Verloren maandag

Lekkernij

“Reeds in het woord gilde treffen we de voornaamste concepten aan die steeds met de Verloren (Verzworen ) Maandag geassocieerd geweest zijn: oudnoors gildi betekende immers betaling, feestmaal, vereniging; vgl. oudnederfrankisch gelda collecta, gildonium feestgenootschap. De verre oorsprong is te zoeken in de heidense offergemeenschappen, die voor de offermaaltijd een bijdrage leverden. De gildonia zelf, de eedgenootschappen van ambachten en beroepen, treden op in de Frankische tijd. Over hen mag hier wel M. Rouche geciteerd worden: ‘Mieux connues sont les communautés marginales que les clercs dénoncent sous le titre de conjurations et que d’autres appellent guildes.’ Of in de Nederlandse vertaling: ‘Beter bekend zijn de marginale gemeenschappen die door de geestelijken als samenzweringen worden afgewezen en door de anderen gilden worden genoemd.’ Door middel van een wederkerige eed beloofden allerlei mensen, boeren, ambachtslieden en vooral kooplui, elkaar onderlinge steun, koste wat het kost. Deze eden plachten op 26 december te worden gezworen, de feestdag van de heidense god Jul, wanneer men een verbond kon sluiten met de geesten der doden en met de demonen die naar de aardbodem terugkeren. Dan richtten de toekomstige broeders enorme banketten aan, een gelegenheid om zich tot overgevens toe vol te stoppen met voedsel en zich te bedrinken totdat een staat van helderziendheid was bereikt waarin contact met bovennnatuurlijke krachten mogelijk was.”

Staat van helderziendheid? Ach, ik ga op deze eerste verjaardag van mijn feuilles volantes, alias blog, als verdwaalde inwoner van de provincie Antwerpen in Vlaams-Brabant op zoek naar appelbollen en worstenbroden. Goed om te weten, niettemin, dat gilden, ambachten, vakbonden en beroepsverenigingen hun wortels vonden in het Frankische tijdperk, vermoedelijk dan ook wel in het Keltische: onze brassende en slempende voorvaderen…

W. Van Osta, Over oorsprong en betekenis van Verloren Maandag en aanverwanten, in Volkskunde, 92, 4, p. 339.

Driekoningen

Anna Maria Siceram excud.

Ooit vond ik op de rommelmarkt deze sympathieke prent. Een eenvoudige voorstelling van de drie koningen die geschenken aanbieden in Bethlehem, gegraveerd door een zekere Anna Maria Siceram. Dat de kunstenaar een vrouw was, sprak me aan. Intussen verzuim ik al jaren om meer over haar op te zoeken. Het versje luidt:

Sume Iesu auri dona,

Sume thura mente pronâ,

Manus aromaticum;

Quando Nili ad fluenta

Nocte fugies cruentâ,

Erit hoc viaticum.

Wat je een lekkere trochaeische dreun zou kunnen noemen. Neem dan Jezus gouden gaven/wierook om de ziel te laven/ mirre in de hand/Als je naar de Nijl moet vluchten/in die nacht vol bloed en zuchten/ zij dit proviand.

(Met dank aan Gonda Lesaffer voor uitleg bij de vertaling.)

Naakte letter

Zeldzaam zijn de dagen waarin het beste wat ik wat lees uit juridische hoek komt. Maar het arrest van het Europees Hof van Justitie van 30 juni 2011 in zaak C-271/10 verheugde mijn hart. Het Europees hof bekritiseert daarin het slordige Belgisch Koninklijk Besluit aangaande de uitbetaling van het leenrecht aan auteurs. Leenrecht is de vergoeding die de auteurs volgens een Europese richtlijn van 19 november 1992 moeten ontvangen omdat de staat hun werken gratis ter beschikking bestelt van bibliotheekbezoekers, zonder dat de auteurs hun auteursrecht (de mogelijkheid om deze ontlening te verbieden) kunnen uitoefenen. Stel u voor dat de staat computersoftware en games zou willen laten ontlenen in bibliotheken, alle rechtszalen ter wereld zouden niet volstaan voor de processen die werden aangespannen. Het zal u dan ook niet verbazen dat ontwerpers van games en software hun verbodsrecht nog ten volle kunnen uitoefenen. Vanwaar deze discriminatie tussen makers?
“Hoe meer beschermde zaken door een openbare-uitleeninstelling ter beschikking worden gesteld, des te groter is namelijk de aantasting van de auteursrechten.”
“Hoe meer personen tot de beschermde zaken toegang hebben, des te groter is namelijk de aantasting van de rechten van de auteurs.”

Alle respect voor professor Blanpain, die deze zaak aanhangig heeft gemaakt. De voor schrijvers cruciale leenrechtkwestie wordt morgen door twee deskundigen besproken op het derde Werkcongres van de Vlaamse Auteursvereniging, in de Singel te Antwerpen. Allen hartelijk welkom!

Nieuwjaarsreceptie

Januari, Très Riches Heures du Duc de Berry

Approche, approche. Die woorden spreekt een dienaar van de hertog van Berry uit tot enkele schroomvallige gasten. Ze staan in gouden letters boven zijn hoofd. Stel u voor dat onze woorden ook zichtbaar zouden worden en glanzen als goud, wanneer we iets bijzonder moois of waars zegden bijvoorbeeld.

Wel, het is feest. De hertog van Berry, broer van de Franse koning, houdt zijn nieuwjaarsreceptie. Hij draagt een kostbare blauwbrokaten houppelande, met bont gevoerd, en een bontmuts (waarin een edelsteen flonkert) tegen de koude. Achter hem brandt het vuur in de open haard en de vloeren zijn bedekt met matten, om de winter te doen vergeten. De tafel is gedekt met goud en verguld zilver: zoals elke edelman van koninklijken bloede heeft de hertog een gouden of vermeil tafelschip bij zich. Het fungeerde als zoutvat, maar ook als kastje voor persoonlijk tafelgerei: we zien er twee teljoren in. Voor- en achtersteven van het kostbare schip zijn versierd met een beer en een zwaan – ours en cygne spelden samen de naam van een dame aan wie de hertog zijn hoofse liefde zou hebben gewijd, een zekere Ursine. Met de rug naar ons en een handdoek over zijn schouder snijdt een voorsnijder het vlees, twee schoothondjes zoeken intussen wat lekkers tussen de borden. Uiterst links is een wijnschenker aan het werk, bij de credenza of pronkkast met nog meer kostbaar serviesgoed. De wanden van het vertrek zijn bekleed met een wandtapijt vol riddertaferelen, in zijn eerste frisheid van kleur.

Ziet u de man met grijze hoofddeksel die naar de hertog kijkt? Volgens sommige geleerden zou dat schilder Paul Van Limburg zelf zijn, op bezoek bij zijn mecenas. De man die gulzig wijn drinkt uit een gouden drinknap zou dan een tweede broer Van Limburg zijn, en de half zichtbare vrouw achter hem Pauls piepjonge echtgenote (die hij als minderjarige uit het huis van haar moeder ontvoerde), Guillette Le Mercier. Ik kan me voorstellen dat het hertog plezier deed, al die portretjes van bekenden op de bladzijden van zijn kostbaarste boek. Lezen in het getijdenboek was dan ook op de mooiste wijze ons bekend ‘bladeren in het boek van je leven’.

Bemerk ten slotte nog de vergulde klootdolken of dagues à couillettes, waarmee de heer naast de wijnschenker – misschien de eigenlijke verantwoordelijke voor de wijn, aangezien hij twee kommen in zijn hand heeft, klaar om uit te delen – en de vleessnijder pronken. Ze ontlenen hun naam aan de vorm van het heft: het lemmet zat in een foedraal achter de buiktas. De man in het blauw draagt ook amusante tweekleurige kousen, die menige hedendaagse modeliefhebster kunnen interesseren.

Het was een prachtig jaar, met de Van Limburgs en hun hertog.

(Musée Condé, Chantilly. Alle overige maanden in de archieven van 2010)

Malpertuis

“Wat hebben die Vlaamse filmmakers toch met bordelen?” vroeg J. zich geërgerd af bij de aanblik van enkele rommelige scènes uit Malpertuis. “Dat ze eens een paar keer goed naar de hoeren gaan in plaats van eindeloos provincialistisch over bordelen te blijven dooremmeren!” Ik kon hem slechts gelijk geven, hoewel een kabberdoes waarin men tegelijkertijd Sylvie Vartan, Johnny Hallyday en Matthieu Carrière aantreft bijzonder zou zijn. De acteurs kostten veel, voor het decor bleef er weinig anders over dan knutselwerk, wat  rollen fluweel en en een paar brocantestukken: Harry Kümel droomt als Luchino Visconti, maar beschikt niet over diens financiën.

En toch. Een Vlaamse film met Orson Welles, de door mij als kind aanbeden Susan Hampshire (in maar liefst drie rollen), de hoger genoemde Franse variété-artiesten en revelatie Matthieu Carrière – doe het maar na. Gebaseerd bovendien op een van mijn Belgische lievelingsboeken, door John Flanders/Jean Ray. Natuurlijk is het magisch-realisme de kunststroming van de flauwe oplossingen en slaat het hele verhaal nergens op, maar niemand schiep ooit sfeer, Belgische sfeer, als Jean Ray in zijn Malpertuis. Een oud, vervallen herenhuis in een vervallen Vlaamse stad; lepe, hebzuchtige petits-bourgeois in hun salonnetje, bij hun kasboek; heerlijke wafels, recht uit het wafelijzer, en dampende, sterke koffie in de keuken: Kümel evoceert ze allemaal. Om de waarheid te zeggen had ik nooit eerder van hoofdrolspeler Matthieu Carrière gehoord, maar nu verdedig ik van harte de stelling dat hij de vergelijking met om het even welke Visconti-efebe moeiteloos kan doorstaan.

Ja, ondanks de traagheid, de bizarre dubbing, de geaffecteerde acteursprestaties en de talrijke ongewild komische momenten ben ik tevreden dat  Kümels Malpertuis eindelijk mijn leven kruiste, op de valreep van 2011 – ik verlangde er al naar deze film te zien sinds ik in 2004 over Jean Ray schreef in Mijn België.

Gesprokkeld

Nieuws

Terloopse zinnetjes uit de krant.
“Mensen met een fysieke of mentale handicap moeten heel wat drempels overwinnen om zich als consument in de maatschappij te bewegen. ” (En als burger?)
“Ook na hun vijftigste zijn werknemers in staat om bij te leren.” (Gelukkig, anders was het louter verloren tijd en weggesmeten geld geweest, al die meesterlijke romans van vierentachtigjarigen  en sculpturen door negentigers die ik heb bewonderd.)

Aardbeizaadje

“Nabokov kon ons wel op het hart drukken dat wat hem hinderde in het leven, een in zijn tand bekneld aardbeizaadje  was, […] wij hadden sinds lang geraden wat er in werkelijkheid aan hem knaagde en zijn creativiteit voedde. Wij hadden geen andere bekentenissen nodig. O zweer mij dat je tot aan het einde van je weg, slechts trouw zult blijven aan je enige droom, had hij geschreven in De Gave. Zoals Baudelaire in zijn ‘Belgische hel’ en Dante in Ravenna had hij slechts één gedachte, één kwelling.”

Nina Berberova verwoordt het mysterieus, in C’est moi qui souligne. En geeft te denken. Is Bleek Vuur werkelijk geïnspireerd door Timon van Athene, het eerste stuk van Shakespeare dat ik las? En heeft de Belgische hel werkelijk zoveel literaire vrucht gedragen als Ravenna?

Verlangen naar een cowboy

Wondere wereld

“Ken je de verhalen van Lydia Davis?” zei mijn uitgeefster. “Echt, moet je lezen. Zo grappig. Soms is het ook gluren. Ze is getrouwd geweest met Paul Auster.”
Wie schetst mijn verbazing toen The Collected Stories of Lydia Davis onder de kerstboom bleek te liggen? En nu lees ik, lees ik, lees ik.

Lydia Davis noemt haar ultrakorte verhalen terecht ook prozagedichten, maar ze beseft terdege dat zulks niet lekker klinkt. Hoe dan ook dwaal ik graag rond in haar wereld. Een wereld waarin sommige vrouwelijke hoofdpersonen Foucault lezen en aantekeningen maken terwijl hun huwelijk strandt, of hun fijnproevende en aan ouderwetse stoofschotels en gebraad verslingerde echtgenoot voortdurend tofu-variaties voorzetten.

“Een paar jaar geleden hield ik mezelf voor dat ik met een cowboy wilde trouwen. Waarom zou ik ook niet – ik leefde alleen, opgewonden door het bruine landschap, en af en toe zag ik een cowboy in een vrachtwagen in mijn achteruitkijkspiegel wanneer ik over de brede autostrades van de Westkust reed? Eigenlijk, zo besef ik, zou ik nog altijd graag met een cowboy trouwen, hoewel ik nu in het oosten woon en al getrouwd ben met iemand die geen cowboy is.

Maar wat zou een cowboy in mij kunnen zien – een professor Engels, de dochter van een andere professor Engels, niet erg gemoedelijk? Als ik een glas of twee heb gedronken, word ik wat gemoedelijker, maar ik spreek nog steeds correct en weet niet hoe ik grappen moet vertellen tegen mensen tenzij ik hen goed ken, en dan zijn het dikwijls universiteitsmensen of mensen die bij hen wonen, die ook correct spreken. Hoewel ze me niet storen, voel ik me afgesneden van alle andere mensen in dit land – om slechts dit land te noemen.”

(The Professor, provisorisch vertaald door mij)

Journaal

Zo gehoord in het VRT-journaal: “Er zijn geen klachten binnengekomen. Het parket roept mensen op om te getuigen, ook als de misdrijven verjaard zijn.”
Behoort dit nog tot de geplogenheden van een rechtsstaat?

Toevallig hoorde ik het verhaal van een jongen die jarenlang door zijn moeder werd verwaarloosd, onder het lijdzame oog – scherper gesteld, het schuldig verzuim – van alle gerechtelijke en sociale instanties. Moe getergd pleegde hij enkele dagen na zijn achttiende verjaardag zelfmoord. Misschien had hij aan die instanties moeten vertellen dat hij door een geestelijke was aangerand?