
Het carnaval in Venetië is bezig, en de stad zinkt weg, en ik stuit op een brief van een beroemde inwoner uit 1552: “Voor die mooie en heerlijke kalkoen die je me uit Padua stuurde in de vriendelijke welwillendheid van je koninklijke gulheid, stuur ik je evenveel dankbetuigingen als de vogel veren had in zijn staart en vleugels. Ja, ik dank je zelfs nog meer, nu hij bereid is in een heerlijk gerecht, dat ik opdiende bij een diner voor de mooiste, de liefste en de beminnelijkste dame in heel het hof van Cupido.
Angela della Spadara diende de vogel op, die als hij niet de pauw overtrof er toch zo weinig bij achterbleef dat hij als zijn gelijke mag worden beschouwd.
De ambassadeur van Mantua, Monsignor Torquato Bembo, Sansovino en Titiaan vermaakten de goddelijke jongedame en zij genoten van het gevogelte, gevuld met drie soorten gehakt, en met elke hap die zij namen, zegenden zij de schenker van dit witte en delicate vlees. Ja, als er in deze wereld een patrijs, een fazant, een duif, een kwartel of een rietzanger bestond met evenveel verstand als smaak, dan zou die verteerd zijn geweest door afgunst. Iedere aanwezige wenste dat jij bij ons was, want als slechts jij, een edel voorbeeld van wat een hoofse mens moet zijn, aan ons aangename gezelschap was toegevoegd, dan had de tafel geen mooier sieraad kunnen wensen. Ik zal je zeker uitnodigen voor mijn volgende feestmaal, en met deze belofte groet ik je van harte.” (Pietro Aretino, brief aan Gianiacopo da Roma, maart 1552. De schrijver woonde aan de Riva del Carbon).









