
Toen ik het eerste canonboek van de Koninklijke Academie las, nu vijf jaar geleden, werd ik getroffen door deze strofe van Hadewych:
Als hem die tijt vernuwen sal,
Nochtan es berch ende dal
Wel doncker ende ontsiene overal;
Doch gheet die hasel bloyen.
Al hevet die minnare ongheval,
Hi sal in allen groyen.
Hetgeen, volgens de werkvertaling van A. Lint op hadewych.net als volgt te lezen is:
Nu het jaargetij zich vernieuwt,
zijn berg en dal evenwel
erg donker en lelijk overal.
Toch gaat de hazelaar bloeien.
Al heeft de minnaar tegenspoed,
hij zal door alles heen groeien.
‘Toch gaat de hazelaar bloeien’. Te vroeg misschien, in de barste omstandigheden. Het heeft te maken met die omertà del bene, de zwijgplicht van het goede, waaraan de hoofse mens zich het beste kan houden. Ik houd ook van het vers ‘als de tijd zich vernieuwen zal’. Het klinkt beloftevoller nog dan ‘in de lente’.












