Mercator in Lhasa

De reisroute en Evariste Huc, afgebeeld in Mantsjoe-kostuum

Lhasa, Tibet, februari 1846. De Franse missionarissen Evariste Huc en Jean Gabet – de eerste westerlingen in de regio sinds 1812 – worden ondervraagd door de Regent van Lhasa en de Chinese ambassadeur Ki-Chan.
“Wij toonden de drie kaarten die we bij ons hadden: een wereldbol, een wereldkaart volgens de projectie van Mercator, en een Chinees Keizerrijk. […] Het was onmogelijk om voort te gaan, zonder wat aardrijkskundeles te geven. Wij kwamen vriendelijk tegemoet aan de wensen van de Regent en de Chinese ambassadeur. Op de wereldkaart van Mercator toonden wij hen met de vinger China, Tartarije, Tibet en alle andere gebieden van de aarde. De Regent was verbijsterd toen hij zag hoe ver wij van ons vaderland verwijderd waren, en welke lange weg wij hadden moeten afleggen, te land en ter zee, om hem een bezoekje te brengen in de hoofdstad van Tibet. Hij keek ons verbluft aan. Daarna richtte hij de duim van zijn rechterhand op en zei: ‘Jullie zijn zulke mannen….'”

E. Huc, Souvenirs d’un voyage dans la Tartarie, le Thibet et la Chine pendant les années 1844, 1845 et 1846, Doornik, 1850, p. 328.

Ferragosto

Rubens, Tenhemelopneming van Maria, kathedraal, Antwerpen.

Per aspera ad astra, door het lijden naar de vreugde. Die boodschap is feestelijk duidelijk in het tafereel dat Rubens meer dan tien jaar later penseelde voor het hoogaltaar van de kathedraal zelf. Maria wordt ten hemel opgenomen en verlaat deze wereld, dat zie je, blij, opgelucht en vol verwachting. Engelen dragen haar, in een uitbarsting van lichte kleuren: wit, roze, azuur, goudgeel. Barok? Nee, rococo.”

Zo schreef ik acht jaar geleden in Mijn België. Later las ik dat de glimlachende vrouw in de rode jurk een portret zou kunnen zijn van Isabella Brant, die stierf aan de pest toen Rubens het schilderij voltooide. Haar aanwezigheid geeft me sindsdien te denken. En omdat 15 augustus in de provincie Antwerpen nog steeds moederdag is, reis ik naar het noorden om met mijn moeder op het terras te zitten. Het zal zijn alsof we daar zitten om samen naar het spektakel van de wereld te kijken. Syrië, Iran/Israël, de Amerikaanse presidentsverkiezingen – we kunnen er niets aan veranderen.

(Vierhonderdste bericht.)

Zomeravond

Godshuis Van der Biest, Falconrui 33, Antwerpen

Ziehier de tuin van het Godshuis Van der Biest, op het literaire salon gewijd aan Max Elskamp. Alles staat klaar voor de prachtige Brelvertolking van Filip Jordens. Daarna was het tijd voor Elskamps gedichten, meeslepend gelezen en vertaald door Geert van Istendael, en Elskamps wandeling, bedacht door uw dienares. En voor chocoladetaart en rode wijn (er was ook Seefbier).

Niet alle mooie verhalen komen van schrijvers, dat weet u even goed als ik. Een vriendelijke bezoeker, wiens naam ik tot mijn spijt vergat te vragen, vertelde me over de reproducties naar schilderijen van Pieter Bruegel, die Wannes Van de Velde inspireerden tot het ontroerende lied Café Bruegel (ik ken geen vriendelijker woorden dan dat: “Zet uw eigen bij de ploeg”). Na de sluiting van het café zijn ze verkocht op de Vrijdagmarkt. De pastoor van de Sint-Andrieskerk  – een collega-kunsthistoricus, als ik me niet vergis – kocht ze, en ze sieren nu de parochiezaal van Sint-Andries. Goed om te weten.

Niet vergeten: volgende vrijdag en zaterdag zijn er literaire salons over Hugues C. Pernath en Paul de Vree.

Verhaal voor zaterdag

“Liefde en griefde. Amour, amure. Liefde, bliefde. Geriefde, liefde. Ziedde. Ziedet?

Amure, de hals van een zeil. Hoe lang was het geleden dat hij een zeilschip had gezien? Met zijn hand kon hij de vergulde wijzers van de klok aanraken als hij dat wilde. En tijdens zijn wandelingen door de stad richtte hij zich altijd wel een keer naar het uurwerk van de toren. Maar tijd en tel waren hem ontglipt. Ik ga de toekomst in, dacht de dichter. Een toekomst die hij niet had kunnen bevroeden. Er waren nog mensen die zijn taal spraken in de stad. Sommigen van hen lazen zelfs zijn gedichten. Wanneer hij ’s nachts door een straat slenterde, hoorde hij wel eens een stem die een kwatrijn van hem prevelde. Iemand die de pocketuitgave las in bed, en een paar regels uitsprak, om te ervaren hoe ze klonken. Als tingeltangel, dacht hij. Als muziekdoosjes. Hij had zijn woordenmechaniekjes zorgvuldig in elkaar gesleuteld om te klinken als een kermis, een dansfeest in de verte.”

Zaterdag lees ik een nieuw verhaal over Max Elskamp voor aan de Falconrui 33 in Antwerpen. Wees welkom!

Meer info vindt u hier.

Wat je niet wilt

Het is dan toch een keer gebeurd. Op 6 juli voltooide ik een verhaal. Vandaag wil ik het nalezen en tref ik een fragment aan. De juiste versie vergeten op te slaan, de nachtmerrie van een schrijver. Natuurlijk, er zijn grotere rampen. T. E. Lawrence verloor het manuscript van Seven Pillars of Wisdom op de trein. Een voorval waarover ik niet in detail wil nadenken. Hij ging naar huis en schreef het hele boek opnieuw. Zevenhonderd dicht bedrukte pagina’s in de pocketuitgave. Over zoveel take it on the chin public school spirit zal ik nooit beschikken, maar de helft van een verhaal wil ik nog wel opnieuw bedenken. Waar is de koffie?

Mogelijk een nuttige link voor gelijkaardige gevallen.

Wijs

It’s wise!

In mijn vaders garage ontdekte ik een charmante Whizzer uit 1948 – de windhond onder de motorfietsen. Ooit was het leven goedkoop en bestonden er goedkope vervoermiddelen. Laat de zomer nog even duren, en ik rijd ermee, zo vertel ik mezelf.

Pelham Grenville

Wodehouse, Autobiografie

Vol vreugde ontdekte ik deze titel in de kast met Oude Pockets in de logeerkamer.

‘Het kwam mijn vader voor dat twee zonen op de universiteit meer was dan zijn beurs kon verdragen. Dus de Studie greep ernaast en de Handel kreeg mij.

Nu denk je waarschijnlijk, Winkler, dat de Handel hier wel bij voer, maar dan heb je het mis. Mogelijk omdat ik een toegewijd kunstenaar was, wiens ziel hoog boven het gesjacher stond of mogelijk – en dit gezichtspunt werd meer ingenomen op kantoor – omdat ik gewoon maar een stomme eend was. Ik bleek de meest ondoelmatige klerk te zijn wiens zitvlak ooit het oppervlak van een kantoorkruk verwarmd had. Ik kon geen kwaad, zolang ze me op de postkamer hielden, waar ik niets anders te doen had dan brieven te frankeren en te verzenden, een taak die juist aangepast was aan mijn kwaliteiten, maar toen ze me op Vaste Deposito’s plaatsten, ging al spoedig het praatje door Lombard Street: “Wodehouse heeft het niet meer. Hij kan er niet tegenop.”

Als er al een moment geweest is in de loop van mijn bankloopbaan waarop ik ook maar een vage indruk had van wat ik nu eigenlijk deed, kan ik mij dat toch niet herinneren.

Van Vaste Deposito’s zeilde ik naar Binnenlandse Wissels – en het heeft geen zin mij te vragen wat Binnenlandse Wissels zijn. Ik heb het nooit ontdekt. – en toen naar Buitenlandse Wissels en naar Kas, altijd met een zwak, verontschuldigend glimlachje op mijn gezicht en hopend dat mijn vriendelijke karakter me erdoorheen zou slepen, als ik tekort zou schieten in de uitvoering van mijn geheimzinnige verplichtingen en ik wist dat dat binnenkort moest gebeuren.’

De Londense City heeft dus ooit wel P.G. Wodehouse aan de wereld geschonken. Een goed punt.

De man met de rare voornamen nam soms wraak door zijn personages met gelijkaardige lasten op te zadelen. Mijn favoriet is zijn keuze om de financier L.G. Trotter niet Leonard Graham, maar wel Lemuel Gengulphus te dopen.

P.G. Wodehouse, Wodehouse over Wodehouse. Een autobiografie met uitweidingen, vertaald door B.H. Loof, Prisma-Boeken, Utrecht-Antwerpen.