandelen en hun dankbaar zijn. De dame over wie ik wil vertellen en die vanwege haar schoonheid en waarde door zovele mannen werd aanbeden, hield zich dag en nacht met deze kwestie bezig.” Ik zie haar al zitten piekeren, de arme.

Marie de France, De Lais. Liefdessprookjes uit de twaalfde eeuw, vertaald door P. Verhuyck en C. Kisling, Amsterdam, 2009, p. 87.

Business as usual?

Rellen in de steden. De boekhandel Waterstones wordt niet geplunderd, de omliggende handelszaken wel. Wat als Groot-Brittannië een armoedige jeugd had die het recht op beter onderwijs eiste door wèl boekhandels te plunderen?  Tienerjongens slepen GSM’s, sportschoenen en plasma-tv’s mee, tienermeisjes kleren uit H&M. Ik heb het nieuws van de afgelopen dagen gevolgd op de websites van The Guardian en de BBC en de verwarring gevoeld: de ene commentator wijt deze gebeurtenissen aan gebroken gezinnen en het ontbreken van ouderlijk gezag, de andere aan werkloosheid en uitzichtloosheid, de derde aan de onrust op de financiële markten en de door de regering aangekondigde besparingen, een vierde wijst erop dat Londens burgemeester Boris Johnson als student lid was van The Bullingdon Club, een groepje bevoorrechte amokmakers dat “vanuit een zuiver sportief instinct”, om Henriëtte van Eyk te citeren, restaurantinboedels kort en klein sloeg, een vijfde zinspeelt voorzichtig op een diepe onderstroom van raciale spanningen, nog iemand anders maakte ons duidelijk dat het voor jongeren natuurlijk ook een enorm avontuur en grote loltrapperij was om de politie uit te dagen en te pakken wat je anders niet kunt krijgen.

“Politici zeggen dat wij plunderen en roven, maar zij zijn de echte gangsters,” zei een van de jongeren aan een reporter. Een andere verklaarde: “Wij tonen aan de rijken dat wij kunnen doen wat we willen”. Hij bedoelde ongetwijfeld: “… dat wij ook kunnen doen wat wij willen.” Het herinnerde me aan een volksliedje dat weerklonk in de straten van Antwerpen, na de zware vernielingen aangericht door de beeldenstormers  (in tegenstelling tot de gebeurtenissen van de afgelopen dagen was de beeldenstorm een goed georchestreerde terreuractie): Hadden wij begonnen aan cooplieden goedt / Ende der kercken beelden laten met vreden / Ons handen gewassen in papens bloet / Zoo waeren wij heeren van dorpen en steden.

En wat nu? De armen straffen? Of de daders straffen en tegelijkertijd werken aan betere sociale verhoudingen in het westerse land met de minste sociale mobiliteit? En hoe dan? De komende maanden zullen boeiend zijn.

 

Hafiz

Hafiz en zijn muze, door Dulac

Ik leefde in de overtuiging dat Omar Khayyam de enige Perzische dichter in mijn boekenkast was, tot ik stuitte op een boek dat een vriend me ooit schonk: een mooi ingebonden Franse vertaling van de ghazels van Hafiz (+ 1388). De illustratie herinnerde me vreemd genoeg enigszins aan de prenten van Rie Craemer in mijn kinderuitgave van de Duizend en Een Nacht, lang geleden. Hafiz uit Shiraz: zo te zien de dichter van zeer bloemrijke liefdespoëzie, al kan dat ook aan de Franse vertaling liggen. Zijn grafmonument is een geliefd oord; de vertaler citeert uit Pierre Loti’s boek Vers Ispahan (1904): “Il dort, le poète, sous une tombe en agate gravée, au milieu d’un grand enclos exquis, où nous trouvons des allées d’orangers en fleurs, des plates-bandes de roses, des bassins et de frais jets d’eau. Et ce jardin, d’abord réservé à lui seul, est devenu, avec les siècles, un idéal cimetière; car ses admirateurs de marque ont été, les uns après les autres, admis sur leur demande à dormir auprès de lui, et leurs tombes blanches se lèvent partout au milieu des fleurs. Les rossignols, qui abondent par ici, doivent chaque soir accorder leur petites voix de cristal en l’honneur de ces heureux mortels des différentes époques, réunis dans une commune admiration par l’harmonieux Hafiz, et couchés en sa compagnie.” Volgens beelden op het internet ziet het er nog steeds even mooi uit.

C. Devillers, Les ghazels de Hafiz traduits du persan, (Ex oriente lux, 5), Parijs, uitgeverij Kadar, 1922.