Dichter bij Venus

Godin in gesprek

“Gulle moeder”, zei ik, “van de Tweeling Liefdes, schenk mij uw gunst.” Zij wendde haar gelaat naar het mijne. “Wat wil jij van mij?” sprak ze, “Jij bezong toch zeker grotere zaken. Of knaagt er een oude wond in die zachtmoedige borst?” – “Mijn wonde, godin,” antwoordde ik, “is u bekend.” Ze lachte, en meteen werd de hemel daar helder. “Verwond of gezond, heb ik uw vaandel ooit ontvlucht? Altijd, altijd waart gij de taak die ik mijzelf heb gesteld. In mijn jonge jaren speelde ik met bijpassende thema’s, en niemand heeft zich daar ooit aan gestoord.  Nu betreden mijn paarden een weidser veld. Ik bezing de seizoenen, en hun oorzaken, en de rijzende en dalende sterrentekens, dankzij oeroude kronieken. Wij zijn bij de vierde maand gekomen, die aan u is gewijd; en gij, Venus, weet dat zowel de maand als de dichter de uwe zijn.”  Ontroerd raakte zij mijn slapen licht aan met myrte uit Cythera. “Voltooi”, zei ze, “het werk dat je begonnen bent.”

Met deze woorden richtte Ovidius zich tot Venus, en vice versa, in het bijzondere kalendergedicht Fasti. Als er iemand de antieke goden charme kan verlenen, dan is het Ovidius wel. De verbaasde lezer treft hem aan in hoffelijke gesprekken met Janus, met Flora, met Minerva, met Cybele, met half het pantheon. De Fasti, met hun erudiete uitleg over Romeinse feesten en gebruiken,  moeten wel een van de kostbaarste bronnen zijn voor antieke folklore. Ovidius kon Venus niet naar believen gehoorzamen: halverwege de Fasti werd hij door Augustus om onduidelijke redenen verbannen naar een kuststadje aan de Zwarte Zee, vermoedelijk in het jaar 8 van onze tijdrekening. Hij heeft het boek nooit afgemaakt, het eindigt abrupt na de maand juni.

Ovid, Fasti, in het Engels vertaald door Sir J. G. Frazer, 2de herziene editie door G.P. Goold, Loeb Classical Library, Londen, 1999, p. 188-189.

Salammbô

Gustave Flaubert voelde er weinig voor om zichzelf te herhalen. Na Madame Bovary (1856) schreef hij Salammbô (1862). In plaats van het kleinburgerlijke Normandië vol pompeuze apothekers en gefrustreerde doktersvrouwen koos hij Carthago ten tijde van de eerste Punische oorlog; hij ging te rade bij de Griekse historicus Polybius en veranderde de beroemde generaal Hamilcar Barca (vader van Hannibal) en de huurlingenleiders Spendius en Mathos in monolithische romanpersonages. Carthago, in Tunesië. Mathos, de Libiër. In het licht van de huidige revoluties leek het herlezen van Salammbô geen slecht idee. Maar wat kunnen we echt begrijpen van gebeurtenissen die tweeduizend driehonderd jaar geleden plaatsvonden?
Polybius noemde de oorlog tussen de stadsstaat Carthago en haar rebellerende huurlingenleger één van de wreedste uit de geschiedenis; alle wetten van de menselijkheid werden er met voeten getreden. Zoiets biedt een romanschrijver mogelijkheden. Flaubert gebruikte ze, doeltreffend en lakoniek. Is Salammbô een sadistische sandalenfilm op papier? Edelkitsch? En waarom moet er in ’s hemelsnaam nog een quasi-onbegrijpelijk liefdesverhaal bij de historische gebeurtenissen? Flaubert verzon Salammbô, dochter van Hamilcar Barca, uit het niets; Mathos wordt waanzinnig verliefd op haar, en de hele oorlog is slechts een poging om dit ongrijpbare meisje te veroveren. Hoe verplaatst men zich in de geest van een vrouw uit een volkomen andere cultuur en tijd? Misschien gewoon niet. Emma Bovary ging ten onder omdat ze als jong meisje te veel liefdesromannetjes las. Salammbô is opgevoed als dienares van de maangodin Tanit en verliest zich in religieuze mystiek. Flauberts tijdgenoten noteerden nog veel meer gelijkenissen tussen zijn beide heldinnen.
Telkens wanneer ik op het punt stond Salammbô te veroordelen als een mislukking, stuitte ik op een zin die het boek redde. Misschien is Flaubert hier de regisseur van een sandalenfilm; maar hij voegt zulke veelzeggende details en kleine wendingen toe, dat hij de aandacht vasthoudt en aanscherpt. Geen Cecil B. De Mille, meer een Visconti.
Salammbô vervulde me voor het eerst met een afkeer voor antieke goden. Moloch en Tanit, de zon en de maan, mannelijk en vrouwelijk principe. Stompzinnige afgoden van de opbrengst, de winst, de aangroei en de zelfzuchtige genen.

Meisje met inzicht in historische methodiek

Het echte leven

Tot lering en vermaak

 

Zaterdag lees ik een verhaal voor op het Feest van de Filosofie. Wijsgeren gebruiken voortdurend woorden als ‘visie’, ‘inzicht’, ‘bespiegeling’ en ‘beschouwing’.  Het wordt dus een verhaal over het gezichtsvermogen, en wat er gebeurt wanneer je dat verliest.

Het echte leven flonkert steeds in vele facetten. Ik vind het bijgevolg ook gewoon prettig om mijn naam te zien op een affiche die Ilah ontwierp.

Saifs witte tijgers

Een jaar geleden. “Wanneer Saif Khadafi een feestje geeft, zijn de verwachtingen hooggespannen. Denk aan Les Caves du Roy, Saint-Tropez, of het Hôtel de Paris, Monaco. […] In Engeland was Saif het best bekend door de vriendschap die hij smeedde met Prins Andrew en het huis dat hij kocht in Hampstead. […] Thuis in Libië speelt hij strandvoetbal en hij houdt ervan om in de woestijn te jagen met zijn valken. Hij heeft ook een verzameling grote katten. Toen hij in Wenen economie studeerde in de late jaren negentig, vergezelden zijn vier tijgers hem, inclusief twee uiterst zeldzame witte Bengaalse tijgers. Hij zei dat hij de burgemeester gevraagd had of hij zijn huisdieren mocht meebrengen en men vond een onderkomen voor hen in Tiergarten Schönbrunn, de Weense zoo. De oppassers waren verrukt, tot ze ontdekten dat Saif een ongewone relatie heeft met zijn grote katten – hij ravot graag met hen in hun kooien. Tatler vernam uit goede bron dat Saifs tijgers geen doetjes zijn en dat hij aan minstens één worstelpartij ernstige kneuzingen en diepe krabwonden heeft overgehouden. Dat schrikt hem niet af, en hij speelt nog steeds met zijn tijgers in hun verblijf in Tripoli.”

Ridicuul oosters despotisme in een notendop.  Verblijven ze nog steeds in Tripoli, die vertroetelde huisdieren? En krijgen ze nog wel voldoende te eten?

Uit de kranten verneem ik dat Saif kritiek op Libië graag afdoet als een uiting van een internationaal zionistisch complot, u weet wel. Het geniaal  ingelichte roddelblad Tatler – wanneer je interessant wilt roddelen, helpt het om een imperium te hebben bestuurd – deelt me dan weer mee dat de Libische kroonprins gesignaleerd is op jachtpartijen van de Rothschilds in Waddesdon Manor.

K. Dovkants, The Eye of the Tiger, in Tatler, Maart 2010, p. 156-159.

Door en door

“Mooi of lelijk weer, ik heb de gewoonte om tegen vijf uur ’s avonds te gaan wandelen bij het Palais-Royal. Ik ben het die men, steeds alleen, ziet dromen op de bank van Argenson. Ik converseer met mezelf over politiek, over liefde, over smaak of over filosofie. Ik lever mijn geest over aan al zijn bandeloosheid. Ik laat hem vrij om het eerste wijze of dwaze idee dat zich aandient te volgen. Zo ziet men in de dreef van Foy onze jonge losbollen in de voetsporen van een courtisane met lichtzinnige allure, een lachend gezicht, een vinnige blik en een gekruld neusje, welke zij weer verlaten voor een andere, totdat zij ze allen hebben aangesproken en zich aan geen enkele hebben gehecht. Mijn gedachten, dat zijn mijn lichtekooien.”

Kan men zich iets voorstellen dat meer wezenlijk Frans is dan deze openingsregels van Diderots Le neveu de Rameau? Of is het veeleer wezenlijk achttiende-eeuws? Hoe dan ook, na tweehonderdvijftig jaar verkwikken ze nog steeds als een lentebriesje.

De macht van het geld, in Leuven

U heeft het in de kranten gelezen: de meeste schrijvers verdienen amper het zout op hun patatten en de minister van Cultuur ziet geen mogelijkheden om het kneuterige lezingensysteem, afgestemd op scholen en jeugdschrijvers, slagvaardiger te maken. Als schrijver woon ik uiteraard in een sobere buurt, het oude Leuven bij de Tiensepoort, vol sympathieke arbeidershuisjes, bewoond door oudere koppels, enkele jonge gezinnen, een even koppige als intelligente excentriekeling en studenten. Tot op heden een aangename, rustige mix. Ik wist overigens niet beter of onze burgervader had besloten een eind te maken aan de verkotting – de sluipende metamorfose van elke gezinswoning in een resem studentenverblijven, die stadsvlucht en de bijpassende fileproblemen in de hand werken. Heeft u al eens geprobeerd op zaterdag Leuven in of uit te geraken met de wagen? Engelengeduld, zeeën van tijd en totale immuniteit voor claustrofobie zijn basisvereisten. De afgelopen week is gebleken dat het stadsbestuur met hart en ziel inzet op nog meer stadsvlucht. In mijn straat alleen al zal een woonblok komen met ruimte voor negentig studentenverblijven, terwijl de bouwheer daarvan ook nog twee andere percelen tracht te verwerven. Achter de hoek verrijst een deprimerend vrekkig geconcipieerd bouwsel, met gangetjes van zestig centimeter breed, duidelijk enkel bedoeld om geld op te brengen en dus een toekomstig studenverblijf. Achter een andere hoek zal een oude limonadefabriek niet, zoals eerst verkondigd, omgebouwd worden tot een residentieel wooncomplex, maar tot, u raadt het, studentenverblijven. Het lijkt op een goed voorbereide invasie. Reeds drie van mijn vertrouwde buren spreken over verhuizen.
Filosofisch zeer leerzaam om te aanschouwen, geld en betonmolens in de praktijk.