Fashionista

Koorgestoelte, Sint-Catharinakerk, Hoogstraten

“Later, toen hij het nodig vond de zonderling uit te hangen, had Des Esseintes ook zijn woning op opzichtige en bizarre wijze gemeubileerd. … Ten slotte had hij een hoge kamer laten inrichten om er zijn leveranciers te ontvangen. Deze kwamen binnen en gingen naast elkaar zitten in koorstoelen; dan besteeg hij een indrukwekkende preekstoel en hield een preek over het dandyisme, waarbij hij zijn schoen- en kleermakers op het hart drukte zich zo precies mogelijk te schikken naar zijn herderlijke brieven wat betreft de snit van zijn kleren en hen dreigde met geldelijke excommunicatie als ze niet letterlijk de instructies opvolgden die deze vermaningsbrieven en bullen bevatten.”

J.-K. Huysmans, Tegen de keer, vertaald en met een nawoord van J. Siebelink, Amsterdam, 2011, p. 43.

Boomklever

Twee boomklevers

De boomklevers vonden snel de weg naar het nieuwe voederhuisje. Zij kregen gezelschap van nijdige koolmezen en beminnelijker pimpelmezen, vinken, drie roodborstjes, een Turkse tortel, merels, een kleine bonte specht, een winterkoninkje, een fazant en een stoere kuifmees. In een hoek van de wei keek een haas toe.

Ik leerde een nieuw woord: bieteut, voor koolmees.

Genius loci

Begijnhof, Turnhout

“Daar de vrouw echter soms langs het huis moest lopen om bij een schuurtje te komen waar het hout lag, wilde hij vermijden, als zij voorbij het raam kwam, dat haar silhouet hem zou tegenstaan. Hij liet daarom een kostuum voor haar maken van Vlaamse grove, zijden stof, met een wit kapje en een brede, zijden capuchon die op haar schouders hing, zoals de begijnen die nog steeds dragen in Gent. Als een glimp van haar kap in de schemering langs hem heen ging, kreeg hij het gevoel in een klooster te zijn. Hij moest dan aan die stille, vrome dorpjes denken, die doodse wijken, ingesloten en weggestopt ergens in een drukke en bedrijvige stad.”

Aldus estheet Jean des Esseintes, in zijn kluizenaarswoning van Fontenay, nabij Parijs. Diens schepper, Parijzenaar met Laaglandse wortels Joris-Karl Huysmans, putte uit reis- en familieherinneringen voor deze vluchtige evocatie van begijnhoven. Hij had een oudtante die op het begijnhof in Turnhout woonde. Het lijkt me een mooi voorbeeld van poëtische humor, dat de ultieme decadente roman van de negentiende eeuw mede geïnspireerd is door het grensstadje uit mijn kinderjaren.

J.-K. Huysmans, Tegen de keer, vertaald en met een nawoord van J. Siebelink, Amsterdam, 2011, p. 51.

Steen

In het bos

We trokken onze rubberen laarzen aan, namen schop en rijf en staken het besneeuwde bruggetje over naar het bos. De sneeuw vertoonde nu al voor de tweede nacht geen kattensporen meer. We spitten een kuil – de bovenste laag van de grond was stevig bevroren, enkele centimeters dieper werd alles ruller. We markeerden het kattengrafje met een baksteen, om te blijven weten waar ze ligt, wanneer hier de anemonen, de meiklokjes en de varens bloeien.

Hermetisch zwart

Kalligrafie Huis de Zomere, Brugge

Een van de eerste volwassen romans die ik kocht, Yourcenars Het hermetisch zwart, in de vertaling van Jenny Tuin.

“De begrippen stierven als de mensen; hij had in de loop van een halve eeuw verscheidene generaties van gedachten tot stof zien vervallen.”

Oude en jonge Reynaert

L. Freud met vossenwelp (foto David Dawson)

Waar haalde Lucian Freud toch al die dieren? De schilder is er niet meer, leeft de vos nog?

Ik geloof dat ik minder aangesproken word door het feit dat Freud ‘something of a Byronic hero’ zou zijn dan door de manier waarop hij schilderde tegen de klok, de klok rond, geobsedeerd door het wegglijden van de tijd.

De n-de

Koningin Elisabeth II poseert voor Lucian Freud (D. Dawson, National Portrait Gallery, Londen)

De koningin poseert welwillend maar stoïcijns voor de n-de portretschilder. In mantelpak en tiara, een bizarre combinatie. Het handvat van haar tasje is een treffend detail.

Tegen de keer

Paris 6e, Rue Huysmans

“Het is Vlaams, rauw en hard,” hoorde ik een criticus zeggen over een film. Die drie woorden komen vaak samen voor. Zelden heb ik iemand horen verkondigen: “Het is Vlaams, verfijnd, welhaast overgevoelig.” We moeten wel een zeer beperkt beeld van Vlaanderen hebben, als we de daar ontstane kunstwerken alleen maar kunnen waarderen indien ze in verband te brengen zijn met bruutheid en primitivisme.

Het is dan ook een wonderlijke verademing om, voor de derde keer in mijn leven, Huysmans’ Tegen de keer te lezen. Ja, het is een boek over decadentie; het is vindingrijk subversief, elitair, venijnig geestig en soms ook een tikje ongewild grappig. Ik neem aan dat dit het soort boek is waarmee je de bokken van de schapen zou kunnen scheiden – zij die beweren van kunst te houden, maar eigenlijk enkel geven om fraai verpakte welzijnswerkerpraatjes, verkavelingsdrama’s en kalenderwijsheden, plus carrièremogelijkheden – en zij die bereid zijn een ontdekkingstocht te ondernemen.

Natuurlijk, sommige zaken blijven vreemd: hoofdpersoon Des Esseintes is bijvoorbeeld wel erg neurotisch, en wekt al peinzend de indruk dat men door en door neurotisch of anderszins ‘ziek’ moet zijn om originaliteit en verfijning te bereiken. Dat lijkt mij persoonlijk ook naar het cliché te neigen.

Hoe dan ook ben ik Huysmans dankbaar. Hij is actueler dan ooit.

Vlaams, verfijnd, welhaast overgevoelig? Dan denk ik plotseling spontaan aan Max Elskamp, maar ook aan Maurice Gilliams.