
Lhasa, Tibet, februari 1846. De Franse missionarissen Evariste Huc en Jean Gabet – de eerste westerlingen in de regio sinds 1812 – worden ondervraagd door de Regent van Lhasa en de Chinese ambassadeur Ki-Chan.
“Wij toonden de drie kaarten die we bij ons hadden: een wereldbol, een wereldkaart volgens de projectie van Mercator, en een Chinees Keizerrijk. […] Het was onmogelijk om voort te gaan, zonder wat aardrijkskundeles te geven. Wij kwamen vriendelijk tegemoet aan de wensen van de Regent en de Chinese ambassadeur. Op de wereldkaart van Mercator toonden wij hen met de vinger China, Tartarije, Tibet en alle andere gebieden van de aarde. De Regent was verbijsterd toen hij zag hoe ver wij van ons vaderland verwijderd waren, en welke lange weg wij hadden moeten afleggen, te land en ter zee, om hem een bezoekje te brengen in de hoofdstad van Tibet. Hij keek ons verbluft aan. Daarna richtte hij de duim van zijn rechterhand op en zei: ‘Jullie zijn zulke mannen….'”
E. Huc, Souvenirs d’un voyage dans la Tartarie, le Thibet et la Chine pendant les années 1844, 1845 et 1846, Doornik, 1850, p. 328.







