Tien charmes

charmes
Paul Valéry stierf net voordat hem de Nobelpijs zou worden uitgereikt, lees ik. In 1945. Valéry was voor mij altijd een naam op de achtergrond. Dankzij Paul Claes’ vieve vertaling van tien gedichten uit Valéry’s beroemdste bundel, ontdek ik de meest verfijnde en verleidelijke poëzie die ik sinds jaren las. Die Fransman zit sinds 1922 gewoon te flirten; maar wel op geniale wijze! Neem nu alleen al de eerste twee regels hier:

Quelle, et si fine et si mortelle
Que soit ta pointe, blonde abeille,
Je n’ai, sur ma tendre corbeille,
Jeté qu’un songe de dentelle.

Pique du sein la gourde belle,
Sur qui l’Amour meurt ou sommeille,
Qu’un peu de moi-même vermeille
Vienne à la chair ronde et rebelle!

J’ai grand besoin d’un prompt tourment:
Un mal vif et bien terminé
Vaut mieux qu’un supplice dormant!

Soit donc mon sens illuminé
Par cette infime alerte d’or
Sans qui l’Amour meurt ou s’endort!

In het Nederlands:

Welk ook, zo fijn en riskant,
Je angel zijn mag, blonde bij,
Ik bood als enige kledij
Mijn prille korf een droom van kant.

Prik van mijn borst de zoete rand
Vol liefdesdood of dromerij,
Zodat wat vermiljoen van mij
Op het rebelse vlees belandt.

Ik hunker naar een schicht van pijn:
Een felle, welgemikte flits
Werkt beter dan een traag venijn.

Zo zag ik graag mijn zinnen spits
Door ’t gouden sein wakker geschud
Waarzonder Liefde sterft of dut.

U denkt te weten waarover dit gaat? Over de poëtische inspiratie, dat spreekt toch voor zich.

En zo ben ik dankzij Paul Valéry, de man uit Sète, weer eens blij om een Europese te zijn.

Verkeersplan Utopia

verkeersplan
Probleem (Foto Het Nieuwsblad)

Gisteren zag ik hoe brandweerwagens zich vastreden in onze straat, door het nieuwe verkeersplan. Deze morgen is een parkeervak dicht bij de hoek gelukkig verwijderd. Bewoners hadden er al eerder op gewezen dat dit parkeervak voor problemen zou zorgen. Intussen staat een brandweerwagen een aanval van claustrofobie te krijgen in een parallelle straat. Het nieuwe verkeersplan lijkt er vooral op gericht te zijn bezoekers van Leuven vlot naar parkeergarages te leiden. Is er voldoende rekening gehouden met het comfort van de inwoners? De straten in onze buurt zijn al twintig jaar een lappendeken van asfalt, de trottoirs van Leuven zijn wijd en zijd berucht als enkelbrekers en spierverstuikers; nog een geluk dan dat we die trottoirs vaak amper kunnen bewandelen omdat ze vooral dienst doen als fietsenstort. (Als verstokte stadswandelaar geloof ik overigens niet langer in het imago van de fietser als zwakke weggebruiker. De voetganger, die staat op de onderste sport van de ladder. Dat vinden niet zozeer de automobilisten als wel de fietsers. Dan heb ik het nog niet eens over een vriendin die onlangs werd neergemaaid door een fietser die vluchtmisdrijf pleegde, maar wel ‘sorry’ riep. Een hele troost wanneer je achterblijft met een zwaar gekneusde knie en wang, ja antibiotica voorgeschreven krijgt tegen infectie.)

Kois

ravenstein
Koinobori in de Ravensteingalerij te Brussel

In de Brusselse Ravensteingalerij hangen deze mooie vissen. Een herinnering aan honderdvijftig jaar goede relaties tussen Japan en België, vermoed ik. Deze kois wapperen overal in Japan ter gelegenheid van Kinderdag op 5 mei. Een vrolijk gezicht in de anders zo sobere passage naar Bozar.

Daubigny

Maison Daubigny, Auvers-sur-Oise
Maison-atelier Daubigny, Auvers-sur-Oise

Charles-François Daubigny (1817-1878) leefde als God in Frankrijk: hij schilderde jarenlang de meest prachtige landschappen en kocht een bootje om rustig zijn geliefde rivieren te bevaren en nieuwe gezichtspunten te ontdekken. Wat wil een mens eigenlijk nog meer? De dochter van Daubigny leefde als de dochter van God in Frankrijk: haar vader beschilderde haar kamer met taferelen uit haar geliefde sprookjes en toen ze eenentwintig werd, voegde hij daar een fries met eenentwintig bloemenkransen aan toe. Ik vind het ontroerend. Lezend over de schilderschool van Barbizon kom ik overigens opnieuw Paul Huet (1803-1869) tegen, een naamgenoot die mooie Normandische landschappen vastlegde. Het zou niet slecht zijn om in zijn voetsporen te gaan zwerven. Tegelijkertijd doet al die openluchtschilderkunst de vraag rijzen: als schilders ons al zo lang attent maken op de schoonheid van het Europese landschap, waarom zijn we er dan toch zo slordig mee omgesprongen?

Luc Cromheecke en Bruno De Roover maakten een mooie strip over Daubigny en Van Gogh: De tuin van Daubigny. Nu in de boekhandel. Luc Cromheecke ontvangt maandag 10 oktober de Vlaamse Cultuurprijs in Bozar Brussel, waar ik een kleine causerie aan Daubigny wijd.

Oostende

oostende

Tussen Leuvense muren kan het me opeens overvallen: een verlangen naar Oostende, meer bepaald naar dit uitzicht.

Ook leken de duinen me plotseling het allermooiste landschap voor schilders. En kreeg ik zin om Verhaerens La guirlande des dunes te lezen.

Oogst

oogst

Verjaren. Een tweede druk van Bruegel ontvangen. Een kortverhaal over Bruegel publiceren in Dietsche Warande & Belfort. Bruegel (en zijn biografe) zien in een tekening van Wegé, op de cover van De NieuwBrug, het maandblad van Rijkevorsel. Een amusante en mooie ontmoeting op mijn tafel!

Keerpunt jaarmarkt

jaarmarkt2016
Piramide te paard

Zes ruiters op drie paarden. Van stal de Muze, hoorde ik. Mooie naam. De Leuvense jaarmarkt is het keerpunt van het jaar, de omschakeling van zomerse rust naar nieuwe plannen. De jaarmarkt betekent rondslenteren met een vriendin, een hamburger eten op het Sint-Jacobsplein, de gevlochten manen van de paarden en de wimpers van de biggen bewonderen. En de begonia’s in het bloementapijt semiotisch ontleden, van op de trappen van het stadhuis. O ja, vijfhonderd jaar geleden rolde hier in deze Laaglandse universiteitsstad Thomas Mores Utopia van de persen: het beroemde fantasyboek over de ideale samenleving. En dat gaan we vieren.

bloementapijt_2016-1
Thomas More als bloementapijt (foto Het Nieuwsblad)

Die begonia’s zijn alvast een geschikt eerbetoon. More schreef toch: “De tuinen zijn iets heel belangrijks voor de Utopiërs; zij kweken er druiven, vruchten, planten en bloemen, zó mooi en zó goed verzorgd, de vruchtbomen zo rijkdragend en de siertuinen zo smaakvol als ik het nooit ergens heb gezien. Dat komt niet alleen door de liefhebberij die zij in het tuinieren hebben, maar ook door de onderlinge wedijver tussen de straten: wie de mooiste tuin heeft.”

Thomas More, Utopia, vertaald door Marie H. Van der Zeyde, Amsterdam, 2007, p. 89-90.

De koning verliefd

Philippe de Champaigne, Lodewijk XIII gekroond door de overwinning, Parijs, Louvre
Philippe de Champaigne, Lodewijk XIII gekroond door de overwinning, Parijs, Louvre

De Koning was werkelijk verliefd op mejuffrouw d’Hautefort. Hij ging vaker naar de Koningin omwille van haar, en hij sprak daar voortdurend met haar. Hij had het ook voortdurend over haar met mijn vader, die duidelijk zag hoezeer hij door haar betoverd was. Mijn vader was jong en galant, en hij begreep niet dat een koning zo verliefd kon zijn, zo weinig in staat om het te verbergen, en dan toch niet verder ging. Hij dacht dat dit schuchterheid was. Toen de Koning op een dag weer vol passie sprak over dit meisje, toonde mijn vader de verbazing die ik hierboven uitlegde, en stelde voor om te bemiddelen en de zaak alras te beklinken. De Koning liet hem uitspreken en nam toen een strenge houding aan: “Het is waar, zei hij, dat ik verliefd op haar ben, dat ik het voel, dat ik haar opzoek, dat ik graag over haar praat en nog meer aan haar denk; het is ook waar dat dit alles in mij gebeurt zonder dat ik het kan beletten, omdat ik een man ben en zwak ben; maar naarmate mijn rol als koning me meer mogelijkheden biedt om mijn doel te bereiken dan een ander, des te meer moet ik op mijn hoede zijn voor het schandaal en de zonde. Ik vergeef u deze keer uw jeugdige onbesuisdheid: maar doe me nooit meer dergelijke voorstellen indien u mijn genegenheid wilt behouden.” Dit was voor mijn vader een donderslag bij heldere hemel, de schellen vielen hem van de ogen, het idee van de schuchterheid van de Koning in de liefde verzwond in de glans van zijn zuivere, triomfantelijke deugd.

De historicus Saint-Simon over zijn vader en over Lodewijk XIII van Frankrijk.

Saint-Simon, Mémoires (1691-1701), deel I, Pléiade, p. 65.

Prudens

verhuisd

Hij doet me lachen, Prudens Van Duyse. En dat had ik niet verwacht, van een dichter uit de negentiende eeuw.

Hoe meer, hoe min

Ik las zeer veel voordezen,
Als ik tien boeken had: ik las dan als een klerk.
Maar mijne boeken te schikken, geeft me nu zooveel werk,
Dat ik den tijd niet heb om te lezen.

(Uit Rijminvallen, nr. 71)