Etymologie

We leren etymologie. Het Franse woord assassin, moordenaar? Ontleend aan een sekte bloeddorstigen uit het Midden-Oosten in de middeleeuwen. [L’ital. assassino, assessino est empr. à l’ar. hašiš « Cannabis indica » par l’intermédiaire d’un plur. ar. non attesté *Hashīshiyyīn (sing. Hashīshiyya « fumeur de haschich », Devoto), nom donné par leurs ennemis aux Ismaëliens de Syrie, coupables de multiples assassinats à l’égard des Chrétiens et des Musulmans. À cet ar. a été empr. un premier sens de l’ital. « membre d’une secte de fanatiques musulmans de l’Asie occidentale, qui, au temps des croisades, tuaient souvent des chefs chrétiens » attesté dep. le xiiie s. (Guido delle Colonne [début xiiie-1290], La poesia lirica del Duecento, 163 et 166, ibid.), le corresp. fr., de même sens, est attesté dep. 1195 (harsasis Ambroise, Guerre sainte, éd. G. Paris, 8795 ds T.-L. : ome al Harsasis) jusqu’à 1309, Gdf]. Boeiende extra uitleg hier

Ze werken er hard aan om het oriëntalisme nieuw leven in te blazen, die lieden van IS.

De kat van de rabbijn

Zlabya en Moujmour, met dank aan Joann Sfar
Zlabya en Moujroum, met dank aan Joann Sfar

“Het is fijn om een vrouw te zijn in Europa. Vrouw zijn in de wereld van Joann Sfar lijkt me soms nog prettiger. Of het nu gaat om Donjon of om ander werk, steeds lijkt hij bereid om zijn vrouwelijke personages nagenoeg alles te vergeven en hen te voorzien van bedwelmende charme. Niet dat ze er allemaal bijlopen als Rita Hayworth of Grace Kelly, hij ontwaart die bedwelmende charme ook in elk eenvoudig meisje-van-de-buren. Hij wekt de indruk dat hij dankbaar is voor het bestaan van vrouwen en daarvoor ben ik hem dankbaar. Een vrouw die zijn albums leest, kan uitrusten van verpletterende plichtsbetrachting en van verstikkend schuldgevoel. Die zijn niet nodig, leer ik uit zijn boeken, want wat een vrouw beslist, dat beslist ze toch gewoon? En anders beslist ze gewoon niet. God, wat een verademing.”

Ik las De kat van de rabbijn. De rest van mijn bedenkingen vindt u in het volgende nummer van Stripgids. En in het daarna volgende nummer: Persepolis.

Rest

Was en honing
Was en honing

Wat overbleef van de zwerm, die begin juni in de tuin neerstreek.

Indien ge een hollen korf van ene schors wilt naaien,
Of tene korven vlecht, de deur zij enge, want
de honing stremt van koude, of smilt van hitte en brand.
De honingbij, die last van hitte en koû moet lijden,
Kleeft hierom d’enge spleet, en stopt aan alle zijden
de naden van haar huis, ook niet vergeefs, met was
en bloemen vlijtig toe, en veldgroen lentegras…

Vondel, Vertaling van Vergilius’ Landgedichten, IV.

 

Stukje proza

Omdat het goed is om ’s morgens al de slappe lach te krijgen.

Uit een roman van een zekere Sylvia Day, getiteld Bared to You.

“He sank into an elegant crouch directly in front of me. Hit with all that exquisite masculinity at eye level, I could only stare. Stunned. Then something shifted in the air between us.

As he stared back, he altered . . . as if a shield slid away from his eyes, revealing a scorching force of will that sucked the air from my lungs. The intense magnetism he exuded grew in strength, becoming a near-tangible impression of vibrant and unrelenting power.”

Zie ook het briljant geestige Today Is My Birthday!, met handige extra tips voor het schrijven van erotische bestsellers.

Chaldeeuws

Faisal I van Irak met Chaldeeuwse bisschoppen
Faisal I van Irak met Chaldeeuwse bisschoppen

Wat is toch dat Chaldeeuws waarover humanisten als Rabelais het zo vaak hadden? Geen dode letter, zo blijkt, maar een nogal actueel gegeven: Iraakse christenen zijn vaak Chaldeeën. Vorige week hoorde ik dat ze verdreven of afgeperst werden in Mosul, of gedwongen werden zich te bekeren tot de islam. Het had me wel geboeid daarover iets in mijn ochtendkrant te lezen, maar ik speur al de hele week vergeefs de bladzijden af. Andere horror genoeg, natuurlijk. Er is de schoonheid van de zomer en de bloeddorst van de zomer, twee kanten van dezelfde medaille.

Duchtig gepolijst

Gustave Doré, illustratie bij Gargantua en Pantagruel
Gustave Doré, illustratie bij Gargantua en Pantagruel

Een brief uit 1532, van de reus Gargantua aan zijn zoon Pantagruel, student in Parijs.
“Thans zijn alle vakken van wetenschap in hun oude staat hersteld, hebben de talen haar plaats gekregen: het Grieks, zonder hetwelk het een schande zou wezen, zich geleerde te noemen; het Hebreeuws, het Chaldeeuws, het Latijn; de gedrukte boeken, zo sierlijk en nauwkeurig, waarvan men zich bedient en die in mijn tijd door goddelijke inspiratie zijn uitgevonden, evenals, bij wijze van tegenproef, de artillerie, door duivelse inblazing. De wereld is vol geleerde lieden, zeer knappe leermeesters en zeer ruime boekerijen, en naar het mij voorkomt, was er noch in de tijd van Plato, noch in de tijd van Papinianus, ter studie zoveel gerief als men tegenwoordig aantreft; en nimmer zal men voortaan elders behoeven te vertoeven, dan in gezelschap van lieden die in Minerva’s werkplaats duchtig gepolijst zijn. Ik zie de rovers, beulen, avonturiers, palfreniers van tegenwoordig beter onderlegd dan de doctoren en predikanten uit mijn tijd. Wat zal ik zeggen? De vrouwen en jonge meisjes zelfs dongen naar deze glorie en hemels manna der ware kennis.”

En nu intussen een nog veel groter deel van de bevolking duchtig gepolijst is in Minerva’s werkplaats, wat doen ze, wat doen we met al die kennis?

François Rabelais, Gargantua en Pantagruel, vertaald door J.A. Sandfort, Amsterdam, 1980.