Ereperk

De komende erfgoeddag is gewijd aan helden. Mijn persoonlijke held is Martial Van Schelle (1899-1943), een Belgische atleet uit het interbellum met wortels in Merksplas, Brussel en Chicago. Ik leerde hem kennen dankzij een biografietje dat mijn grootvader (ooit Van Schelles buurjongen in de Noorderkempen) van hem schreef en schreef ook zelf over hem, in Mijn België en Almanak. Van Schelle groeide op in Merksplas, vocht in de Eerste Wereldoorlog als piepjonge soldaat in het Amerikaanse leger, werd dan verschillende malen Belgisch zwemkampioen, Olympisch atleet, wintersportpionier, ballonvaarder en zakenman. Tijdens de Tweede Wereldoorlog ging hij in het verzet, werd hij verraden en stierf hij in het concentratiekamp Breendonk.

Gisteren bezocht ik zijn graf, op het ereperk van de gefusilleerden, achter de RTBF-gebouwen in Brussel.

De volgende keer zal ik bloemen meenemen. Heel treffend waren ook de naamloze graven – onbekende slachtoffers van het nazischrikbewind.

Op de erfgoeddag zal ik belangstellenden over Van Schelle vertellen bij zijn geboortehuis, de Diepte, in Merksplas.

Meer over Van Schelle op deze blog vindt u hier, en hier. Elders is er dit.

MEW

Weg met de tirannie van Wikipedia, dacht ik, weg ermee! Weg met de idee dat Pieter Bruegel op het flikkerende beeldscherm zes regels krijgt en Britney Spears zesduizend, genoeg met die onzin. Ik nestel me op de sofa en open de encyclopedie – de enige die ik nog binnen handbereik heb, want de drie encyclopedieën die mijn jeugdjaren sierden (waarvan er een vierdelige speciaal voor jonge lezers was geschreven en geïllustreerd) bevinden zich elders.
En het doet goed, op dat onmiskenbare glanspapier iets rustigs over Mary Ann Evans te vernemen. Voortbladerend ontdek ik een zeventiende-eeuws Grieks meesterwerk, de ridderroman Erotokritos (‘Door de liefde beproefd’) en terugbladerend kom ik ook nog Chesterton, Chénier en Chaucer tegen. En ik denk terug aan die volkomen verdwenen figuur uit het dagelijks leven: de encyclopedieverkoper.

Moderne Encyclopedie van de Wereldliteratuur, deel II, C-E, gezet in Gent en gebonden in ’s Gravenhage, 1964. (Met dank aan Ben Hoffschulte en antiquariaat Procopius)

Zondags

De bruiloftsgod vertrekt van hier in zijn saffranen
Gewaad, door d’ope lucht naar ’t rijk der Tracianen …

Aldus Vondel naar Ovidius. In de krokus vang ik een glimp op van hoe zo’n saffranen bruiloftsgewaad er uit zou kunnen zien.

Herscheppinge

Orpheus op aardewerk
Orpheus op aardewerk

Ik hoorde honden bassen. Ja, wanneer ik in de Kempen rondwandel, hoor ik bassen, elders hoor ik blaffen. Ik dacht even na over dit oude woord, dat, zoals ‘muzzen’, ‘stoefen’ en ‘stoeberen’ (maar ook ‘reclameren’ en ‘rouspeteren’), hoort bij mijn kinderjaren. Waar komt dat vandaan, ‘bassen’?

De afgelopen week was ik plotseling het verzameld werk van Vondel kwijt. Zoiets kan gebeuren. Een boekdeel met waterschade. Niet meer op de vaste plaats in de kast. Overgebracht naar het ouderlijk huis? Nadat ik de honden heb horen bassen, vind ik het boek inderdaad terug, en ik besluit eens na te lezen wat Vondel daarvan maakte, van Ovidius’ ontroerende verhaal over Orpheus en Eurydice. Want Vondel, zo vernam ik onlangs met voorpret, heeft de Metamorfosen vertaald tot de Herscheppinge. En die vertaling lezen, dat wordt wellicht herbronnen in moedertaal, pootjebaden in virtuositeit.

Ik koom niet neergedaald in dees duisternis / Het onderaardse rijk bespieden, en verrassen, / En uwe hellewacht den hond verbiên te bassen, / Met zijn drie hoofden, ruig van slangen, uit Meduis / Gesproten …

Vondel zou mijn Kempens dialect begrijpen, dat is toch wel een heerlijke gedachte.

Zijn mooist vertaalde regel? ‘Ontweef d’ ontijdigheid des doods van Euridies’ – trouw aan het origineel en prachtig pittig Nederlands.

Jeanne in première

Jeanne, door Ensemble Polyfoon

Mooi verlichte koorruimte. De brede kerkstoelen die ik me herinner uit mijn kindertijd. Neogotiek van de provinciale architect, die eerzame en economisch interessante ambtenaar. De kerk was zo behaaglijk warm dat ik mijn jas kon uittrekken. Moeilijk om nervositeit te overwinnen, bij de gedachte dat ik zo meteen, voor het eerst, woorden die ik in stilte geschreven heb zal horen zingen door deze mensen.

Oude en nieuwe muziek, oude en nieuwe tekst, zang en vertelling. Op een donderdagavond in een goed gevulde parochiekerk. Een heerlijke combinatie.

www.polyfoon.be

In memoriam Kamiel Vanhole

Enkele weken geleden werd Kamiel Vanhole in Leuven herdacht. De elektronische uitnodiging maakte herinneringen wakker aan deze beminnelijke schrijver en stadsgenoot, veel te vroeg verdwenen. Niet lang na zijn dood las ik zijn boek Overstekend wild en verbaasde ik me over de manier waarop het wezen van een schrijver bewaard kan worden op de bladzijden die hij schreef. ‘Dat is echt Kamiel,’ dacht ik na elke alinea, ‘het is alsof hij hier bij me in de kamer zit.’ Le style, c’est le fond qui monte vers la surface?

Het doet goed om te weten dat zijn prachtige toneelstuk De nacht van Margaretha nog steeds wordt opgevoerd.

Dit lijkt een week te worden van herinneringen. Daarom hieronder het stukje dat ik in de zomer van 2008 blogde voor Knack, na Kamiels overlijden.

Bij afwezigheid

Er is een draad losgetrokken uit het tapijt, kan dat zoveel verschil maken? Ik vermijd al een aantal weken het boekencafé waar we vorige zomer op het terras zaten en praatten over Proust en Perzië, de romans die anderen geschreven hebben en de boeken die we zelf wilden schrijven. In die goede oude Gambrinus zullen we niet meer samen een koffie drinken, al was dat in april nog moedig afgesproken. Tijdens dat laatste gesprek, bij de voorstelling van De Spoorzoeker in Brussel, hadden we het nog even over een onvergetelijke plaats, de Piazza Santo Spirito. De ene herinnering brengt de andere mee. De première van zijn monoloog De Nacht van Margaretha in Mechelen, een heel mooie tekst. Zijn vriendelijkheid, hartelijkheid. Zijn oranjebruine trui. De beschrijving in Bea van de plaats waar de Zenne onder de grond verdwijnt en hoe dat klinkt alsof er een reusachtig bruistablet in het water wordt geworpen, hoe geslaagd ik die vergelijking vond en dat ik hem dat zei. Het allang verdwenen eethuisje De Rijsttafel in de Tiensestraat, waar ik op een avond alleen at en hij met zijn gezin een verjaardag vierde. De onschuld van alle personages in zijn boeken. De prachtige evocatie van Brussel in De Spoorzoeker. Zijn favoriete voorwerp uit het Antwerpse Volkskundemuseum. Dat ik hem eigenlijk had willen vragen een paar hoofdstukken te lezen waaraan ik werk en me zijn mening te geven. Hoe hij vertelde over zijn vaderlijke trots, dat hij zijn gezin gemist had tijdens een verblijf met een reisbeurs in Montréal. Leuven is anders zonder Kamiel Vanhole.

Over Guy Vaes

In 2008 las ik de laatste roman van de Franstalige Antwerpse schrijver Guy Vaes. Die bijzondere ervaring beschreef ik in een column voor Knack. Een jaar voordien had ik Vaes’ mooie stem en perfecte Antwerps kunnen beluisteren in een kortstondig telefoongesprek.

Schijn
Over een vertrouwde plaats lezen in een taal die niet je moedertaal is, heeft een bevreemdend effect. Je lijkt dingen te herkennen, maar is dat wel zo? Een Spaans fort, een brede grijze rivier, een linkeroever, een opera, tavernes, voorstadjes vol villa’s langs dreven die overgaan in heidelandschap, een kermis die lijkt op de Sinksenfoor als suikerspin op suikerspin, dat moet toch Antwerpen zijn? Maar de naam Antwerpen valt nooit. De ene mysterieuze straatnaam volgt de andere op, je tast min of meer in het duister en plotseling staan de personages op een plein waarvan je wilde dat het echt bestond. Het Degouve de Nuncquesplein. William Degouve de Nuncques was een zeer fijnzinnige kunstenaar, van het stille soort waaraan men in Antwerpen gewoonlijk geen eerbetoon wijdt. Guy Vaes heeft zijn mysterieuze, ongenoemde tStad verrijkt met een Degouve de Nuncquesplein, dat getuigt van meer dan poëtische rechtvaardigheid, dat getuigt van humor.
Men heeft me verteld dat Guy Vaes de laatste Franstalige schrijver van Antwerpen is. Hij spreekt overigens ook prachtig Antwerps. Sinds enkele dagen lees ik zijn roman Les Apparences. Schijn. En wat kan ik meer zeggen dan dat ik het een bloedstollend goed boek vind? Hoe is het mogelijk dat ik daar nog nooit één Antwerpenaar over heb horen spreken? Als ik in Antwerpen had gewoond terwijl hij hieraan werkte, dan zou ik af en toe een trilling in het trottoir hebben gevoeld wanneer hij sommige zinnen schreef, een ongewoon parfum hebben geroken in de straat. Vergeef me mijn enthousiasme: ik sla de bladzijden om, ik weifel, ik denk de ene seconde aan Madame de La Fayettes ijzige analyse van de passie, le sentiment incommode, het volgende moment aan de sappige wereld van de onovertroffen John Flanders. ‘Ik liet me dragen (niet meeslepen, beslist niet) door een puberale euforie die me het genot verschafte de dagen te doorklieven zoals een schaatser de ruimte.‘ Waar is mijn potlood? ‘Hij werd gewaar dat ik hem observeerde en wierp me plotseling een blik toe zoals men een vlinder zou opspelden.’ En over een mansportret van Rogier Van der Weyden: ‘zijn blik straalde meer autoriteit uit dan een dogma.’ Ach, het is ook wel te verklaren: ik bevind me op dat half koortsige, half vreugdevolle punt van rust , die korte pauze voor de laatste dertig bladzijden. Zoiets als de avond van de vijfde december, vroeger.
Guy Vaes, Les Apparences, 2001.

Zie ook dit artikel op ça ira.

In Memoriam DN

Ter herinnering aan het werk van Dmitri Nabokov diepte ik een column op die ik in 2009 schreef voor Knack, over de publicatie van Vladimir Nabokovs postume roman, bezorgd door zijn zoon.

Anachronismen
Het oude grapje is werkelijkheid geworden, ik lees Playboy voor de artikelen. Of, nauwkeuriger, ik lees een Playboy voor een artikel. De Amerikaanse editie, het decembernummer, voor de voorpublicatie uit Nabokovs Laura. Haastig bladeren. En dan de eerste zinnen: “Haar verfijnde beendergestel glipte ogenblikkelijk een roman binnen – werd van die roman zelfs de heimelijke structuur en schraagde ook nog enkele gedichten.” Zo kennen we hem, de oude, de grote meester. Meer! Maar wat is dit? “Dikke mannen slaan hun vrouw, zo wordt gezegd, en hij zag er ook zeker vervaarlijk uit toen hij haar betrapte terwijl ze in zijn papieren neusde. Hij deed net of hij dat zwakke handje met een marmeren presse-papier vermorzelde (het handje koortsachtig bewegend).“ Tussen die haakjes: de schrijver in gesprek met zichzelf, ‘werk dit voort uit.’ Een schets van een zin, een aanduiding van een effect dat nog bereikt moet worden. Het is geen roman, het is een bundel aantekeningen. Ik begon te treuren. En toch ontvouwden zich enkele taferelen, vintage Nabokoviana: de zieligheid van derderangs kunstenaars – leveranciers van taferelen voor Sovjetkalenders -, de boze stiefvader, koortsdromen, een zet op het schaakbord. Er staan foto’s bij van de steekkaarten waarop de schrijver werkte en van de potloden die hij gebruikte. Een fragment van een interview uit 1964: eerst de schok van herkenning, hierover zal ik schrijven, dan de roman die zich als het ware ontrolt of opent in de geest totdat de tijd rijp is, dan het beginnen neerschrijven, nu eens een fragment hier, dan een fragment daar – een roman moet niet van hoofdstuk tot hoofdstuk geschreven worden, net zoals een schilder zijn schilderij niet van links naar rechts hoeft te schilderen. Ten slotte het ondenkbare: ook Nabokov wordt geslachtofferd op het altaar van de Amerikaanse lay-out. Halverwege een zin rechtsonder op bladzijde 48 lees ik (Vervolg op p. 164).
De tijd dat Nabokovs aristocratische kijk op de wereld vanzelfsprekend was, is voorbij, stelde ik terloops vast. Wat hij zijn lezers schonk in De Gave, Pnin, Ada, die sfeer van drietaligheid, Russische zomerdagen, Berlijnse tramlijnen, elegante armoede, zwarte avondjurken, fietsen, Amerikaanse wagens, vlinders, schaak en tennis, de lichtvoetigheid, de duivelse humor: hoe ver is dat verwijderd van al die dingen waaraan we intussen gewend zijn? Ik heb net nog een documentaire over eremoorden gezien, een onderwerp dat mijn jongere zelf, Ada lezend onder een rododendron tijdens een zomervakantie, hoogstens geschikt zou vinden voor een prekerige historische roman. Nu Nabokovs allure en virtuositeit niet langer vanzelfsprekend zijn, worden ze nog kostbaarder. Het is passend dat de drager van zijn woorden ook niet helemaal eigentijds meer lijkt. Playboy ziet eruit als een nogal deftig opinieblad, niet echt scherpzinnig, met zelfs iets aandoenlijk ouderwets als een moppenpagina. Miss December en haar collega’s worden niet gepresenteerd als charcuterie, maar als romige gebakjes. Zelfs de bijdragen van Robert Crumb en Paulo Coelho kunnen niet verhullen dat dit meer een jongensdroom is uit de jaren zeventig dan een fantasme van 2009. En hoe weet ik dat? Het is een schok, vast te stellen dat de wereld niet onveranderlijk is, maar dat je helemaal vanzelf, door lang genoeg te blijven ademen, een soort historisch perspectief op de dingen gekregen hebt. En als ik in mijn zoektocht naar tijdloze zinnen plotseling zelfs woorden lees die de schrijver nog gepoogd heeft weg te gommen, doe ik dan iets onbetamelijks?
(Er is vrij gebruik gemaakt van de Nederlandse vertaling van Het Origineel van Laura, door R. Verhoef)

Tedere zorg

Ovidius, toegankelijk gemaakt door R. Lenaers S.J.

Het vervult me tegelijkertijd met heimwee en gemoedsrust, dit boekje ten behoeve van scholieren die Ovidius beginnen te lezen. “Metamorphoses. Het werk blijft nog ten hedendage de lezer boeien door: 1. De frisheid van de taal, vol fijne opmerkingen; 2. de echtheid en diepte van de  gevoelens der personages; 3. de elegantie en muzikaliteit die Ovidius in zijn hexameters weet te leggen. – Wegens de eisen van het dichterlijke genre bevat het een aantal eigenaardigheden inzake vormleer, syntaxis, stijl en vocabularium, waarvan de voornaamste volgen op blz. 8-14.”

Kijk, daar heeft men iets aan. En zo kan ik, geleid door een ervaren hand, mijn geluk nog eens beproeven in het vertalen van de aangrijpende verzen over Orpheus en Eurydice. Haec est domus ultima, dit is het laatste huis…

DN

Een vriend stuurde me een nieuwsbericht. Dmitri Nabokov is vorige week dinsdag overleden. De enige zoon van Vladimir Nabokov en Véra Slonim was operazanger, vertaler en bezorger van zijn vaders postume werk – The Original of Laura. In de literaire bijlage van mijn krant mocht ik over zijn dood niets vernemen.