Vrijdag nam ik deel aan een ‘zetelgesprek’ in het Turnhoutse Taxandriamuseum, in het gezelschap van Karl Van den Broeck, Frederik Depreester en Koen Aerts. We hadden het over Kempense identiteit – bestaat ze, wat is ze? Drie Kempenaren, een Gentenaar. Misschien is dit mijn wezenlijke opvatting: de identiteit is er voor de mens, de mens is er niet voor de identiteit.
Na de conversatie herontdekte ik het Taxandriamuseum, met zijn mooie jachtcollectie, waar dit hert – Turnhouts heraldische dier – opnieuw een ereplaats innam.
(Foto via Turnhout 2012. De tentoonstelling loopt in het Taxandriamuseum tot 31 oktober 2012.)
Dorothea: ‘It spoils my enjoyment of anything when I am made to think that most people are shut out from it.’
‘I call that the fanaticism of sympathy,’ said Will, impetuously. ‘You might say the same of landscape, of poetry, of all refinement. If you carried it out you ought to be miserable in your own goodness, and turn evil that you might have no advantage over others. The best piety is to enjoy – when you can. You are doing the most then to save the earth’s character as an agreeable planet. And enjoyment radiates. It is no use to try and take care of all the world; that is being taken care of when you feel delight – in art or in anything else. Would you turn all the youth of the world into a tragic chorus, wailing and moralizing over misery?’
George Eliot, Middlemarch, Penguin Classics, 2011, p. 219.
Eindelijk een verhaal kunnen afwerken dat al een paar dagen dwars zit, terwijl ideeën voor andere door je hoofd buitelen, ziedaar het beste kortstondige gevoel in een schrijversleven. Het bestaan zijnde wat het is, volgt dan gewoonlijk een verzwikte enkel, malaise of migraine, maar ook die dempen de tevredenheid niet.
“Maar dat is een Fiat Multipla,” zei mijn vader toen ik hem de foto toonde, “die zijn heel zeldzaam.” Des te prettiger dus, om deze sympathieke bestelwagen aan te treffen in een kunstinstallatie van Tweespoor in Turnhout.
(Luc Van Soom, Fabbrica delle Stelle, Turnova-site, Turnhout)
Deze foto van John Bellocq zag ik enkele jaren geleden voor het eerst in The World of Interiors. Er ging toen een belletje tinkelen. Bellocq fotografeerde prostituées in de wijk Storyville van New Orleans – hij stond ook model voor de fotograaf in Louis Malles troebele film Pretty Baby. De ontspannen sfeer in dit portret vond ik, gezien de niet al te rooskleurige context, wel mooi, en de kousen en schoenen zouden opnieuw modieus kunnen zijn – maar let u vooral op wat er op de onderste plank van de bijzettafel staat. Miniatuurmeubeltjes gemaakt uit veren. Het Antwerpse Volkskundemuseum, waar we toen een tentoonstelling voorbereidden, bezat ook zo’n mysterieus ameublementje. Cadeautje van zeemannen voor hun vriendinnen aan de wal, leerden we toen.
Vanmiddag opent in Turnhout Tweespoor, een tentoonstellingsparcours langs erfgoed en hedendaagse kunst. Ik smaakte het genoegen me te laten inspireren door twee reeksen tekeningen van Anne-Mie Van Kerckhoven, waarbij ik twee verhalen schreef. Straks zal ik de tekeningen voor het eerst ter plaatse zien: in de marmeren gang van het Heilig Graf, waar Anne-Mie Van Kerckhoven school liep, en in huisje 21a van het Begijnhof.
Het Museum voor Letteren en Manuscripten, in de panden van Van Schelle Sports, Koningsgalerij, Brussel
Vijftien maart. Exact negenenvijftig jaar geleden werd Martial Van Schelle als gijzelaar in Breendonk door de nazi’s neergekogeld. Een maandagochtend. De executiepalen staan er nog steeds.
Ik bracht die dag door op een plaats die Van Schelle dierbaar was, de Koningsgalerij in Brussel. Hier was vele tientallen jaren lang zijn zaak Van Schelle Sports gevestigd; de lokalen van zijn winkel zijn sinds kort ingenomen door het aantrekkelijke Museum van Letteren en Manuscripten. Voor het eerst bezocht ik ook de coulissen van dit negentiende-eeuwse theaterdecor. In een Empirezaaltje op de bovenverdieping van de galerij, omgeven door vorstelijke en burgerlijke portretten, bladerde ik door een oud album met foto’s van Van Schelle als zwemmer en ballonvaarder, met fragiele oude artikels uit La Libre Belgique over zijn prestaties als kampioen op de 100 en 200 meter, en als coach.
Dankzij Van Schelle voelde ik me wonderlijk thuis in Brussel.
Ach, die goede Maetschappy der Vlaemsche Bibliophilen, hoeveel schatten uit het verleden heeft zij opgedolven.
Luisteren we even naar baron Jules de Saint-Génois, die in de Koninklijke Bibliotheek het dagboek terugvond van Brussels burger Jan de Pottre, bijgehouden tussen 1549 en 1620.
Soortgelyke dagboeken die van vader tot zoon, als een deel van het voorvaderlyke erfgoed, overgingen en met eerbied door den oudsten vertegenwoordiger van den stam werden bewaerd, vervatte de belangrykste voorvallen van het alledaegsch leven; daerin werden aengetekend de huwelyken, de geboorten, de sterfgevallen, die de grondstof uitmaekten van dusdanige memorandums. Verder stipte men daerby nog met zorg aen, wanneer meester Jan, geestelyke geworden zynde, zyn eerste mis las; wanneer jonker Pieter naer het leger was vertrokken, of mynheer Pauwel den koophandel aenvaerd had, ontrent welken tyd Anneken in het klooster der Ryke-Klaren of Mariken in de Grauwe Zusters was geprofest; in welke school de kinders het latyn of het fransch waren gaen leeren; men beschreef er het doopsgeschenk aen Trienken door haer peter gegeven; men maekte gewag van het opbouwen of afbreken van het eene of andere deel van de voorvaderlyke woonst, van de ziekten die de kleinen hadden onderstaen, van de reizen door de leden der familje by den vreemden ondernomen voor koophandel of andere aengelegenheden; met éen woord al de wisselvalligheden die een eenvoudig, welstellend en vreedzaem huisgezin overkomen, kwamen daerin voor, kortbondig afgeschetst en zonder aenspraek op letterkundige sierlykheid of verhevene styl. […]
Voor onze verlichte, doch dikwyls verwaende eeuw, waer de middels van bekendmaking door de drukpers zoo vermenigvuldigd zyn en alles door de dagbladen in het openbaer wordt gebragt, schynt die al te drooge opsomming van dagelyksche daedzaken wat beuzelachtig en kleingeestig. Trouwens heden is men wereldburger eer men tot de jaren van verstand is gekomen, en by vele vezelt het huislyk leven zoo wat uit een.
J. de Saint-Génois, Dagboek van Jan de Pottre, (Maetschappy der Vlaemsche Bibliophilen, 3de serie nr. 5), Gent, 1861, p. II-III.
Het is een vorm van geluk om aan een nieuwe roman van George Eliot te beginnen; en toch moet ik na vijftig bladzijden al een soort schroom overwinnen, want het is hard labeur, haarscherp te observeren hoe een veelbelovend jong meisje met even onschuldige als dodelijke precisie de meest verkeerde man uitkiest om mee te trouwen. En nog iedere week, daar twijfel ik geen seconde aan, kiezen veelbelovende jonge meisjes de verkeerde persoon in hun leven, en veelbelovende jongemannen doen hetzelfde. Wel, het pleit voor George Eliot dat ze me na de eerste alinea al van haar hoofdpersoon heeft leren houden, zodat ik bezorgd afwacht wat er met Dorothea zal gebeuren, nu dat ellendige huwelijk aanstaande is.
Gelukkig verlicht de schrijfster mijn onrust met een komisch personage dat fungeert als Grieks koor – Mrs. Cadwallader, die bij haar entree al memorable uitspraken doet als: “Altijd een paar korrels gezond verstand in een ons gierigheid. Gierigheid is een uitmuntende eigenschap voor families – het is de veilige kant voor krankzinnigheid om op te landen.” Deze vrouw is een sociologisch genie, denk ik dan. “Die milde types kunnen geen azijn van wijn onderscheiden tot ze die doorgeslikt hebben en kolieken krijgen.” Inderdaad.
Het moet gezegd, Penguin heeft zijn Classics in prachtige nieuwe kostuums de wereld ingezonden. De volmaakte omslag van mijn Middlemarch is te danken aan Coralie Bickford-Smith, en deze foto van haar tussen haar ontwerpen vind ik betoverend.
(Mijn driehonderdste bericht; ik vier het met een glas goede wijn en bladzijden George Eliot)
Kijk eens aan. In de rubriek ‘Achterklap’ van de Standaard der Letteren – gewijd aan ‘nieuwtjes, roddels en opmerkelijke uitspraken uit de letterenwereld’ – tref ik, ruim twee weken te laat, een melding aan van Guy Vaes’ overlijden. Leve Herman, Viva Lolita, Hoera Selma en Adieu Guy melden de kopjes boven de mededelingen in deze strook bladvulling. Schenk je je landgenoten een stel prachtige, subtiele boeken, krijg je dit op je dak: een ongeïnteresseerde, lompe vermelding van je dood, gebracht in een context van belegen ironie die beter past op bonte avonden van de jeugdvereniging.