Father Brown en de rare voeten

It was that topsy-turvy product – an ‘exclusive’ commercial enterprise. That is, it was a thing which paid, not by attracting people, but actually by turning people away. In the heart of a plutocracy tradesmen become cunning enough to be more fastidious than their customers. They positively create difficulties so that their wealthy and weary clients may spend money and diplomacy in overcoming them.

It is the combination of modern humanitarism with the horrible modern abyss between the souls of the rich and the poor. A genuine historic aristocrat would have thrown things at the waiter, beginning with empty bottles, and very probably ending with money. A genuine democrat would have asked him, with a comrade-like clearness of speech, what the devil he was doing. But these modern plutocrats could not bear a poor man near to them, either as a slave or as a friend. That something had gone wrong with the servants was merely a dull, hot embarrassment.

Ik meende een ontspannend verhaaltje over Father Brown te lezen, nu zit ik me af te vragen waarom deze zinnen uit Father Brown and The Queer Feet zoveel weerhaken bevatten. Zinnen uit 1911.

En is het werkelijk zo dat niemand ooit postbodes opmerkt? Dat zou kunnen verklaren waarom de jonge postbode in mijn straat er altijd zo ongelukkig uitziet.

G.K. Chesterton, The Innocence of Father Brown, Penguin Books, 26ste druk.

Witte donderdag

Livina Teerlinck, Witte donderdag met koningin Elisabeth I, Madresfield Court

“Een van de groepsportretten door Levina Teerlinc is bewaard: een miniatuur met de rituele voetwassing door Elizabeth I op Witte Donderdag. Op het kleine werkje, zesenhalve centimeter hoog, beeldde ze tientallen figuren af: vooraan de koningin en haar hofdames met lange schorten aan, langs de zijkanten de arme vrouwen wier voeten zij zullen wassen en achteraan koorzangers en hellebaardiers. Het kleurrijke tafereel valt op door een wat naïeve uitvoering: smalle lichaampjes met dunne armen en grote hoofden.”

De Brugse Levina Teerlinc, dochter van Simon Bening, maakte in de zestiende eeuw carrière aan het Britse hof als miniaturiste. Zo kon zij ook een traditie van Witte Donderdag – Maundy Thursday – vereeuwigen: de koningin waste dan (in navolging van Christus die tijdens het Laatste Avondmaal de voeten van de apostelen waste) de voeten van evenveel behoeftige vrouwen als zijzelf jaren telde.

Tot mijn verbazing bestaat er nog steeds een Witte-Donderdagtraditie in het Verenigd Koninkrijk: de koningin wast geen voeten van onderdanen, maar bezoekt een kathedraal en schenkt Maundy money aan oudere mensen die zich verdienstelijk hebben gemaakt voor de gemeenschap.

L. Huet en J. Grieten, Oude meesteressen. Vrouwelijke kunstenaars in de Nederlanden, Leuven, 1998, p. 113-114.

Sigarenkistje

Het Sigarenkistje, Patrick Van Caeckenbergh

Ik voelde me als Duimelot, toen ik gisteren een sigarenkistje vond waarin ik zou willen wonen. Het bevatte boekenrekken en boekenkasten, een keurig opgemaakt bed met een kleurrijke gehaakte sprei, een bureau, een lampetkom en kruik, een kandelaar met een kaars en een doosje lucifers van Union Match. Aan de cederhouten zoldering hing een gerookte hesp te drogen. Er was ook een oude schoolprent te zien, waarop de struktuur van de slak werd voorgesteld. Op de rekken achter het bureau stonden geen boeken, maar sigarenkistjes-op-ware-grootte met knipsels, foto’s, kleine verzamelingen. En ik bedacht, hoeveel dingen ik zou kunnen verzamelen als ik nog alle kistjes bezat van alle sigaren die mijn vader en grootvader hebben gerookt. Maar ik ben te ongeduldig om te verzamelen, te slordig om een archief bij te houden, en mijn handschrift is niet klein, ordelijk en ruimtebesparend, maar haastig en groot.

Kaartenhuizen, reuzenlucifers van Union Match, archetypische kopspelden, weckpotten met bonen, encyclopedieën – een Grzimek! -, doppen van bierflesjes: zoveel aan het werk van Patrick Van Caeckenbergh voerde me terug naar ogenblikken van kinderlijke fascinatie en concentratie.

Patrick Van Caeckenbergh, La Ruine Fructueuse, in Museum M te Leuven, tot 22 april.

Back to basics

Sir Arthur Conan Doyle

‘My dear fellow,’ said Sherlock Holmes, as we sat on either side of the fire in his lodgings at Baker Street, ‘life is infinitely stranger than anything which the mind of man could invent. We would not dare to conceive the things which are mere commonplaces of existence. If we could fly out of that window hand in hand, hover over this great city, gently remove the roofs, and peep in at the queer things which are going on, the strange coincidences, the plannings, the cross-purposes, the wonderful chains of events, working through generations, and leading to the most outré results, it would make all fiction with its conventionalities and foreseen conclusions most stale and unprofitable.’
‘And yet I am not convinced of it,’ I answered. ‘The cases which come to light in the papers are, as a rule, bald enough, and vulgar enough. We have in our police reports realism pushed to its extreme limits, and yet the result is, it must be confessed, neither fascinating nor artistic.’

Het doet plezier, Holmes en Watson aan te treffen terwijl ze zich verdiepen in esthestische vragen over de waarde van het realisme. En dat idee, over een stad zweven, alles in ogenschouw nemen en tegelijkertijd doorgronden, dat spreekt vermoedelijk iedere schrijver aan.

Sir Arthur Conan Doyle, A Case of Identity, in The Adventures of Sherlock Holmes, Laurel Press, Londen, 1987, p. 47.

Sherlock

Twee weken geleden gebeurde er iets ongehoords. Ik zonk neer in de sofa voor de televisie, gewapend met chips en een glas wijn, zoals steeds bereid om het na wat zappen op te geven en naar een boek te grijpen of alsnog een avondwandeling te maken. Toen greep iets mijn aandacht. En meer aandacht. En ik raakte in de ban van het verhaal, de personages, de montage, de decors, de sfeer. Wat ik niet meer verwacht had, vond plaats – ik werd betoverd door een aflevering van een tv-reeks, zoals niet meer voorgevallen was sinds ik, eeuwen geleden, voor het eerst Morse zag. Maar dit keer was het beter. Sherlock. Met Benedict Cumberbatch. En jukbeenderen. En doordringende blikken. En vernietigende opmerkingen, en de klassieke geheugentechniek van renaissance-magiërs. Vorige week zaterdag hoopte ik vurig op een nieuwe aflevering, maar die werd vervangen door een voetbalwedstrijd. Eén intelligente man inruilen voor tweeëntwintig sjotters, not my idea of a good deal. Tot vanochtend hoopte ik dan eindelijk een nieuwe aflevering te kunnen zien, maar eens te meer wordt Sherlock afgevoerd, ditmaal voor drama over de Ronde, nota bene een privé-feestje. En zo blijft het genot stevig verankerd in de toekomst.

Verlegenheid

Dat George Eliot een meesterpsychologe is, ervaar ik telkens wanneer ze plotseling, zelfs terloops, een helder licht laat stralen over zaken waar ik nooit bij heb stil gestaan.
“The brief impersonal conversations they had together were creating that peculiar intimacy which consists in shyness.”
De bijzondere vorm van intimiteit die bestaat uit verlegenheid? Inderdaad, die is er ook. Als lezer die een kindertijd van verpletterende algemene verlegenheid achter zich heeft, had ik verlegenheid echter nooit in verband gebracht met een vorm van intimiteit, slechts met het kwellende gevoel afgesneden te zijn.

Of moet shyness hier vertaald worden als schuchterheid?

Gelukkig zorgt het Griekse koor van de roman, Mrs. Cadwallader, voor een lichtere toon, wanneer zij het bijvoorbeeld heeft over huwelijksreizen. “Mrs. Cadwallader zegt dat het onzin is, mensen die samen een lange reis maken wanneer ze trouwen. Ze zegt dat ze elkaar dan ontzettend beu worden en niet eens comfortabel kunnen ruziemaken, zoals thuis.”

De BBC heeft Middlemarch in 1994 verfilmd als serie. Misschien moet ik een kopij zien te bemachtigen en de personages bekijken terwijl ze gehuld zijn in vlees en bloed en textiel?

George Eliot, Middlemarch, Penguin Classics, 2011, p. 266; 277.

Corto

Ah, Corto Maltese en zijn reisgids voor Venetië. “Sbucati in Campo S. Ternita prendete il ponte del Suffragio o del Cristo e la strada vi porterà ad un arco. Anche quest’arco isolato si apre apparentemente sul nulla, ma guardate meglio, oramai il vostro occhio è allenato a superare l’ apparenza, oltre quell’ arco c’ è il mare e allora, sarebbe forse meglio dire che quell’ arco si apre verso un magnifico, leggerissimo acquerello della laguna, mutevole come i colori delle ore e delle stagioni che passano, e il luogo, la stazione del vaporetto, non potrebbe avere un nome più adatto di quello che ha: Celestia.”

Zomaar een boog van het labyrint die uitgeeft op de lagune, als de omlijsting van een aquarel. Italia Magia maakt wat bij me los, nu ze me hebben laten delven in mijn herinneringen aan Venetië.

G. Fuga & L. Vianello, Corto Sconto. Itinerari fantastici en nascosti di Corto Maltese a Venezia, 7de druk, Venetië, 2005, p. 75.

Lente

Witte kiezels langs de weg, nog wat anders dan mijlpalen. Van winterparfum overschakelen naar zomers eau-de-toilette. De eerste Eton Mess van het jaar eten. Tussen de rekken in de Inno plotseling een meisje in een verbluffend mooie lentejurk ontwaren, een visioen van elegantie. En worstelen met zinnen voor een artikel, waarom Huysmans’ Tegen de Keer en Là-Bas volgens mij actuele boeken zijn. Maakt het iets uit of boeken actueel zijn? Nee, de lente vloekt met beleren.