Chateaubriand beschrijft een collega-minister in de jaren 1820 en schetst al doende een toekomstbeeld dat me bekend voorkomt.
“M. de graaf van Villèle begreep de maatschappij niet waaraan hij leiding gaf. Ik ben ervan overtuigd dat de degelijke kwaliteiten van deze handige politicus niet tot hun recht kwamen op het tijdstip van zijn bewind: hij was te vroeg aan de macht gekomen […]. Financiële operaties, commerciële verenigingen, de industriële ontwikkeling, de kanalen, de stoomboten, de spoorwegen, de grote wegen, een materiële maatschappij die slechts naar vrede verlangt, die enkel droomt van levenscomfort, die van de toekomst uitsluitend een eeuwig heden wil maken, in die omstandigheden zou M. de Villèle koning zijn geweest.”
Voedsel voor de gedachte. Niet de briljante conservatief Chateaubriand wil van de toekomst “een eeuwig heden” maken, de econoom wil dat. (Als de spreekbuis van degenen die levenscomfort genieten.)
(Memoires d’outre-tombe, boek 28, hoofdstuk 17)












