Heerlijk hebbeding, met kleine bijdrage van uw dienares. te koop in de krantenwinkel, of in de luxe-editie hier te bestellen.
Pluk de dag
Een paascadeau. De moeilijkste Romeinse dichter, in schoolmeisjesherinnering. Nu speels en schitterend vertaald door Paul Claes. Ik herken gedichten die we traag in de klas ontleedden, schijnbaar urenlang zoekend naar woorden die bij elkaar hoorden. Word getroffen door vrolijke regels in politieke gedichten: Nunc est bibendum, nunc pede libero / pulsanda tellus…
Nu moet er gedronken worden, nu bevrijd
worden rondgedanst …
En sta aan de grond genageld. Beschreef Horatius echt in het gedicht Zwanenzang hoe hij letterlijk in een zwaan verandert?
Op mijn benen komt een ruige vacht te staan
En vanboven ben ik al een witte zwaan:
er groeien vederlichte pluimen
van mijn bovenarmen tot mijn duimen.
Als Romeinse dichters dat konden, dan konden ze alles.
Dag van de hovenier

Een onvergetelijk verhaal, wat mij betreft: de ontmoeting met de hovenier. En nu wordt het zo stilaan tijd om eieren te koken en chocolade te eten. Daarna een wandeling, om kieviten te zien dwarrelen en reeën te zien grazen. Graag wens ik iedereen een mooie Paasdag.
En de rest is nog veel erger, bis
Hoe als uitgever in 2015 een productiesubsidie aanvragen bij het Vlaamse Fonds voor de letteren? Welk soort uitgaves komt in aanmerking?
“proza: enkel kortverhalen, vertaalde fictie en literair proza dat kadert in de VFLbeleidsdoelstellingen rond interculturaliteit en armoedebestrijding.”
O, wat klinkt dit edel. En ja, dit jaagt mij de stuipen op het lijf.
Hoort de hoofddoelstelling van een Vlaams Fonds voor de Letteren niet te zijn: literaire kwaliteit? Interculturaliteit (wat is dit? Ik vat het op als elementaire beleefdheid tussen culturen) en armoedebestrijding zijn taken voor andere overheidsorganen.
Bestudeer het originele document hier.
De rest is nog veel erger
De rest is nog veel erger. Een geniale titel vind ik dat. Ik geloof niet dat iemand een grap met me heeft uitgehaald op 1 april, maar ik kreeg wel een mooi boek cadeau. De briefwisseling tussen Emmanuel De Bom en Maurice Gilliams. Twee schrijvers, twee karakters. De ene hartelijk, de andere integer. Waarom ben ik het zo dikwijls met Gilliams eens?
“De laatste tijd heb ik heel wat fransche auteurs verwerkt; wat een pracht, die kerels der classiek. Wij bezitten geen literatuur. Ook Holland niet. Wij hebben een paar alleen staande figuren van beteekenis, meer niet; maar zij geven geen collectief beeld van een z.g. literatuur. ” In een brief uit 1941. En daar staat ook het snijdende: “Kunst en Schoonheid (met een hoofdletter) bestaan niet voor mij. Schrijven is een quaestie van geweten. De rest is tijdverdrijf, onzin en dwaze hoogmoed.”
Uit enkele voetnoten leer ik dat Gilliams brieven van Elskamp las. Had hij toch maar meer geschreven, denk ik dan, wisten we maar eens wat hij van de poëzie van zijn stadsgenoot Elskamp vond.
Toerist in Milaan

“Wie Milaan bezocht, ging ook toen al naar het Laatste Avondmaal van Leonardo da Vinci kijken, in de refter van het dominicanenklooster Santa Maria delle Grazie. Leonardo voltooide de muurschildering in 1498; door zijn experimentele techniek begon het nog tijdens zijn leven al af te bladderen. Pieter Bruegel en zijn reisgenoten zagen vermoedelijk een even dramatisch aangetaste versie als de huidige bezoekers. Vijftig jaar later bezocht Pieter Paul Rubens het kunstwerk. Hij noteerde: “Door de uitwerking van zijn diepzinnige bespiegelingen heeft [da Vinci] zulk een graad van volmaaktheid bereikt dat het me onmogelijk lijkt daarover op een passende manier te spreken, laat staan hem na te doen.” Inderdaad heeft Da Vinci rond de kalme figuur van Christus een emotionele storm geschapen. De apostelen hebben net gehoord: “Een van u zal mij overleveren” en zijn diep geschokt, elk op zijn eigen manier. Het geheel is een wonder van trefzekere compositie en psychologische diepgang. De kloof tussen het werk van Da Vinci en dat van Bruegel lijkt diep, maar de manier waarop Da Vinci in dit werk elk personage karakteriseerde door de juiste houding moet indruk gemaakt hebben op de jonge noorderling. Een van de opvallende kenmerken van Bruegels schilderijen is toch dat hij ieder personage, hoe onaanzienlijk ook, altijd weer raak neerzet in een zeer natuurlijk ogende houding.”
(En misschien is een blog ook zo’n snel afbladderend medium.)
L. Huet, fragment uit een boek in voorbereiding.
Havik
Dizzied with medievalist imaginings, in love with a falconer three hundred years dead…
Van zinnen kun je gelukkig worden. Zinnen over een havik en meneer White, de schrijver van het beduimelde pocketje over Gos de havik op mijn rek met jeugdboeken. “But White was desirous of a rite of passage. A proper knight’s vigil. And he needed to do it alone, man against man, as it were. Watching his hawk would be a privation, an ordeal, a test of his Word. He would not be cruel. But he would conquer both the hawk and himself in one fell swoop. ‘Man against bird,’ he wrote, ‘with God as an umpire, they had sat each other out for three thousand years.’ In this long vigil – White had six hours’ sleep in six days – the effects of extreme tiredness took their toll. Again and again, delirious from lack of sleep, sitting in the kitchen or standing in the lamplit barn, he lifted the fat and frightened hawk onto his fist, reciting it passages from Hamlet, Macbeth, Richard II, Othello, – ‘but the tragedy had to be kept out of the voice’ – and all the sonnets he could remember, whistling hymns to it, playing it Gilbert and Sullivan and Italian opera, and deciding, on reflection, that hawks like Shakespeare best.”
Een ridderwake. God als scheidsrechter. En al de sonnetten van Shakespeare beschikbaar in je hoofd, terwijl je een overvoede havik op je handschoen houdt. De wereld is intussen haast onbegrijpelijk veranderd. En toch leeft er nóg een vrouw die als meisje White las, en die tot overmaat van geluk echt een havik wilde trainen.
H. Macdonald, H is for Hawk, Londen, 2014.
Rubens en vrienden

Een mooie foto uit het Rubenshuis, ter gelegenheid van Rubens Privé. De jonge Rubens met zijn broer, Justus Lipius en Italiaanse vrienden, onder wie misschien wel Galileo Galilei.
Ooit was het werk eigendom van Lord Byron. Waar kocht de dichter het, schreef hij er over? Je kunt in elk geval zien waarom hij het in huis wilde hebben. Stijlvolle mannen in Italië; dat was ook zijn clubje.
Zeldzaam ogenblik
Zoon van

Ik heb altijd sympathie gehad voor Albert, Rubens’ oudste zoon. De opvolger zijn van zo’n beroemde vader, dat is zwaar. Zeker als je wat verlegen bent. Albert erfde niet zijn vaders talent, maar wel zijn verstand. Op zijn dertiende publiceerde hij al een mooi Latijns gedicht in een wetenschappelijk boek over munten. Paul Claes vertaalde het voor het eerst in het Nederlands, in onze biografie van Nicolaas Rockox. Albert werd een nauwgezette ambtenaar aan het hof in Brussel en een goede historicus, met slechts een paar kleine publicaties op zijn naam. Zoals zijn vader en andere mannen van zijn rang en stand zocht hij een leven lang extra houvast en troost in het stoïcisme van de antieke filosoof Seneca. Maar op 31 december 1656 schreef hij aan zijn vriend Nicolaas Heinsius: “Mijn enige zoon, een kind dat de beste hoop gaf, werd op het einde van juli laatstleden lichtelijk gebeten door een hond en vijftig dagen later werd hij door waterzucht aangetast, waarop hondsdolheid volgde en in weinig uren werd hij mij ontroofd. Door deze slag ben ik zodanig verpletterd dat ik nauwelijks tot bezinning komen kan. Ik smeek je, lach niet om deze zwakheid van mijn geest; ik meende dat ik tegen alle slagen bestand was door de lectuur van Seneca’s boeken… ” Een jaar later stierf hij van verdriet. Nee, Seneca maakt niet immuun, dat ondervond zijn vader ook al.
Een gelijkaardig portret van vader en zoon bevindt zich in het Rubenshuis.



