Ik kreeg een amusante foto toegezonden. Het boek over Alva bezit ik zelf trouwens ook. Een mooi portret van de hertog is te bekijken op de Coxcie-tentoonstelling in Leuven.
Klik hier voor de foto en het bijbehorende artikel.
Ik kreeg een amusante foto toegezonden. Het boek over Alva bezit ik zelf trouwens ook. Een mooi portret van de hertog is te bekijken op de Coxcie-tentoonstelling in Leuven.
Klik hier voor de foto en het bijbehorende artikel.

De naam Gust Gils associeer ik sinds mijn schooltijd met vrolijk lezen. In het nieuwe Belgica-deeltje van Uitgeverij Voetnoot tref ik hoofdstukken aan van een roman die hij niet voltooide: kleine op zichzelf staande verhalen die smaken naar meer. Over de Oscams, sinds eeuwen de machthebbers in een mysterieuze stad. Ze doen me denken aan de Medici in Firenze, die Oscams, maar ook aan de vertellingen van John Flanders. En ik hervind de verbeelding, de humor en de absurditeit die ik me herinnerde. Plus een verrassende gedachte:
“En de waarheid is nu eenmaal wat je weet, of meent te weten – niet datgene waarvan je nooit een vermoeden hebt gehad.”

“In deze tijd valt te vrezen dat een monument, opgericht met het doel om vrees voor sociale excessen in te prenten, de lust tot nabootsing zou opwekken; het kwaad trekt meer aan dan het goede; doordat men de pijn wil vereeuwigen, vereeuwigt men vaak de oorzaak ervan. De eeuwen aanvaarden geen nalatenschap van rouw, ze hebben genoeg eigen redenen om te wenen zonder de verplichting om erfelijke tranen te storten.”
Chateaubriand, toch bekend als traditionalist, verzet zich tegen een al te nadrukkelijke cultus van het smartelijke verleden. Verrassend.
(Memoires d’outre-tombe, Boek 22, hoofdstuk 25, p. 907 van deel 1 van de Pléiade-editie)

Ongewilde humor zoals alleen kranten die kunnen brengen. Een artikel over de dood van Alexander de Grote wordt vandaag in De Standaard geïllustreerd met het schilderij van J.D. Odevaere, Lord Byron op zijn doodsbed. Paar duizend jaar verschil toch.
Derde verjaardag van deze blog, op een frisse, zachte januaridag. De geur van de bloeiende hamamelis waait me tegemoet, hazelaarkatjes wiegen, in de verte hoor ik het geklop van een specht. En ook hij laat zich volop horen, “die droevige kleine wintervogel die, zoals ik, zingt in de kale struiken” (Chateaubriand weer).

“Op 6 november 1812 gaf de thermometer achttien graden onder nul aan: alles verdwijnt onder het universele wit. De soldaten zonder schoenen voelen hun voeten afsterven; hun paarse, verstijfde vingers lossen het musket, waarvan het metaal hen brandt; hun haren staan rechtop van rijm, hun baarden bevriezen door hun adem; hun schamele kleren veranderen in kazakken van ijzel. Ze vallen, de sneeuw bedekt hen; op de grond vormen zij kleine sleuven van graven. Men weet niet meer in welke richting de rivieren stromen; men moet het ijs breken om zich te kunnen oriënteren. Verdwaald in de vlakte vuren de diverse legereenheden bataljonsalvo’s om elkaar te roepen en te herkennen, zoals schepen in nood hun kanonnen afvuren. Hier en daar rijzen dennen op, veranderd in onbeweeglijke kristallen, de kandelaars van deze begrafenisplechtigheid. Raven en roedels witte zwerfhonden volgen van op afstand deze terugtocht van kadavers.”
De gruwel van de Russische veldtocht van Napoleon werd me nooit eerder zo duidelijk. Les sapins changés en cristaux immobiles s’élèvent ça et là, candélabres de ces pompes funèbres… Wat een zin! Ga ik rommelen in de commode met familiepapieren, dan vind ik vermoedelijk nog wat info over die ene voorvader die met hem meetrok. En blijkbaar terugkeerde.
Niet dankzij Napoleon. Op een bepaald ogenblik hield hij het in Rusland voor bekeken en vertrok per slee met een escorte naar het Westen.
Chateaubriand, Mémoires d’outre-tombe, boek 21, hoofdstuk 5 (vertaald door LH)

Napoleon en zijn grande armée veroverden Moskou in september 1812, maar gouverneur Rostopchin evacueerde de inwoners en liet de stad in brand steken.
Mijn lectuur van Chateaubriand vordert traag, want ik houd niet van Napoleon, en de grote schrijver wijdt honderden bladzijden aan de analyse van Napoleons opkomst en ondergang. Maar altijd zijn er weer die briljante korte beschrijvingen.
“Napoleon verliet Moskou in de nacht van 15 september en keerde de 18de terug. Onderweg kwam hij kampvuren tegen, aangestoken in de modderige vlakte en gevoed met mahoniehouten meubelen en vergulde lambrizeringen. Rond die kampvuren zag hij beroete en beslijkte soldaten, in lompen, liggend op rustbedden van zijde, zittend in fluwelen fauteuils, met als tapijten onder hun voeten, in het slijk, kasjmieren sjaals, Siberische bontmantels, gouden stoffen uit Perzië; van zilveren schalen aten zij zwart brood of het leegbloedende vlees van gebraden paarden.”
(Mémoires d’outre-tombe, Boek 21, hoofdstuk 4, vertaald door LH)
Lise Stevin worstelt met de rouw om haar moeder, met de noodzaak om het ouderlijk huis op te ruimen en met een uitzichtloos beroepsleven. Ze staat er alleen voor. Op een zondag in juni ontdekt ze in een lade van een commode een bundel oude familiepaperassen. Wanneer ze de documenten ontcijfert, dringen zich de geschiedenissen op die het leven van haar ouders bepaalden.
In Penwortel onderzoekt Leen Huet de betekenis van familieverhalen, van verbondenheid met een landschap en van nationale gevoelens in een zo weinig nationalistisch land als België. Is er nog toekomst voor deze bijzondere politieke constructie? Wat met de burgers die België graag als een oude, comfortabele jas beschouwen? En hoe ziet Lise’s toekomst eruit? Het leidt tot een intrigerend verhaal waarover een sluier van melancholie hangt.
Penwortel, deel 14 van de onvolprezen Belgica-reeks van Uitgeverij Voetnoot, werd door Dirk Leyman van een nawoord voorzien.
Een recensie van Penwortel, alhier.

“Rubens kon het niet beter treffen: het Antwerpse stadsbestuur, onder leiding van burgemeester Rockox, was bezig om de Statenkamer in het stadhuis te verfraaien voor de definitieve onderhandelingsronde over het Twaalfjarig Bestand. Men kocht bij Jan Brueghel een bronzen Christusbeeld van Giambologna, de Vlaming die hofbeeldhouwer was in Florence. Abraham Janssens leverde het uitmuntende schouwstuk Scaldis et Antverpia. Antonio de Succa schilderde een hele reeks portretten van vroegere vorsten. En Pieter Paul Rubens kreeg de opdracht om voor een andere schouw een Aanbidding van de drie koningen te leveren, een groots tafereel vol van de laatste snufjes die hij in Italië had gezien. Het thema paste bij de onderhandelingen: de drie koningen, afkomstig uit verschillende oosterse gebieden, konden symbool staan voor de onderhandelaars, een internationaal gezelschap dat ondanks religieuze en politieke meningsverschillen verenigd werd door de liefde voor Christus/de hang naar vrede. Het moet burgemeester Rockox iedere keer weer plezier hebben gedaan, deze schitterende zaal betreden. Toen in zijn Statenkamer de wapenstilstand eindelijk in een verdrag kon worden gegoten, toen men dit verdrag aan de bevolking kon afkondigen voor het stadhuis op 14 april 1609, beleefde hij het hoogtepunt van zijn politieke leven.”
L. Huet en J. Grieten, Rockox. Burgemeester van de Gouden Eeuw, Meulenhoff Manteau, 2010, p. 180.

Wat een geluk. Gisteren hoorde ik een uitgever vertellen dat de vertaling van Vrouwe Murasaki’s meesterwerk Het verhaal van Genji uitverkocht was en niet herdrukt zou worden als hardcover. Vandaag vond ik op de valreep een exemplaar bij boekhandel Plato in Leuven. Meteen bladerde ik naar mijn favoriete hoofdstuk, over de verlegen en verarmde prinses met de grote rode neus. Ik maakte ooit kennis met haar in een Italiaanse vertaling, en daar droeg ze de prachtige naam Fior-di-Zafferano. In het Nederlands, zie ik nu, heet ze Saffloer.
Murasaki Shikibu, Het verhaal van Genji, 2 dln, vertaald door J. Vos, Athenaeum – Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2013.