Ode aan de Tijgerkat

“De Italiaan bezit een aangeboren, haast genetisch bepaald gevoel voor vormelijke schoonheid. Dat gaat terug tot de renaissance en uit zich in mode, in architectuur of in design.” Aldus een Italiëkenner vandaag in De Standaard. Gelooft u deze uitspraak? Vergelijk bijvoorbeeld hiermee: “De Vlaming bezit een aangeboren, haast genetisch bepaald gevoel voor vormelijke schoonheid. Dat gaat terug tot de Vlaamse Primitieven en Rubens en uit zich in mode, in architectuur of design.”

Italië viert vandaag zijn honderdvijftigste verjaardag als eengemaakte natie. De ultieme woorden over Garibaldi’s revolutie van 1861 zijn geschreven door Giuseppe Tomasi di Lampedusa, in zijn roman De Tijgerkat, dat ik in eenvoudiger jaren als het beste boek aller tijden beschouwde. Een jonge Siciliaanse edelman sluit zich tegen de wil van zijn voogd aan bij Garibaldi. “Als wij willen, dat alles blijft zoals het is, dan moet alles veranderen.” Later hoort de voogd, de onvolprezen Don Fabrizio, tijdens een bal in Palermo een toekomstvoorspelling: “Bent u nog niet op het continent geweest, Prins, sedert de stichting van het Koninkrijk? Dan bent u gelukkig. Het is geen mooi schouwspel. Nooit zijn wij zo verdeeld geweest als nu, nu wij verenigd zijn. Turijn wil hoofdstad blijven, Milaan vindt onze administratie minder goed dan de Oostenrijkse, Florence is bang, dat haar kunstschatten weggehaald zullen worden, Napels treurt over de industrieën, die zij verliest, en hier, op Sicilië, is een groot, irrationeel kwaad in wording …”

Alleszins een mooie gelegenheid om de verfilming van het boek nog eens te bewonderen. Regisseur Luchino Visconti koos Burt Lancaster voor de rol van de gedesillusioneerde Don Fabrizio en maakte van deze Amerikaanse cowboyvertolker voorgoed een onvergetelijke aristocraat.

Giuseppe Tomasi di Lampedusa, De Tijgerkat. Siciliaanse roman, vertaald door J.C. Romein-Hütschler, zesde druk, Arnhem, 1961.

Mélusine in maart

Maarts landschap met draak

Een bleek zonnetje, het eerste werk op de akkers en in de wijngaarden. De gebroeders van Limburg keken omstreeks 1413 goed om zich heen voor hun weergave van de maand maart. De ploegende boer in realistische lompen werpt zelfs een realistische schaduw. En wat een compositorische vondst, om die geploegde akker spits te laten toelopen en zo het oog de diepte in te trekken. Het bouwwerk op de achtergrond was een favoriete verblijfplaats van hun opdrachtgever, de hertog van Berry: het kasteel van Lusignan in Poitou. Het bestaat nog steeds.
Boven de toren zweeft, iets minder realistisch, een gevleugelde draak. Dat is de beroemde fee Mélusine, die waakt over het kasteel waar ze leefde met haar man, Raymondin de Lusignan. Mélusine en Raymondin hadden elkaar ontmoet bij een betoverde bron in het woud. Hij vroeg haar ten huwelijk; zij stemde toe, op voorwaarde dat hij nooit zou proberen haar op zaterdagen te zien –dan veranderde ze door een oude vloek van gedaante. Het ging lange tijd goed, maar op een noodlottige zaterdag bespiedde Raymondin zijn vrouw in het bad en stelde ontzet vast dat ze een slangenstaart had, waarmee ze het water lustig tot tegen de zoldering deed opspatten. Toen uitkwam dat hij zijn belofte had verbroken, verdween Mélusine uit zijn leven. Uiteraard bleven leden van het geslacht Lusignan erg trots op deze gevaarlijke stammoeder met magische krachten, misschien wel de vruchtbaarheidsgodin Lucina zelf.

Les très riches heures du Duc de Berry, Musée Condé, Chantilly

Perzische gastvrijheid

Clara Peeters, Stilleven, 1607, Den Haag, Collectie Hoogsteder

Het is zeker een wonderlijk aspect van onze tijd, dat ik Perzische gastvrijheid voor het eerst, doodgewoon, in Deurne ervoer. Ik werd verwend met kip, dadels en wijn. We praatten over Cyrus, Darius, Iskander en de tuinman van Ispahan; over Zarathoestra en Freddy Mercury; ik leerde de namen van de grote Perzische dichters Ferdowsi en Hafiz, en hoe men met het nieuwjaar in de lente over vuur springt, ook op Linkeroever.  Spreken Belgen in verre landen met zulke liefde over Hadewych, Vondel of Gezelle? Plotseling kwam een herinnering uit mijn schoolmeisjestijd naar boven – Omar Khayyam. Ja, ook een Perzisch dichter. In het Nederlands vertaald? Meermaals. Terug thuis liep ik naar de boekenkast, mijn hand vond meteen het gevraagde.

Hoelang, hoelang om dit of dat beducht

bij raadselen en redenen gezucht!

Voorwaar, een rijpe wijntros lijkt mij beter

dan van veel denken de verdorde vrucht.

(Omar Khayyam, Rubaiyat, vertaald – naar het Engels van E. FitzGerald – door J. Weiland, Amsterdam, 1960)

Vasten

Hieronymus II Francken, Armoedige maaltijd, Rotterdam, Museum Boijmans Van Beuningen

Brood, pap, haring. Een houten bord, een pot in aardewerk, een kruik met een Antwerps handje, een mes. Een armoedig interieur. Geen zilver, Chinees porselein, wijn fonkelend in Venetiaanse glazen, zoals men die op andere stillevens overvloedig aantreft. Wel een gescheurde prent aan de muur, vastgemaakt met rode was. Een uil in een spiegel, een Uilenspiegel dus. ‘Ulieden spiegel’, voor ons allen. Deze compositie van Hieronymus II Francken moet populair zijn geweest bij de kopers, want er zijn vele versies van bekend. Kijken we hier naar de doorsneemaaltijd van een groot deel van onze stamboom, of past dit schilderij bij de vasten, als een tip om lichaam en geest te verlichten? Stillevens zwijgen, dat is er mooi aan.
Vasten schijnt opnieuw populairder te worden, tot op Facebook toe, waar men oproept vlees te derven, uiteraard niet om achterlijke religieuze redenen, maar uit vrome ecologische overwegingen – Franciscaanse overwegingen, zou je kunnen zeggen. Een deugdzaam dieet van vis, daar wist de veertiende-eeuwse dichter Folgore da San Gimignano wel raad mee.

Met vissen zal ik u in Maart plezieren:
forel en paling uit hun wintersleur,
dolfijn, lamprei, zeetand en zalm en steur
bij scholen uit hun zeeën en rivieren,

Barken, en vissers die hun netten vieren
de baaien over, te kust en te keur,
tot allen op de frisse lentegeur
een haven naar uw keuze binnenzwieren:

Paleizen langs de kaden en kanalen,
vol overvloeden die uw hart versterken,
volk uitgelopen om u in te halen,

en in die stad geen kloosters en geen kerken
en geen gepreek van dwaze clericalen
die meer met leugens dan met waarheid werken.

De vasten als excuus voor gastronomie met het beste van zoet en zout water, geen slechte oplossing. De dichter heeft gelukkig nooit zijn hoofd moeten breken op sonnetten over quorn en tofu.

En wat zegt de bron over deze hele kwestie? Een aantal behartenswaardige zaken, maar misschien toch vooral: “Ontferming wil ik, en geen offer.”  Kortom, probeer gerust wat te minderen met die chocolade en die wijn, maar maak van een dieet geen afgod.

(Dolf Verspoor, De maanden van Folgore da San Gimignano, derde druk, Amsterdam, 1970: Matt. 9, 13, geciteerd uit de Naardense Bijbel)

Uit andermans dagboek

Comarques, maandag 3 maart 1919.
Op de 1ste begon ik aan mijn boek over vrouwen, maar ik schreef slechts 100 woorden. Gisteren wilde ik ermee doorgaan, maar dat lukte niet. Nadat ik de hele dag geknoeid had begon ik om 17.00 u en schreef 600 goede woorden vóór het diner. Het boek is nu echt begonnen.

Yacht Club, Londen, woensdag 5 maart 1919.
A.E.W. Mason vertelde ons over een paar van zijn avonturen in geheime dienst in Mexico. Hij bleek een enorm goede raconteur te zijn, en hij is duidelijk zeer geschikt voor de geheime dienst, hoewel hij zei dat hij als amateur begonnen is.
Mason zei dat nagenoeg al de Duitse spionnen en veel Zeppelinmannen een pak obscene foto’s bij zich hadden. Ik had voorzien dat hij de reputatie van de Duitse Geheime Dienst zou weghonen, en hij deed het. Ik was ervan overtuigd dat het Duitse temperament geen goed materiaal oplevert voor de geheime dienst. Te goedgelovig en spraakzaam. Mason zei dat hun geheime dienst alleen maar veel geld kostte. Op idiote wijze weggesmeten geld.

Arnold Bennett, vergeten bestsellerauteur en beminnelijk dagboekschrijver.

Souvenir

Arnold Bennett, The Journals, selected and edited by Frank Swinnerton, (Lives & Letters), Penguin Books, 1984, p. 435.

Sopraan, met keelpijn

De intendant wandelde het podium op en zei: “Het is geen goed teken wanneer de intendant het podium opwandelt.” Zo vernamen we dat de sopraan die de rol van Salome vertolkte die ochtend was ontwaakt met een zware keelontsteking. De dokter had haar verboden om te zingen, drie weken lang. Maar omdat de enige andere zangeres die meteen kon invallen in de Verenigde Staten verbleef en gewoon niet tijdig in Antwerpen geraakte, had de zieke sopraan besloten de Antwerpse première te redden door met behulp van zware medicatie toch op te treden. De intendant vroeg om ons begrip. Het was misschien niet nodig geweest. Ik luisterde angstig, vrezend haar te horen instorten tijdens die lange aria’s en duetten; Carmen Giannatasio zong schijnbaar ongehinderd, indrukwekkend.

Massenet. Hérodiade. Zoals op zestiende-eeuwse wandtapijten de antieke helden kleding dragen uit de zestiende eeuw, zo had een geestige scenografie er voor gezorgd dat Herodes eruitzag als een blasé kokkerellende machtsbobo in een designappartement; vermits hij daarna veranderde in een Mussolini-achtige generaal, mogen we misschien zo ver gaan om hem te beschrijven als een loftsocialist. Bariton Philippe Rouillon vertolkte de rol prachtig. Herodias was hier de rijpe trofeevrouw, ondermijnd door een verdrongen verdriet. Salomé zag eruit als Pippi Langkous met losgemaakte vlechtjes. En wie schetst mijn verbazing toen Johannes de Doper, die men zich toch voorstelt als een verwilderde kerel uit de woestijn, op George Clooney bleek te lijken?

De Romeinse proconsul Vitellius daalde neer als een klassieke deus ex machina en citeerde uit Cicero’s De Officiis, zijn soldaten scandeerden dan weer een fonkelnieuwe Latijnse tekst – een kleine, maar indrukwekkend knappe ingreep in het libretto. Ook de volgorde van de scènes was hier en daar veranderd, op een wijze die de psychologische geloofwaardigheid van de opera zeer ten goede kwam.

Is opera een levende kunstvorm? Ik was vergeten hoé levend. ’s Middags waren de gruwelbeelden uit Libië nog over het televisiescherm geflitst, ’s avonds zong het onderdrukte volk La mort! Ou notre indépendance! Het bezorgde me een  pervers gevoel: alsof ik de gruwel pas doorgrondde en aanvoelde nu een kunstwerk me ermee confronteerde. In een veilige operazaal.  Niemand ging me vastbinden en in de rug schieten omdat ik de verkeerde kant gekozen had, ik was geen bloedende huurling uit Tsjaad die door een opgehitste menigte verscheurd dreigde te worden. Maar wie zal het ontkennen: nieuwsberichten verhelderen zelden,  kunstwerken doen soms scherper zien.

Herodias en Salome

Salome op het Sint-Jansaltaar van Quinten Metsys

“Zelf immers heeft Herodes mensen uitgezonden, Johannes laten grijpen en hem gebonden onder bewaking gezet, vanwege Herodias, de vrouw van zijn broer Filippus, omdat hij haar gehuwd heeft. Want Johannes heeft steeds tot Herodes gezegd: dat mág u niet, de vrouw van uw broer hebben! Herodias had het op hem gemunt en wilde hem ter dood brengen, en kón het niet; want Herodes had ontzag voor Johannes; hij besefte dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en beschermde hem; als hij hem hoorde, was hij altijd hevig in verlegenheid, en toch hoorde hij hem gaarne. Maar op een gunstige dag geschiedt het dat Herodes voor zijn verjaardag een maaltijd klaarmaakt voor zijn grootsten, de oversten over duizend en de eersten van Galilea, en als haar dochter, die van Herodias, binnenkomt en danst, behaagt zij Herodes en die met hem aanliggen. De koning zegt tot het meisje: vraag mij wat je wilt, en ik zal het je geven! En hij bezweert haar: wat je ook vraagt zal ik je geven, ‘tot de helft van mijn koninkrijk’! Zij gaat naar buiten en zegt tot haar moeder: wat zal ik vragen? En die zegt: het hoofd van Johannes de Doper! Zij gaat meteen weer met haast naar binnen, naar de koning, en stelt haar vraag; ze zegt: ik wil dat u mij onmiddellijk geeft, op een bord, het hoofd van Johannes de Doper! De koning wordt zeer bedroefd, maar vanwege zijn bezweringen en hen die aanliggen, wil hij haar niet afwijzen. Meteen zendt de koning een lijfwacht uit en draagt hem op om zijn hoofd te brengen. Die gaat weg en onthoofdt hem in de bewaking; hij brengt zijn hoofd binnen op een bord en geeft het aan het meisje, en het meisje geeft het aan haar moeder.” Met deze woorden herdacht de evangelist Marcus in de eerste eeuw na Christus de dood van Johannes de Doper. Enkele decennia later vermeldde de Joodse historicus Flavius Josephus terloops de naam van het dansende meisje: Salome. Hij wist ook te vertellen dat zij tweemaal huwde, telkens met een neef of oom uit de gecompliceerde dynastie der Herodianen, en in haar tweede huwelijk drie zonen kreeg. De kerkvaders leverden tal van commentaren op de lotgevallen van Johannes de Doper, de laatste profeet en eerste martelaar, een van de belangrijkste schakels tussen het Oude en het Nieuwe Testament.
Schilders zagen de mogelijkheden van dit bijzondere verhaal: een wrede koningin en prinses in een weelderige exotische omgeving; een rijk geklede jonge vrouw met het hoofd van een man op een schotel. De verleidelijke Salome pronkt op vele schilderijen als een boosaardige tegenhangster van de oudtestamentische heldin Judith, die uit vaderlandsliefde het hoofd van de veldheer Holofernes afhakte. Inwoners van Antwerpen kunnen in hun kathedraal een van de mooiste voorstellingen van de gebeurtenissen bewonderen. Omstreeks 1511 schilderde Quinten Metsys hoe Salome, aandoenlijk jong, het hoofd van Johannes toont aan Herodes en Herodias.  Dit tafereel alleen al zou volstaan om te bewijzen dat Metsys een grotere kunstenaar was dan de zoveel bekendere Leonardo Da Vinci: het tevreden lachje van Herodias, de glans van de transparante stof over het kostbare brokaat van Salomes rok zijn onvergetelijke details.

Met een kleine wandeling kunnen diezelfde inwoners van Antwerpen nu een veelgelaagde kunstervaring scheppen: vanavond gaat er in de Vlaamse Opera Massenets Hérodiade in première. Het mooiste beeld, een belangrijke componist, en de emotionele storm die een opera altijd met zich meebrengt.

Nacht en dag

Een sober omslag voor een heftig boek

“Zoals alle mensen met een in traditie gegronde opvoeding, was Katharine in staat om elk moreel probleem binnen ongeveer tien minuten te herleiden tot zijn traditionele vorm en het op te lossen met de traditionele antwoorden. Het boek der wijsheid lag open, misschien niet op haar moeders knie, maar op de knieën van vele ooms en tantes. Ze moest hen alleen maar raadplegen, en ze zouden meteen de juiste bladzijde opslaan en een antwoord voorlezen dat precies paste bij iemand in haar positie. […] Ze was bereid te geloven dat sommige mensen zo gelukkig zijn hun levens te verwerpen, aanvaarden, in te tomen of op te offeren naargelang de eisen van de traditie; ze kon hen daar zelfs om benijden; maar in haar geval veranderden de vragen in spoken zodra ze ernstig probeerde om een antwoord te vinden, hetgeen bewees dat het traditionele antwoord voor haar als individu geen enkel nut had. En toch had het zoveel mensen geholpen, overwoog ze, met een blik op de rijen huizen links en rechts, waar families leefden wier inkomens ergens tussen de duizend en de vijftienhonderd per jaar moesten liggen, en die er drie bediendes op nahielden en hun ramen omlijstten met gordijnen die altijd dik en doorgaans vuil waren en die, dacht ze, vermits je alleen maar een spiegel zag glanzen boven een dressoir met een schaal appels, de kamer erg donker hielden. Maar ze wenddde het hoofd af en stelde vast dat dit geen methode was om de zaak door te denken.

De enige waarheid die ze kon ontdekken was de waarheid van wat ze zelf voelde – een zwakke straal, vergeleken bij de brede lichtbundel die scheen uit de ogen van al degenen die akkoord gingen om samen te zien; maar nu ze de visionaire stemmen verworpen had, restte haar niets anders dan dit als gids te nemen door de duisternis die voor haar lag.”

Zo denkt een vrouw uit 1911 – de stilte voor de Europese storm –  in een roman uit 1919, Virginia Woolfs Night and Day. Voor veel lezers allicht een verrassing, aangezien er ideeën in worden verkend die meestal geassocieerd worden met de bevrijding van Mei ’68. En nu de dwang van traditie, vooral rancuneuze traditie,  weer helemaal in is, kan de twijfelende Katharine Hilbery mogelijk opnieuw inspireren.

Een vrouw uit 1911 mag dan al verbazend modern lijken, we verliezen beter niet uit het oog dat dit jaar volkomen anders was dan ons eigen 2011. Om zoiets aan te tonen heeft een romanschrijver geen bladzijden vol argumenten nodig, een enkele zin volstaat.

“De nis aan de trap, waarin de telefoon stond, was om redenen van discretie afgeschermd met een gordijn van paars fluweel.”

V. Woolf, Night and Day, Londen, 1919.

Zodiak

Vissen in februari, door de gebroeders van Limburg

Ik bewonder dichters die zich aan klassieke tijdcycli wagen. Ze helpen ons om oude kalenderminiaturen te begrijpen en misschien laten ze ons ook nog eens de nachtelijke hemel afspeuren, min of meer willekeurige verbindingslijnen trekkend langs ver licht.

Vissen

Ziedend slingert de purperen

god van de zee zijn drietand

naar de aarde die splijt.

De wereld wordt water;

dolfijnen zwemmen in de bomen,

najaden mennen paarden.

Waneer de Triton op

zijn holle zeehoorn blaast

vliegen twee vissen in

mijn sterrenbeeld.

(G. Lesaffer, Anna Perenna, Leuven, 2002)