
Vorst
“Daarna werden onmiddellijk de kleine bovenraampjes opengezet, waardoor de vorst als champagne naar binnen schoot.”
Ziedaar de voor mij onvergetelijke zin van Osip Mandelstam over vrieslucht. Eindelijk teruggevonden in De Egyptische postzegel.
Net als deze parel: “Wat een genot voor de verteller om van de derde op de eerste persoon over te gaan. Dit is net als wanneer je er na enige kleine en ongemakkelijke vingerhoed-glaasjes ineens de brui aan geeft, even nadenkt en dan zó uit de kraan volle teugen koud, ongekookt water drinkt.” Dichters weten waarom.
O. Mandelstam, De Egyptische postzegel, uit het Russisch vertaald door T. Eekman en C. B. Timmer, Amsterdam, 1979, p. 25; p.39.
In de boomhut
Astrid legde nog een blok hout in de kachel. Ik schoof dichter bij de gloed en groef mijn tenen dieper in de schapenvacht. Het regende en waaide, de muren kraakten, de kamer deinde tussen de takken van de rode beuk. Wonen in een boomhut is als wonen in een scheepskajuit. Wanneer de omgeving schommelt, schommel je mee. Je ervaart de elementen en het pikante genot van de beschutting, tegelijkertijd. Misschien dachten de bewoners van de caravans op de camping, een kilometer verderop, precies hetzelfde, in hun behuizingen van plastic en aluminium, omgeven door gammele hekken en vale tuinkabouters. Maar met hen voelde ik een vaag medelijden, terwijl Astrid in haar boomhut een idylle leek te beleven. Waarom was dat zo? In een wijsgeriger bui zou ik mijn snobisme hebben ontleed, nu leunde ik op mijn elleboog en staarde in de vlammen. Astrid pakte mokken, voor thee.
Mijn vierde column, ‘Sprezzatura’, over mijn avonturen met Astrid, voor Rekto:verso. Het vervolg kunt u lezen op hun mooie website.
Gezellig
Tijd

“In hem raasde de onvoltooid verleden tijd.
Een ploeteraar in een zwart hemd met theatraal openstaande boord; met een hevig vuur in de ogen trok hij zich terug in het perspectief van de historische schilderkunst, naar de Schotse martelaren, de Stuarts.
Het verhaal van de tragedie der halfgeletterden is nog niet geschreven. Ik denk dat de biografie van deze dorpsonderwijzer het handboek van onze tijd kan worden, zoals eens de Werther was.”
Wonderlijk, hoe Osip Mandelstam karakters typeert aan de hand van grammaticale categorieën. En ze was profetisch, zijn bedenking over de tragedie der halfgeletterden. Opgeschreven in 1930.
O. Mandelstam, Reis naar Armenië, uit het Russisch vertaald door K. Warmenhoven, Houten, 1991, p. 55.
O!

Ik ben op zoek naar een boek, omdat daarin de mooiste zin staat over vrieslucht die ik ken. Toen ik vannacht wakker lag, dacht ik aan die zin. Ik wil hem citeren. Ik weet in welk boek hij staat. Ik weet waar het boek zou moeten staan. Alleen, ik vind het boek niet. Waar is het?
Zo gaat het. Ik blader in een ander boek van dezelfde schrijver. En mijn adem wordt afgesneden.
“In welke tijd wil je leven?
Ik wil leven in de gebiedende wijs van het participium futurum, in de lijdende vorm – in het ‘wat zou moeten zijn’.
Zo wil ik ademen. Zo heb ik het naar mijn zin. Er bestaat zoiets als een bereden, een bandieten-, een ruitereer. Daarom hou ik van het voortreffelijke Latijnse ‘gerundivum’ – dat werkwoord te paard.
Ja, het Latijnse genie schiep, toen het jong en gulzig was, die vorm van gebiedende werkwoordsvervoeging als het prototype van heel onze cultuur, en het was niet alleen ‘wat zou moeten zijn’, maar wat ‘prijzenswaardig’ is – laudatura est. – dat waarvan wij houden…”
O. Mandelstam, Reis naar Armenië, uit het Russisch vertaald door K. Warmenhoven, Houten, 1991, p. 57.
Drie
“Uit de hemel vielen drie appels: de eerste was voor degene die het verhaal vertelde, de tweede voor degene die luisterde en de derde voor degene die het begreep. Zo eindigen de meeste Armeense sprookjes.”
O. Mandelstam, De reis naar Armenië, uit het Russisch vertaald door K. Warmenhoven, Houten, 1991, p. 56.
Ingebeelde levens

Ik hoopte eigenlijk Vies imaginaires van Marcel Schwob te vinden, maar trof dit aan. Een aardig boekje, gewikkeld in bros pergamijn. Pas later vernam ik dat Henri Matisse het vignet voor het voorplat leverde. Ik begon te lezen in de trein. Aha, een hoertjeshistorie. Monelle me trouva dans la plaine où j’errais et me prit par la main. En veel mystiek. Tu me retrouveras encore, et tu me perdras. Is het mystiek, of is het woordenkramerij? De schrijver hield in elk geval mijn aandacht vast totdat ik omstreeks pagina 41 stuitte op enkele niet opengesneden bladzijden. En ik had mijn zakmes niet bij me. In elk geval ben ik vanaf nu de eerste lezer, hoewel dat soort maagdelijkheid me niet interesseert.
Dergelijke vluchtige leeservaringen zijn me even dierbaar als de andere. We zullen zien of dit ontkiemt.
M. Schwob, Le livre de Monelle, Walter Schurter, maître-imprimeur à Winterthur, 1946. Bij Antiquariaat Demian in Antwerpen.
Iulius Exclusus
Erasmus zou volgens een Italiaanse geleerde dan toch de auteur zijn van het smaadschrift Iulius exclusus e coelis, Julius buiten de hemelpoort gehouden. Een heftige satire op paus Julius II, die in 1513 overleed. (Het boekje rolde vreemd genoeg pas in 1517 van de persen.) Zo meldt de krant vandaag. Als Michelangelo-fan ben ik Julius vaak tegengekomen in kunsthistorische teksten, Julius was immers een van Michelangelo’s belangrijkste opdrachtgevers. Aangezien beide heren onstuimig optraden, viel er altijd wel wat te beleven. Dit is mijn favoriete verhaal, over de tijd dat Michelangelo in opdracht van Julius het plafond van de Sixtijnse kapel beschilderde.
“Aangaande het vertrek van Michelangelo uit Rome is er nog een ander verhaal in omloop; de paus zou boos geworden zijn om het volgende: Michelangelo, die niemand ook maar iets van zijn werk wilde laten zien en zelfs zijn eigen mensen wantrouwde, vreesde dat de paus, zoals inderdaad meer dan eens gebeurde, zich zou verkleden en dan, als Michelangelo eens niet thuis of aan het werk was, zou zien wat hij deed; en jawel, op een keer had de paus Michelangelo’s knechten omgekocht teneinde in de kapel van zijn oom Sixtus te kunnen komen, die hij door Michelangelo liet beschilderen, zoals ik nog zal vertellen; maar de kunstenaar had zich daar verborgen, want hij verdacht zijn knechten van verraad, en toen de paus de kapel binnenkwam smeet hij met planken naar hem, zonder zich erom te bekommeren wie deze bezoeker zou kunnen zijn, en hij joeg hem halsoverkop op de vlucht. Welk van deze beide verhalen nu het juiste is, laat het genoeg zijn dat Michelangelo ruzie kreeg met de paus, vervolgens bang werd en moest maken dat hij wegkwam.”
Giorgio Vasari, De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten, vertaald door A. Kee, gekozen en ingeleid door H. Van Veen, Amsterdam, 1998, p. 330-331.
Een boeiende blog over Michelangelo en de Sixtijnse kapel achter deze link.
Weg

Niet te geloven zo lieflijk. Die gedachte overviel me meermaals tijdens het schuifelen door de tentoonstelling De weg naar Van Eyck. Jan Van Eycks Annunciatie met vrolijk lachende engel, overgebracht uit Washington, moet overigens nog bezinken, de ogen geraken er maar niet van verzadigd. En dit Paradijstuintje hing er als heerlijke bonus. Toen ik nog studeerde, bewonderde ik de reproductie al in mijn handboek; nu zag ik het voor het eerst in al zijn onnavolgbare charme. Maria met boek (als geleerde, docta) en kind, en zes heiligen in een besloten tuin. Die meiklokjes, die ijsvogel! Sint-Joris met een tamme draak, Sint-Michael met een geknevelde duivel. En op de tafel, een geschilde appel en zijn schillen.
Hoe ver is de stamboom van dit paneel terug te voeren? De catalogus meldt als oudste bekende eigenaar: Banketbakker Johann Valentin Prehn, Frankfurt, 1821. Gelukkige tijd, toen banketbakkers dergelijke kunstwerken op de kop wisten te tikken.
De weg naar Van Eyck, Museum Boijmans Van Beuningen, Rotterdam, nog tot 10 februari.
