Aan Afrodite

Botticelli, Geboorte van Venus, Florence, Uffizi

“Ik zal zingen over statige Afrodite, goudgekroond en mooi, die heerst in de ommuurde steden van zeebegrensd Cyprus. Daarheen dreef haar de vochtige adem van de westenwind, over de golven van de murmelende zee in zacht schuim. Daar verwelkomden de Uren haar vol vreugde, hun lokken opgebonden in gouden netten. Zij kleedden haar in hemelse gewaden: op haar hoofd plaatsten zij een delicate, fijnbewerkte kroon van goud…”

Kijk eens aan. Homerische hymne. Zesde eeuw voor Christus, of een eeuw of twee, drie later, wie zal het zeggen. Uit de lessen kunstgeschiedenis herinner ik me plotseling de vermelding van Griekse geleerden, die na de Val van Constantinopel naar het westen vluchtten, met kostbare oude handschriften in hun bagage. Ze waren zeer welkom in Florence. De Homerische hymnen werden er voor het eerst uitgegeven in 1488, door Demetrius Chalcondyles. De Bibliotheca Laurentiana en de Bibliotheca Riccardiana  bevatten verscheidene manuscripten van deze bijzondere teksten. En door de straten van de stad wandelde Sandro Botticelli, met een wakkere belangstelling voor nieuwe ideeën en letterkunde.

Hesiod. Homeric Hymns. Homerica, in het Engels vertaald door H.G. Evelyn-White, Loeb Classical Library, 2000, p. 426-427.

Korenbloemen

Sandro Botticelli, de geboorte van Venus, Florence, Uffizi

Eind januari. De zon schijnt, vogels fluiten, op straat moet ik mijn handschoenen uittrekken omdat het te warm is.  Binnenshuis zie ik plotseling korenbloemen. Een schok van frisheid en verlangen.

“Voor verschillende huizen in de stad maakte hij ronde schilderijen, en veel naakte vrouwen, waarvan er zich tegenwoordig nog enkele bevinden in Castello, hertog Cosimo’s villa: twee schilderijen, waarvan de een verbeeldt hoe Venus wordt geboren, waarbij de winden en zefiers haar met haar Cupido’s naar de aarde toe blazen, terwijl ook het tweede schilderij een Venus weergeeft, een Venus die door de Gratiën met bloemen wordt getooid, hetgeen de Lente voorstelt; beide Venussen heeft hij met gratie afgebeeld, zoals men ziet.”

G. Vasari, De levens van de grootste schilders, beeldhouwers en architecten, gekozen en ingeleid door H. Van Veen, vertaald door A. Kee, Amsterdam, 1998, p. 167.

(foto via Couleurs)

Omgang met de Nolaan

Bruno, sinds 1899 op de Campo dei Fiori in Rome

“Ik bedoel dat, hoewel ik bij het converseren en disputeren nimmer zo onbeschaafd, onopgevoed en onbeleefd ben geweest als u, ik echter wel ooit zo onwetend was. Dus als ik consideratie heb met uw huidige staat, die overeenkomt met mijn vroegere, en u met miijn vroegere staat die overeenkomt met uw huidige, zal ik u liefhebben en zult u mij niet haten.”
Na ontelbare jaren, en de kennismaking met Anne-Mie Van Kerckhovens betoverende reeks tekeningen I’ll Rob You, haal ik mijn boeken van Giordano Bruno nog eens uit de kast. Op zoek naar het ene fragment dat op mij een onuitwisbare indruk heeft gemaakt, word ik opnieuw getroffen door de enorme energie en verbluffende stijl van Il Nolano, de man uit Nola. En ik denk terug aan mijn jongere zelf, blokkend voor een examen over Bruno in mijn kamer aan de Via dei della Robbia, in de zinderende zomerhitte.

G. Bruno, Italiaanse dialogen, vertaald door Y. Boeke en P. Krone, toegelicht door F. van Lamoen, Amsterdam, 2000, p. 66.

Omgang met een icoon

Jeanne d’Arc

2012 Is niet alleen Rousseaujaar, het is ook Jeanne d’Arcjaar. U heeft misschien ook de foto gezien van Nicolas Sarkozy die op Driekoningen (Jeannes vermoedelijke verjaardag) het geboortehuis betrad? Ensemble Polyfoon vroeg me een tekst te schrijven voor de voorstelling die ze aan deze verrassende vrouw zullen wijden. Ik kijk reikhalzend uit naar de authentieke vijftiende-eeuwse muziek die ze zullen vertolken, naar de monoloog die Kyoko Scholiers schreef en zal brengen, en naar de muziek die Willem Ceuleers componeerde bij mijn  verzen.

Jeanne, voorstellingen op 1, 2 en 3 maart in de Sint-Norbertuskerk, Dageraadplaats, Antwerpen. Info: www.polyfoon.be.

Omgang met een filosoof

J.-J. Rousseau

Grote goden, dit is het Jean-Jacques Rousseaujaar, lees ik op de Pléiade-website: Né en 1712 à Genève,  l’auteur du Contrat social et des Confessions aurait eu 300 ans le 28 juin. Ik schreef als studente filosofie een eindverhandeling over het Discours sur l’origine et les fondements de l’inégalité parmi les hommes, las en passant alle werken van de horlogemakerszoon en kreeg een onuitroeibare hekel aan de man. Als ik een ding onthouden heb, dan dit: wie de nobele wilde wil hebben, mag hem houden.
Hoe anders moet het geweest zijn voor filosofe Ann Meskens, die Montaigne als onderwerp koos en, naar eigen zeggen, al lezend en schrijvend steeds blijer werd.

Laat ik me dit jaar maar concentreren op iemand die honderdvijftig jaar geleden geboren werd in de Sint-Paulusstraat in Antwerpen: un matin de Mai, à la marée haute – de onvolprezen dichter Max Elskamp.

Pseudo-quidam

Sainte Chapelle Parijs, chapelle basse

Zonder archieven en archiefonderzoekers hadden we er nooit van geweten, van die rare kwast uit het diocees van Beauvais. Hij leefde in een gevaarlijke tijd en hij deed gevaarlijke dingen: noemde zichzelf de Engel van Philadelphia, die rechtstreeks van Christus de taak had gekregen om de ware gelovigen te beschermen tegen de lauwe. Hoe en waar kreeg hij die opdracht? Ergens in het jaar 1286, in het lagere gedeelte van de Sainte-Chapelle in Parijs, toen hij plotseling het gevoel had de Heilige Schrift volledig te doorgronden. Pas twintig jaar later besefte hij wat hem echt te doen stond, en begonnen hij en zijn (schaarse?) volgelingen een leren ceintuur te dragen, als symbool van hun patroon Johannes de Doper.
In latere kronieken noemde men hem smalend een pseudo-quidam. Hij zwoer zijn dwalingen op het laatste nippertje af en liet zich opsluiten in een klooster. Meteen zitten we midden in Umberto Eco’s Naam van de roos. Herinnert u zich Salvatore nog, en zijn Penitenziagite?

Zijn bijzondere gewaarwording in de Sainte-Chapelle blijft een onvervangbaar historisch puzzelstukje. Eeuwen later stond Rubens er een antieke camee te bewonderen.

P. Verdeyen, Le procès d’inquisition contre Marguerite Porete et Guiard de Cressonnessart (1309-1310), in Revue d’histoire ecclésiastique, 81, 1986, p. 47-94.

Rubensiaans

Koningin Margherita door M. Gordigiani, Palazzo Quirinale, Rome

Koningin Margherita van Italië heeft zich hier, in de aanloop naar de twintigste eeuw, in een bijzonder Rubensiaans kostuum laten portretteren. Hoed, waaier, parels, handschoenen en fauteuil herinneren sterk aan het portret van Rubens’ vrouw Isabella Brant door Antoon Van Dyck, alhoewel de couturier of naaister van dienst ook wat achttiende-eeuwse details heeft toegevoegd.

De schilder heette Michele Gordigiani, een Florentijn die ook de in Florence neergestreken dichters Robert Browning en Elisabeth Barrett Browning vereeuwigde. Zijn atelier, zo verneem ik met verbazing en een soort ontroering, bevond zich bij de Piazza Donatello en het Engels Kerkhof in Florence, waar ik ooit dagelijks passeerde.

Oude liefde

“Als kind was ik verliefd op Don Persilos y Vigoramba,” zei ik en voelde opluchting toen ik het wederwoord hoorde: “Ik ook!”

Waarna een mooi verhaal volgde over opgroeien in de straat waar Bruegel heeft gewoond, met een troepje kinderen het Museum Mayer Van den Bergh insluipen om Dulle Griet te zien, en de impact van de heilige Margaretha op het hele concept van agressieve grieten.

De charme van Don Persilos werd pas onlangs kortstondig geëvenaard door een wezen uit de Donjonreeks van Sfar en Trondheim – ook dit wezen droeg een kostuum dat aan de zestiende eeuw herinnerde en sprak hoofs en vormelijk: “Ik sta niet toe dat een dame haar beurs trekt – wees niet bezwaard, Mevrouw, ik zit goed bij kas.”

Franciscaanse grappenmaker

“Remedie tegen de dorst? Het tegenovergestelde van die tegen hondenbeten; loop achter de hond, hij zal u nooit bijten, drink altijd voor de dorst, hij zal u nooit overkomen.”

Van onze brassende en slempende Keltische voorvaderen naar François Rabelais is het maar een kleine stap, merk ik nu. Toch wel plezierig, een boek dat zonder verdere omhaal begint met zattemanspraat. “De goden schiepen de planeten en wij gaan volgens plan eten.” Type d’équivoque affectionné de l’auteur, meldt een deftige voetnoot op kostbaar papier. En we zijn vertrokken, met deze zestiende-eeuwse James Joyce.

La vie treshonorable du grand Gargantua, pere de Pantagruel, iadis composee par M. Alcofribas abstracteur de quinte essence, in F. Rabelais, Oeuvres complètes, (Bibliothèque de La Pléiade, 15), 2009, p.17-20.

Verloren maandag

Lekkernij

“Reeds in het woord gilde treffen we de voornaamste concepten aan die steeds met de Verloren (Verzworen ) Maandag geassocieerd geweest zijn: oudnoors gildi betekende immers betaling, feestmaal, vereniging; vgl. oudnederfrankisch gelda collecta, gildonium feestgenootschap. De verre oorsprong is te zoeken in de heidense offergemeenschappen, die voor de offermaaltijd een bijdrage leverden. De gildonia zelf, de eedgenootschappen van ambachten en beroepen, treden op in de Frankische tijd. Over hen mag hier wel M. Rouche geciteerd worden: ‘Mieux connues sont les communautés marginales que les clercs dénoncent sous le titre de conjurations et que d’autres appellent guildes.’ Of in de Nederlandse vertaling: ‘Beter bekend zijn de marginale gemeenschappen die door de geestelijken als samenzweringen worden afgewezen en door de anderen gilden worden genoemd.’ Door middel van een wederkerige eed beloofden allerlei mensen, boeren, ambachtslieden en vooral kooplui, elkaar onderlinge steun, koste wat het kost. Deze eden plachten op 26 december te worden gezworen, de feestdag van de heidense god Jul, wanneer men een verbond kon sluiten met de geesten der doden en met de demonen die naar de aardbodem terugkeren. Dan richtten de toekomstige broeders enorme banketten aan, een gelegenheid om zich tot overgevens toe vol te stoppen met voedsel en zich te bedrinken totdat een staat van helderziendheid was bereikt waarin contact met bovennnatuurlijke krachten mogelijk was.”

Staat van helderziendheid? Ach, ik ga op deze eerste verjaardag van mijn feuilles volantes, alias blog, als verdwaalde inwoner van de provincie Antwerpen in Vlaams-Brabant op zoek naar appelbollen en worstenbroden. Goed om te weten, niettemin, dat gilden, ambachten, vakbonden en beroepsverenigingen hun wortels vonden in het Frankische tijdperk, vermoedelijk dan ook wel in het Keltische: onze brassende en slempende voorvaderen…

W. Van Osta, Over oorsprong en betekenis van Verloren Maandag en aanverwanten, in Volkskunde, 92, 4, p. 339.