Het trof me: op woensdag zag ik het strand van Oostende, grijs en nevelig, zoals het hoort. Donderdag hoorde ik dat Jacqueline Harpman overleden was. Met La Plage d’ Ostende schonk ze me, geheel onverwacht, een hele reeks exquis-Belgische ervaringen. Tristan en Isolde – in alle opzichten een dubieus liefdeskoppel – heten plotseling Leopold en Emilienne, de rollen zijn omgedraaid en Leopold is een kunstschilder die houdt van grijs, bruin, taupe en beige. Schilderde hij als Spilliaert, als Degouve de Nuncques of als een typische paysagiste van het noorden? Sindsdien heb ik het hele huis afgezocht naar mijn exemplaar van de roman; ik vind het niet terug. Daarom ben ik op mijn geheugen aangewezen – die kleine, discrete mededelingen over het leven als mondaine joodse in België, het huwelijk met een katholiek, de laat geboren, overbeschermde dochter die een passionele liefde opvat voor een schilder en haar hele leven in het teken zet van zijn verovering. Het boek deed me op een bepaalde manier walgen van de liefde: obsessie, levensdoel dat de middelen heiligt, hoeveel slachtoffers er voorts ook vallen. De dokter, die hoofdschuddend opmerkt: “Dat heb ik nog nooit meegemaakt, de maîtresse bij het sterfbed in de echtelijke woonst.”
Schrijvers laten herinneringen na. En het verlangen om te herlezen.






