Deze morgen wandelde ik door een landschap dat ingekleurd leek te zijn door Fernand Khnopff. In werkelijkheid zat er ook een zweem van ijzig roze in de lucht, niet opgevangen door mijn cameraatje. De kauwen cirkelen om het voederhuisje dat normaal gezien alleen bezocht wordt door pimpel- en koolmezen, heggemussen en roodborstjes, heel soms ook door een merel. Wat eten ze haastig en onrustig.
Hiroshige maakte deze prent omstreeks de tijd dat België ontstond. Camelia en mussen in de sneeuw. Vergelijk ik het met de foto’s die ik in de sneeuwtuin maakte, dan wordt het verschil tussen de hand van de kunstenaar en die van de leek snel duidelijk. Nog afgezien van het verschil in medium. Hoe die mussen in de vlucht vastgelegd zijn! Zonder zoomlens. De onderste heeft zelfs een grappige uitdrukking. Geen vlok valt verkeerd en de zegels dragen bij tot de schoonheid.
Het is toch wel wonderlijk dat je in je tuin net een camelia hebt ontdekt, dat het begint te sneeuwen, en dat iemand de sneeuw trotseert om je een gedicht over een camelia in de sneeuw te brengen.
Ik kon mijn ogen niet geloven. Op wellicht de grauwste dag van het jaar zag ik vanuit de auto de camelia bij de voordeur bloeien. Eén bloem in een weelde van knoppen. Roze als elk cliché over de zomer. En weldra begint het te sneeuwen.
… met Lichtmis enzovoort. Pannenkoeken die ik voor de eerste keer in mijn leven bakte, met mispelgelei die ik voor de eerste keer in mijn leven maakte. Heerlijke combinatie. Nu is het alleen nog wachten op de genodigde. En op de schemering, om de kaarsen aan te steken.
De slaapkamer blijft ijskoud. De wind snijdt uit het oosten. Elk ensemble van kleding vereist op dit platteland een fundering van ski-ondergoed, zo goed mogelijk verborgen. Maar de sneeuwklokjes versagen niet. Zij versagen nooit. En na de eerste schok van vreugde zie je nog meer.
Het stille werk van Gwen John heb ik altijd mooi gevonden.
Snuisterend in mijn boekenkast vond ik het enige boek terug dat ik over de kunstenares en haar werk bezit. Mijn moeder schonk het mij in Londen in 1998. We kochten het, volgens een ingesloten papiertje, bij Shipley, Specialist Art Booksellers, 70 Charing Cross Road. Nogmaals dank, lieve M.!
Vele kunstenaars hebben lezende en studerende vrouwen op een mooie manier afgebeeld. Niemand, denk ik, slaagde erin zulk een gevoel van rust te scheppen als Gwen John. Hier portretteerde ze haar toekomstige schoonzus Dorelia McNeill.
Lezende vrouwen, of de ingetogen sfeer van het lezen, waren belangrijk voor Gwen John. Geen wonder dat ik in dat jaar een ander schilderij van haar koos voor het omslag van Oud Papier.
Zo’n mooie besneeuwde ochtend had ik in deze drassige winter niet verwacht. Ik trek mijn Oxfam-hippie-schapenjas aan en mijn rubberlaarzen. Ik blijf op het tuinpad wandelen om de krokante helderwitte laag met haar lila schaduwen niet te beschadigen. Ik zie sporen van reeënhoefjes. Het vuurwerk van de bloeiende toverhazelaar, lievelingsstruik van mijn vader, is besneeuwd en beijzeld: ik ruik zijn subtiele parfum van ver.
Antoon Van Dyck, Zelfportret op jonge leeftijd, Akademie der Bildenden Künste, Wenen
Het loont om oud papier niet zomaar weg te gooien. Ik open een boek van de kunsthistoricus Max Rooses uit 1900, over Antoon Van Dyck en zie, op de eerste bladzijde is het al raak. Dat vond ik altijd het mooie aan geesteswetenschappen: hoewel er vorderingen worden gemaakt en nieuwe feiten en inzichten aan het licht komen, blijft ook de geschiedenis van die wetenschappen zelf rijk en vruchtbaar.
“Hij was een man van gevoel, meer dan van kracht; hij liet velerlei invloeden op zich inwerken zonder grooten weerstand te bieden, zou men zeggen; maar zijne weekere geaardheid en zijn kiesche smaak gingen niet verloren onder de machtige indrukken, die hij van de grote voorgangers ontving; hij ontgroeide eerder dan hij zich ontworstelde aan hun geweld, en gelouterd en gerijpt uitte hij zich in immer wassende zelfstandigheid. Hij is een Antwerpenaar van het zuiverste bloed, verliefd gelijk al de kunstenaars zijner stad op het fraaie, het zwierige, het glansende; maar hij overtreft hen allen door zijne ingenomenheid met het voorname, het bevallige, het teedere, door de gevoeligheid van zijn gemoed en de hooge onderscheiding van zijn trant. Hij levert het klinkendste protest tegen de bestempeling van dorperheid en nuchterheid, onzen landaard zoo vaak aangewreven.”
Max Rooses, Vijftig meesterwerken van Antoon Van Dyck, 1900, Antwerpen, p. 1.
Opzoekingswerk voor een boek is bijzonder leuk wanneer je oude artikeltjes van je eigen grootvader mag herlezen.
‘Ik sta steeds in bewondering bij onze oude Kempische jagers, met hun flink afgerichte honden die altijd typische korte en kordate namen dragen als Tor, Snep, Jank, Brak, Djan enzovoort. Me dunkt dat die eenlettergreepse namen heel wat meer kracht bijzetten en heel anders klinken dan Moustache of Mormiche of iets dergelijks. Zo heb ik wel eens een hond gekend die luisterde naar de naam van Scipion l’africain (de eigenaar van dat wonderbeest is later krankzinnig gestorven, hetgeen me niet verwonderd heeft…)’ (Nemrod, De Jachttribuun, 1948)