Volgende week, op 1 maart, gaat de voorstelling ‘Jeanne’ in première. U begrijpt dat het mij duizelde, toen componist Willem Ceuleers mij bovenstaande partituur bezorgde. Christine de Pisan was de eerste tijdgenote die een gedicht over Jeanne schreef – het was tevens haar laatste gedicht.
Meer over Jeanne vindt u hier, hier en hier. Beluister hier het interview over Jeanne in Interne keuken van Radio 1. En dan is er nog dit.
“Van dit magazijn gingen zij naar de grote kerk; toen hij naar het graf van Rubens was gebracht, viel de grillige schilder op zijn knieën en bewees hij eer met zulk een schijn van devotie, dat de koster, geschokt door dit bijgeloof, hem overeind trok en fel opmerkte dat de persoon die daar begraven lag geen heilige was, maar een zondaar als hijzelf; en dat hij, indien hij spirituele nood voelde, zich kon begeven naar een kapel van Onze-Lieve-Vrouw, drie stappen verderop aan de rechterkant. Hij dacht dat het zijn plicht was om een buitengewone inspiratie te vertonen, zolang hij verbleef in de stad waar Rubens geboren was; zijn hele gedrag was dan ook één aanstellerij van verrukking, uitgedrukt in verwarde uitroepen, krampachtige schokken en lomp armgezwaai. Midden in deze overspannen vertoning zag hij een oude Capucijn met een witte baard de preekstoel beklimmen en de gelovigen toespreken met zoveel stemverheffing en gebaren, dat het hem beviel; hij schreeuwde: ‘Hemel! wat een uitstekende Paulus die preekt in Athene!’ en haalde een potlood en een klein schrift uit zijn zak. Hij begon de redenaar te schetsen met grote gretigheid en opwinding, zeggend: ‘Welaan! vriend Rafael, we zullen zien wie van ons tweeën het meest geschikt is om een apostel tevoorschijn te toveren.’ Dit gebrek aan respect stoorde het publiek, dat begon te morren tegen deze ketterse libertijn. Een van de priesters uit het koor ging naar hem toe, in een poging om verder onheil te verhinderen, en zei hem in het Frans dat zulk gedrag niet toegelaten was in hun kerk en raadde hem aan zijn gereedschap weg te leggen, zodat de mensen niet geprikkeld zouden worden door zijn tekening en hem zouden willen straffen als een bespotter van hun eredienst. Toen de schilder deze broeder zag, die, terwijl hij sprak, boog met grote hoffelijkheid, beeldde hij zich in dat het ging om een bedelmonnik die een aalmoes afsmeekte; en omdat zijn aandacht volledig in beslag genomen werd door zijn tekening, gaf hij een paar vriendelijke klopjes op de geschoren kruin van de priester, zeggend: ‘Oter tems, oter tems’, en tekende toen weer geconcentreerd voort. De geestelijke stelde vast dat de vreemdeling hem niet begreep, trok hem aan zijn mouw en legde alles opnieuw uit in het Latijn; waarop Pallet, woedend om deze onderbreking, hem luidop uitschold voor een onbeschaamde schooiende zoon van een h–, een shilling nam en die op het plaveisel smeet, met duidelijke tekenen van verontwaardiging.”
Geen wonder dat Byron dit een hilarisch hoofdstukje vond. Tobias Smollett, The Adventures of Peregrine Pickle, 1751-1758, hoofdstuk 62 (vertaald door mij).
“In Antwerpen hebben we weer geschilderijd – gekerkt – en getorend, maar de hoofdstraat en dok bevielen me het meest – arme goede Buonaparte!!! en de smelterijen, etc.etc. Wat Rubens betreft, het deed me plezier zijn graf te zien omwille van die belachelijke beschrijving (in Smolletts P. Pickle) van Pallets absurditeit bij zijn monument – maar wat zijn werken aangaat, en zijn superbe ‘tableaux’, hij schijnt mij (die er overigens niets van ken) de meest schelle – schetterende – lonkende – hoerige oplichter die ooit een truc heeft uitgehaald met de zintuigen van de mensheid, – het is niet de natuur – het is geen kunst – met uitzondering van wat linnengoed (dat over het kruis hangt in een van zijn schilderijen) en dat, om eerlijk te zijn, er uitzag als een zeer fraai tafellaken – nooit zag ik zulk een samenstelling van bloemige nachtmerries als zijn canvas bevat; zijn portretten lijken gekleed te zijn in preekstoelkussens …”
Aldus Lord Byron in een brief aan John Cam Hobhouse, geschreven in Brussel op 1 mei 1816. Hij verwijst naar de roman The Adventures of Peregrine Pickle (1751) van Tobias Smollett: Pallet is daarin een schilder die in extase neervalt bij het graf van Rubens in de Sint-Jacobskerk.
J. D. Odevaere, Lord Byron op zijn doodsbed, 1826. Brugge, Groeningemuseum
Koorts en barbaarse aderlatingen. Daaraan stierf de 36-jarige Lord Byron in 1824 op Missolonghi, terwijl hij zich inzette voor de Griekse onafhankelijkheid. Er was even sprake van geweest dat men hem de Griekse kroon zou aanbieden. In het van revolutionair en romantisch elan ziedende Europa, Brussel, schilderde Joseph-Denis Odevaere, hofschilder van koning Willem I der Verenigde Nederlanden, dit wonderlijke tafereel: Byron op zijn doodsbed. Lier met gebroken snaren. Standbeeld met het opschrift Eleutheria, vrijheid. De titels van al zijn beroemde gedichten verwerkt in de medaillons van het rustbed. Het laken kies gewikkeld om zijn horrelvoet. Een Griekse tempel onder stormlucht in de verte.
Men ziet het een hedendaagse dichter niet snel overkomen, dit soort eerbetoon.
“Geen hoogte van Oostende tot Antwerpen; een molshoop zou de inwoners doen denken dat de Alpen op bezoek zijn gekomen. Het is een uitgebreidheid van vlakte en een eeuwigheid van plaveisel (op de weg), maar het is een land van groot zichtbaar comfort, en van bijzondere doch tamme schoonheid … De steden zijn wonderbaarlijk mooi.” Aldus Byron, haastig op doorreis in België in 1816.
“Ik hoef het Comité niet te vertellen welk immens voordeel Groot-Brittannië zou kunnen halen uit het welslagen van de Grieken, en hun waarschijnlijke economische relaties met Engeland ten gevolge daarvan; want ik ben ervan overtuigd dat het eerste oogmerk van het Comité hun Bevrijding is, geen baatzucht. Maar de overweging zou belang kunnen hebben voor het Engelse volk in het algemeen, met zijn huidige hartstocht voor elke vorm van speculatie, – zij moeten de Amerikaanse zeeën niet meer oversteken voor één die veel meer de moeite waard is, en dichter bij huis gelegen. De natuurlijke rijkdommen in de Griekse eilanden alleen al, ook voor een emigrerende bevolkingsgroep, vinden zelden hun gelijke; en de goedkoopte van elke soort, niet alleen noodzaak maar ook luxe (het is te zeggen, luxe van de natuur), vruchten, wijn, olie etc., in vredestijd overtreft verre die van de Kaap en Van Diemens Land en de andere toevluchtsoorden die het Engelse volk over het water zoekt.”
Lord Byron in een brief aan het Londense Grieks Comité, belast met steun voor de Griekse onafhankelijkheidsbeweging, 12 mei 1823.
Het is even wreed wanneer het een man overkomt. Roddel, gekeuvel, salonpraatjes over hoe men zijn looks verliest. “Het kleine hoofd met krullen dat Londen zo betoverde in 1812 leek nog kleiner, nu de krullen waren uitgedund tot de met grijs gestreepte slierten van 1823, die zwaar en donkerbruin van Russische olie neerhingen van kruin tot kraag, op zeer on-Engelse wijze. Hij had zijn schoonheid verloren in Venetië in 1817, toen de jonge Newton Hanson hem dik en gebogen vond, met een ‘bleek, opgezwollen en gelig gezicht'”. Er valt schijnbaar eindeloos te citeren uit brieven en memoires van tijdgenoten die gretig noteerden dat de beroemde dichter er op achteruit ging. Zelf was hij in de greep van twee angsten: “growing fat and growing mad“. Het geeft de lezer een akelig concreet beeld van de tol van de roem.
H. Nicolson, Byron. The Last Journey April 1823 – April 1824, Londen, 1999, p. 6.
Thomas Philips, Lord Byron in Armeens kostuum, Londen, National Portrait Gallery
Xenophon, Homeros, Alcman, Herodotos, Plato, Sappho – ziedaar de Grieken die we op school leerden kennen en wier woorden we lazen. Later hoorden we over Aristoteles Onassis, Stavros Niarchos, Mikis Theodorakis en Maria Farantouri. Dat Griekenland nu door de calvinisten van de ondoordachte Europese Unie als een zondebok wordt behandeld, geeft mij al bij al een wrang gevoel. In de verwarring grijp ik terug naar mijn boeken over Lord Byron en zijn steun voor de Griekse onafhankelijkheidsstrijd. Griekenland werd één jaar voor België onafhankelijk en Leopold van Saksen-Coburg kreeg het Griekse koningschap aangeboden. Hij koos iets anders.
“De successen van de Griekse opstandelingen wekten op het Europese continent een gloed van sympathie en opwinding, die slechts te vergelijken was met het enthousiasme voor de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. In Duitsland, in Zwitserland en in Frankrijk werden comités opgericht om fondsen te werven voor de Griekse zaak en om de onfortuinlijke Griekse patriotten bij te staan die op bevel van Metternich uit Rusland en Oostenrijk verdreven waren als protest tegen de escapade van Ypsilanti. In de vroege zomer van 1821 stroomde een rommelig gezelschap van veteranen van Napoleon, studenten uit Jena, Russische zieners en teleurgestelde Carbonari onder de algemene noemer van Philhellenen naar de kusten van het bevrijde Hellas. Een paar weken later zwierven de meesten al weer naar huis, ontmoedigd en verontwaardigd.”
Toen betrad Lord Byron het podium.
Harold Nicolson, Byron. The Last Journey April 1823 – April 1824, Londen, 1999, p. 57.
“Later, toen hij het nodig vond de zonderling uit te hangen, had Des Esseintes ook zijn woning op opzichtige en bizarre wijze gemeubileerd. … Ten slotte had hij een hoge kamer laten inrichten om er zijn leveranciers te ontvangen. Deze kwamen binnen en gingen naast elkaar zitten in koorstoelen; dan besteeg hij een indrukwekkende preekstoel en hield een preek over het dandyisme, waarbij hij zijn schoen- en kleermakers op het hart drukte zich zo precies mogelijk te schikken naar zijn herderlijke brieven wat betreft de snit van zijn kleren en hen dreigde met geldelijke excommunicatie als ze niet letterlijk de instructies opvolgden die deze vermaningsbrieven en bullen bevatten.”
J.-K. Huysmans, Tegen de keer, vertaald en met een nawoord van J. Siebelink, Amsterdam, 2011, p. 43.
De boomklevers vonden snel de weg naar het nieuwe voederhuisje. Zij kregen gezelschap van nijdige koolmezen en beminnelijker pimpelmezen, vinken, drie roodborstjes, een Turkse tortel, merels, een kleine bonte specht, een winterkoninkje, een fazant en een stoere kuifmees. In een hoek van de wei keek een haas toe.
Ik leerde een nieuw woord: bieteut, voor koolmees.
“Daar de vrouw echter soms langs het huis moest lopen om bij een schuurtje te komen waar het hout lag, wilde hij vermijden, als zij voorbij het raam kwam, dat haar silhouet hem zou tegenstaan. Hij liet daarom een kostuum voor haar maken van Vlaamse grove, zijden stof, met een wit kapje en een brede, zijden capuchon die op haar schouders hing, zoals de begijnen die nog steeds dragen in Gent. Als een glimp van haar kap in de schemering langs hem heen ging, kreeg hij het gevoel in een klooster te zijn. Hij moest dan aan die stille, vrome dorpjes denken, die doodse wijken, ingesloten en weggestopt ergens in een drukke en bedrijvige stad.”
Aldus estheet Jean des Esseintes, in zijn kluizenaarswoning van Fontenay, nabij Parijs. Diens schepper, Parijzenaar met Laaglandse wortels Joris-Karl Huysmans, putte uit reis- en familieherinneringen voor deze vluchtige evocatie van begijnhoven. Hij had een oudtante die op het begijnhof in Turnhout woonde. Het lijkt me een mooi voorbeeld van poëtische humor, dat de ultieme decadente roman van de negentiende eeuw mede geïnspireerd is door het grensstadje uit mijn kinderjaren.
J.-K. Huysmans, Tegen de keer, vertaald en met een nawoord van J. Siebelink, Amsterdam, 2011, p. 51.