Hera in vol ornaat

Annibale Caracci, Juno en Jupiter, Galleria Farnese, 1597.
Annibale Carracci, Juno en Jupiter (Hera en Zeus), Galleria Farnese, Rome, 1597.

Een godin maakt zich op. Bij die woorden denkt u misschien aan Charlize Theron die zich laat omvormen en omschminken tot seriemoordenares Aileen Wuornos voor de film Monster. Een briljant staaltje trompe-l’oeil, maar veeleer vermomming dan maquillage. Homeros beschreef 2750 jaar geleden al indringend hoe oppergodin Hera zich verfraait om haar echtgenoot Zeus een loer te draaien.

Eerst waste zij met ambrozijn
van haar bekoorlijk lichaam alle vuil
en wreef zich glanzend in met geurige
en goddelijke olie uit olijven,
een rijk parfum alleen voor haar gemaakt.
Als deze ook maar even werd geschud
in Zeus’ paleis met bronzen drempel, reikte
de geur toch tot de hemel en de aarde.
Zo zalfde zij haar prachtig lichaam, kamde
de haren, en haar handen vlochten ze
tot glanzende en goddelijke tressen,
ze hingen mooi langs haar onsterflijk hoofd.
Zij trok een goddelijke peplos aan,
voor haar met kunst en kunde door Athena
geweven en bezet met veel borduursels.
Met gouden spelden maakte zij het kleed
van voren op haar boezem vast en deed
een gordel om voorzien van honderd kwasten,
en in de fijne gaatjes van haar oorlel
hing zij twee oorbellen met pareltjes
versierd als bessen in een tros van drie.

Heerlijk materiaal voor een kostuumontwerper, om mee aan de slag te gaan. En in die nevel der tijden al geurige olie horen aanprijzen, elke gebruikster van Huile prodigieuse zal glimlachen om dat herkenbare aspect van het dagelijks leven. Dit gezegd zijnde, de Griekse goden blijven me verwonderen: boeiende personages en ondernemende ruziemakers, daar niet van; wellicht ook interessante totems; maar het is zo moeilijk om er, buiten de onsterfelijkheid, iets goddelijks in te ontwaren.

Homeros, Ilias. Wrok in Troje, vertaald door P. Lateur, Amsterdam, 2010, p. 386.

Leve Henegouwen!

size_500_500_F10334I0093ZELOAZoals oorlogspiloten heb ik graag een stuk chocolade op zak bij wijze van noodrantsoen. En deze  tabletten van chocolaterie Dolfin uit Braine vervullen me met zoet patriottisme-light en gedachten aan de provincie waaruit mijn familie afkomstig is. Henegouwen, het aloude hartland van de ridderlijkheid. Lees Froissart er maar op na. Dankzij de etymologische uitleg op de verpakking weet ik nu bovendien eindelijk wat babelutte zoal kan betekenen, en dat cuberdon afgeleid zou zijn van cul de bourdon, hommelgat. Smakelijk!

Quota

Begijnen in Hoogstraten
Begijnen in Hoogstraten eertijds

“Te weinig vrouwen in het professorencorps van de universiteiten,” hoor ik over de radio. Vermoedelijk zijn er ook te weinig vrouwelijke huisvuilophalers en beenhouwers, maar daar hoor je zelden over spreken.

En is de sfeer aan onze universiteiten wel aanlokkelijk voor lieden met een wetenschappelijk temperament? “Voortdurende evaluatie” lijkt me bij uitstek een instrument om mensen ongelukkig te maken en slaapverwekkende middelmaat te scheppen.

Anderzijds, wat te denken van sommige administratieve diensten waar vrouwen almaar andere vrouwen aanwerven voor combineerbare deeltijdse jobs en mannen slechts mogen opdraven als computerherstellers?

(Foto via Beeldbank Hoogstraten)

Henry en de vriendschap

Elskamp op de laatste tentoonstelling in het Volkskundemuseum, 2007
Elskamp op de laatste tentoonstelling in het Antwerpse Volkskundemuseum, 2007  (foto J. Grieten)

Toen Max Elskamp op het Athenaeum verscheen leek hij niet zwakker dan wie ook van zijn medeleerlingen uit de vierde Latijnsche. Die eigenaardigheid van zijn laat op school komen was snel vergeten. En wat zijn vlijt betreft – Max werkte met een onverschilligheid die gelijk was aan de mijne.
Slechts datgene boeide ons, wat ons toeliet te ontsnappen aan wat wij voorvoelden dat het ons zou brengen in een straatje zonder eind, eens dat wij een vrij beroep zouden kiezen waarvoor wij nu al geen belangstelling hadden.
Integendeel, een vurige passie dreef ons ver van de school naar de haven, naar dit kwartier waar alles het avontuur opriep, waar alles exotisch was en het heimwee opwekte naar wat achter den berookten horizon verscholen lag, door vertrekkende schepen open geschoven alvorens uit onze blikken te verdwijnen.
Wij waren allebei in het Schipperskwartier van Antwerpen geboren. En als wij ons naar de grote sluis van Kattendijk begaven moesten wij er doorheen.

Henry Van de Velde, De poëtische vorming van Max Elskamp, vertaald door L. Zielens, Antwerpen, 1943, p. 14-15.

Maria Sibylla

Maria Sibylla Merian, Tak van een bananenboom met rupsen en motten, Metamorphosis, 1705
Maria Sibylla Merian, Tak van een bananenboom met rupsen en motten, Metamorphosis, 1705

Ik heb my van myne jeugt af aan met de onderzoeking der Insecten bezig gehouden, in ’t eerst begon ik met de Zyde-wormen in myne Geboorte-stad Frankfort an den Main, daar na bemerkte ik dat uit andere Rupsen veel schoonder Capellen en Uilen [dag- en nachtvlinders] voortquamen, als uyt de Zyde-wormen; dit bewoog my om alle Rupsen te vergaderen, die ik vinden konde, om haar veranderingen waar te neemen, waarom ik ook alle gezelschap der menschen verliet, en my tot deze onderzoeking verleedigde, op dat my in de Schilderkonst zoude konnen oeffenen, en die na het leven teikenen en schilderen.

Dit schreef Maria Sibylla Merian in 1705 in het voorwoord van haar monumentale publicatie Metamorphosis Insectorum Surinamensium. Vandaag is haar geboortedag, een mooie Google-doodle herinnerde me er op gelukkige wijze aan. Toen we werkten aan ons boek Oude meesteressen, vatte ik een grote waardering op voor deze kunstenares/wetenschapster/ontdekkingsreizigster (1647-1717), die samen met haar dochters uit Amsterdam naar Suriname vertrok om er onderzoek te doen naar planten en insecten.
Die andere vlinderkenner, Vladimir Nabokov, ontdekte op zijn achtste in het buitenhuis van zijn ouders een editie van Merians boek over Surinaamse insecten en getuigde daarover in Geheugen, spreek, maar ook in de heerlijke roman Ada, waarvan de hoofdpersoon een meisje is dat graag botaniseert: “Je raffole de tout ce qui rampe.” Kijk, dat vind ik een sierlijke fladdervlucht door de geschiedenis.
En ooit mocht ik in de bibliotheek van Artis in een kostbaar en door Merian zelf ingekleurd exemplaar van de Metamorphosis bladeren.

L. Huet en J. Grieten, Oude meesteressen. Vrouwelijke kunstenaars in de Nederlanden, Leuven, 1998, p. 157-185.

Dulle Griet

indexDe Brugse boekhandel De Reyghere heeft een mooi aanbod van Franstalige literatuur. En zo ontdekte ik rijkelijk laat de Brusselse schrijver Dulle Griet. “Amoureux de la capitale belge, il a décidé d’en faire, tout à la fois, le décor et l’héroïne de ses romans.” Vanaf de eerste regel heb ik me met deze detectiveroman geamuseerd. Die eerste regel luidt immers: Vé van Bomma, patate mè saucisse.. Dulle Griet strooit, in tegenstelling tot de meeste detectiveschrijvers, gul met voetnoten in het rond, zodat ik meteen iets bijleerde over de oorsprong van dit klassieke lied. Het zou gaan om een verbastering van een succesnummer na de Eerste Wereldoorlog, met als beginregel: Vivre à Boma, avec mon Artémise. Nu u weer.

Een staaltje.
“Dis, papzak, t’ a pas besoin d’énoncer des évidences, hein!” glisse la demoiselle  au prénom fleuri dans le silence que Stu a eu la maladresse de prolonger au point de donner l’impression qu’il se désinteressait de leur discussion. “Si j’avais cru Serge idiot, je ne serais pas venue demander son aide. Le problème n’est pas de son côté, mais du mien.”
Le papzak soupire.
Potfermiliaarde!
Ja, ik voel me wonderlijk thuis in dit boek.

Dulle Griet, Les fenêtres murmurent. Les mystères de Bruxelles, Presses de la Cité, 2013, p. 31-32.

Pasen

Juan de Flandes, Noli me tangere, Madrid, Palacio Real
Juan de Flandes, Noli me tangere, Madrid, Palacio Real

Heel mooi lentelicht legde Juan de Flandes, een van onze betere exportproducten,  vijfhonderd jaar geleden vast. Op een voorjaarsdag wat in de tuin kunnen werken in plaats van klappertandend in winterwol rond te lopen, hoe heerlijk moet het zijn. In elk geval: mogen de zachtgekookte eitjes en de chocolade u smaken.

De Judas van Leonardo

Het Laatste Avondmaal (oude kopie naar Leonardo da Vinci), abdij van Tongerlo
Het Laatste Avondmaal (oude kopie naar Leonardo da Vinci), abdij van Tongerlo. Judas zit uiterst links en grijpt naar een broodje.

‘Judas had de beste rol,’ zei A.S. Byatt onlangs in een interview, en daar zit wat in. Borges schreef  een verhaal waarin Judas wel een heel bijzondere interpretatie meekrijgt. Maar dan heb je nog Petrus die zijn zwaard trekt, en de haan die driemaal kraait, en Petrus die “bitter weent”. Ook heel navrant. En enkele dagen na dat alles volgt dan mijn absoluut favoriete bijbelscène, die tussen Maria Magdalena en de hovenier.
Nu het Laatste Avondmaal in Milaan een kapotgerestaureerde ruïne is, loont het om de waardevolle kopie in de abdij van Tongerlo als illustratie te gebruiken. Rubens kwam het doek, mogelijk geschilderd door Leonardo’s assistent Solario, ter plaatse bekijken.

Waar haal je een Judas? Leo Perutz toonde in zijn roman van 1959 de kwikzilveren meester aan het werk. De hertog van Milaan vraagt Leonardo waarom hij niet voortschildert aan zijn fresco.
‘Omdat ik het allerbelangrijkste nog niet heb en nog niet zie, namelijk de kop van Judas,’ antwoordde meester Leonardo. ‘Begrijpt u mij goed, heren: ik zoek niet een willekeurige spitsboef of een ander soort misdadiger, nee, de allerslechtste man in heel Milaan wil ik vinden, naar hem ben ik op zoek, zodat ik die Judas zijn gelaatstrekken kan geven. Waar ik maar ben, speur ik naar hem, dag en nacht, op straat, in kroegen, op markten en ook aan uw hof, weledele heer, en pas als ik hem heb, kan ik het werk voortzetten – tenzij ik de Judas met zijn rug naar de kijker toe laat staan, maar dat zou me te schande maken. Geef mij mijn Judas, weledele heer, en u zult zien met hoeveel ijver ik me op het werk stort.’
Wie zoekt, die vindt.

L. Perutz, De Judas van Leonardo, vertaald door N. Van Maaren, Amsterdam, 1993, p. 17.