Woordspeling

Les affiches qui chantent tout haut. Na een week van gehoest, gekras, aspirine en Vicks liep ik met mistig hoofd naar de bakker, liet de bedroefde blonde weduwe een brood voor me inpakken en zag toen, aan het hekwerk rond een bouwwerf, een woordspeling die me blij maakte.

Van Errol naar Flora

Bekijkt men tijdens het weekeinde een film met Errol Flynn, dan levert dit nostalgisch amusement op, want Errol blijft very dashing indeed en kan als weinig anderen overweg met floret, cape, bepluimde hoed en laarzen tot over de knie. Wat ik echter niet verwachtte, was dat ik in een film met Flynn een wonderlijke Britse actrice zou ontdekken, die met haar charme en humor iedereen van de scène speelt. In The Sea Hawk vertolkt Flora Robson met heerlijke flair de rol van koningin Elizabeth I. Uiteindelijk hield zij me aan het scherm gekluisterd, veel meer dan de luimige piraten en de clichés over geschiedenis dat deden. Mooi, om naast al die zeemzoete leading ladies en love interests voor Errol een brok puur talent in actie te zien. Achter de schermen werkten ook briljante kostuumontwerpers – ziet u in de bovenste foto de grote parel die ter hoogte van de elleboog aan de mouw van de vorstin bungelt? Vermoedelijk hét visuele detail dat me van deze uren zal bijblijven.

De decorbouwers sloegen er echter gewoon een slag naar, of misschien was het geld op toen hun departement aan de beurt kwam. Geen enkel paleis uit die tijd had kale witte muren. Alleen kloosters hadden dat, als teken van armoede. Maar kloosters waren nu net afgeschaft in Engeland.

Mores

Supermarkt. Afdeling vleeswaren. Er duikt een vlotte, aangenaam ogende jongeman op, het type dat men ook zou kunnen aantreffen in loungebars of op een hip muziekfestival. Ik slenter naar de afdeling zuivel, en vervolgens naar de olie en azijn. Plotseling hoor ik een luid gesprek op agressieve toon. Twee personeelsleden van de winkel die in het magazijn staan te ruziën? Wanneer ik naar het volgende rek ga, zie ik dat de vlotte jongeman luidop in zijn mobieltje staat te praten. “Ik heb jou niets meer te zeggen, val me niet lastig, er is niets meer tussen ons, en als hij je een hoer heeft genoemd dan zal hij daar wel goede redenen voor hebben …” Ik stap verbijsterd verder. Dat mensen relaties uitvochten of beëindigden per GSM had ik al wel eens gehoord, dat ze dat ook in de supermarkt deden, is nieuw. Alle andere klanten mochten volop meegenieten van het gebeuren: in de rij voor de kassa ging het bitse gesprek gewoon voort. Het was nog niet afgelopen toen ik naar buiten ging. Wat bezielt die vrouw om aan de lijn te blijven, zo vroeg ik me af. Wat bezielt die man om niet meteen te zeggen: “Ik kan nu niet spreken”?

Gallantry is dead? Bij wijze van troost keek ik thuis naar wat fragmenten van Franse kostuumfilms. Boek door Madame de La Fayette, scenario door Jean Cocteau, zestiende-eeuwse kostuums geleverd door Pierre Cardin.

Porqué te vas?

Geen filmfragment herinnert me zo aan mijn eigen kindertijd als het bovenstaande, uit Cria Cuervos van Carlos Saura. Sous-pull, Schots rokje, pick-up met single. Kindactrice Ana Torrent groeide op tot een jolie laide, wat ik een mooi vrouwentraject vind. Het fragment stemt me melancholiek, de film opnieuw bekijken zou tot een roman kunnen leiden, dus laat ik het voorlopig maar zo.

Over de geschiedenis van kinderkleding door de eeuwen heen: Les petites mains.

Alicia

Mijn maandagen staan in het teken van Alice, of, in de Latijnse versie, Alicia. Aliciam iam incipiebat taedere iuxta sororem suam in ripa sedere nec quidquam habere quod faceret … Terwijl we vertalen, bekijken we de prachtige illustraties van Anthony Browne, geïnspireerd door René Magritte. Maar in 1903 verfilmde Cecil Hepworth het boek al op een schitterende manier. O, de hertogin wier baby in een big verandert! O, de stok kaarten! En zo begin ik na te denken over de kinderen die deze film zagen in het begin van de twintigste eeuw. Welgestelde kinderen uit Londen of kinderen in verre mijnwerkersdorpen?

Oude bekende

John Bellocq, Storyville, ca. 1912

 Deze foto van John Bellocq zag ik enkele jaren geleden voor het eerst in The World of Interiors. Er ging toen een belletje tinkelen. Bellocq fotografeerde prostituées in de wijk Storyville van  New Orleans – hij stond ook model voor de fotograaf in Louis Malles troebele film Pretty Baby. De ontspannen sfeer in dit portret vond ik, gezien de niet al te rooskleurige context, wel mooi, en de kousen en schoenen zouden opnieuw modieus kunnen zijn – maar let u vooral op wat er op de onderste plank van de bijzettafel staat. Miniatuurmeubeltjes gemaakt uit veren. Het Antwerpse Volkskundemuseum, waar we toen een tentoonstelling voorbereidden, bezat ook zo’n mysterieus ameublementje. Cadeautje van zeemannen voor hun vriendinnen aan de wal, leerden we toen.

(Foto via How To Be A Retronaut)

Malpertuis

“Wat hebben die Vlaamse filmmakers toch met bordelen?” vroeg J. zich geërgerd af bij de aanblik van enkele rommelige scènes uit Malpertuis. “Dat ze eens een paar keer goed naar de hoeren gaan in plaats van eindeloos provincialistisch over bordelen te blijven dooremmeren!” Ik kon hem slechts gelijk geven, hoewel een kabberdoes waarin men tegelijkertijd Sylvie Vartan, Johnny Hallyday en Matthieu Carrière aantreft bijzonder zou zijn. De acteurs kostten veel, voor het decor bleef er weinig anders over dan knutselwerk, wat  rollen fluweel en en een paar brocantestukken: Harry Kümel droomt als Luchino Visconti, maar beschikt niet over diens financiën.

En toch. Een Vlaamse film met Orson Welles, de door mij als kind aanbeden Susan Hampshire (in maar liefst drie rollen), de hoger genoemde Franse variété-artiesten en revelatie Matthieu Carrière – doe het maar na. Gebaseerd bovendien op een van mijn Belgische lievelingsboeken, door John Flanders/Jean Ray. Natuurlijk is het magisch-realisme de kunststroming van de flauwe oplossingen en slaat het hele verhaal nergens op, maar niemand schiep ooit sfeer, Belgische sfeer, als Jean Ray in zijn Malpertuis. Een oud, vervallen herenhuis in een vervallen Vlaamse stad; lepe, hebzuchtige petits-bourgeois in hun salonnetje, bij hun kasboek; heerlijke wafels, recht uit het wafelijzer, en dampende, sterke koffie in de keuken: Kümel evoceert ze allemaal. Om de waarheid te zeggen had ik nooit eerder van hoofdrolspeler Matthieu Carrière gehoord, maar nu verdedig ik van harte de stelling dat hij de vergelijking met om het even welke Visconti-efebe moeiteloos kan doorstaan.

Ja, ondanks de traagheid, de bizarre dubbing, de geaffecteerde acteursprestaties en de talrijke ongewild komische momenten ben ik tevreden dat  Kümels Malpertuis eindelijk mijn leven kruiste, op de valreep van 2011 – ik verlangde er al naar deze film te zien sinds ik in 2004 over Jean Ray schreef in Mijn België.

Séraphine

Séraphine Louis, Fruitstilleven

Mijn lerares Latijn raadde me aan de film Séraphine te bekijken, van Martin Provost, met de Belgische Yolande Moreau in de hoofdrol. Ik had ergens opgevangen dat Séraphine de Senlis (1864-1942) een kunstenaar was met een uitzonderlijk levensverhaal. Een dienstmeid-voor-het-zware-werk die schildert? Een soort Bernadette Soubirous van de beeldende kunst? En dan, de zogenaamde naïeve kunst is zo vaak nep-naïeve kunst van zoeterige aanstellers; en outsider art, is dat niet al dat gekrioel en die geobsedeerde horror vacui?

Wel, Martin Provost maakte een mooie film. Indigoblauwe dienstmeidenkleding, lakens wassen in de rivier, geknield schilderen, met delicate vingers, hangend boven het op de vloer uitgespreide doek. Ik kreeg een indruk van de eenzaamheid van Séraphines leven: dagloonster zijn, in een huurkamertje wonen, ’s nachts dat vreemde vuurwerk van kleuren. Alleen de bezoekjes aan de beminnelijke en snoeplustige Soeurs de la Providence, die Séraphine als weeskind hadden opgevangen, brachten soelaas in de droefheid. Het mysterie kon deze film ook niet verklaren: we zagen een eenvoudige vrouw voortdurend rondscharrelen, op zoek naar natuurlijke kleurstoffen, want kunstenaarsgerei kon ze niet betalen. Ze verzamelde slijk en klei in potjes, maakte wellicht aftreksels van planten, goot – met een verontschuldigende blik op het beeld van de Madonna – vloeibare was uit offerkaarsjes in een flesje, om te gebruiken als bindmiddel. In die zin werkte ze, en experimenteerde ze, als middeleeuwse kunstenaars, wier materiaalkennis onovertroffen is. Het was ontroerend, om haar tijdens het schilderen te horen zingen – haar geliefde kerkmuziek, jazeker, het Veni Creator Spiritus.

En de schilderijen? Ik zou ze in het echt willen zien. Men zou kunnen gewagen van gekrioel en horror vacui, maar haar afbeeldingen van bloemen en fruit herinnerden me ook aan bloemstukken en fruitstillevens van renaissance-en barokschilders.

De geheimen van Moonacre

Niemand schrijft een gelukkig einde voor een verhaal zoals Elizabeth Goudge dat doet, besloot ik gisteravond beduusd, in het besef dat ik iets bijzonders had beleefd. Niemand.

En nu? Op zoek naar een mooie oude uitgave, een eerste druk misschien, voorzien van een landkaartje? Meer boeken van Elizabeth Goudge bestellen, haar autobiografie?  Een DVD van de film opsporen, The Secret of Moonacre (Gabor Csupo, 2008)? Daarin vertolkt de lieflijke Dakota Richards de jeugdige hoofdrol en spelen Ioan Gruffudd en Natascha McElhone mee, twee van mijn favoriete acteurs, mensen die op een interessante manier mooi zijn – hoewel Ioan Gruffudd misschien te mooi is voor de rol van Sir Benjamin.

Na dertig jaar heb ik The Little White Horse eindelijk kunnen uitlezen. Opnieuw betrad ik de onvergetelijke torenkamer met Maria Merryweather. De beschrijving laat ik u zelf ontdekken, maar Maria’s reactie is ook de moeite waard. “It was all perfect. It was the room Maria would have designed for herself if she had had the knowledge and the skill. For she realized that very much skill and knowledge had gone to the making of this room. Fine craftsmen had carved the moon and the stars and fashioned the furniture, and an exquisite needlewoman had made the patchwork quilt and embroidered the curtains.

This way and that she stepped, putting her pelisse and bonnet and muff away in one of the chests, smoothing her hair before the mirror, washing her hands in the water that she poured out of the little silver ewer into the silver basin, touching all the beautiful things with the tips of her fingers, saying thank you in her heart to the people who had made them, and whoever it was who had arranged them.”

Moet dit boek niet opnieuw in het Nederlands vertaald worden? En, zo leren mij de interwebben, het model voor Moonacre was Compton Castle in Devon, waar ergens een torenkamer moet zijn die net als Maria’s kamer langs de ene kant uitkijkt op een zeventiende-eeuwse rozentuin vol liefdesknopen.

Romola

George Eliot publiceerde in 1878 een historische roman over Florence in het jaar 1492, met als heldin het humanistisch opgevoede meisje Romola de’ Bardi. Een boek waar ik gelukkig om ben, want George Eliot is bij uitstek de auteur van bijna angstaanjagend psychologisch inzicht, in tijdgenoten of mensen uit het verleden. En het decor is een van mijn favoriete steden. Het lijkt me sterk dat zo’n indrukwekkende roman zou kunnen worden verfilmd, zeker met de poppenkastachtige acteerprestaties die het handelsmerk zijn van de stomme film. Lillian Gish oogt mooi in dit portret, maar lijkt toch in alle betekenissen een maatje te klein om Romola gestalte te  geven. Zou iemand zich aan een hedendaagse verfilming wagen- ik verdenk filmregisseurs zelden van diepgravende literaire belangstelling -, dan stel ik de sublieme Tilda Swinton voor als hoofdrolspeelster.

Dit is de eerste blik die George Eliot ons gunt op haar hoofdpersoon. We betreden een schemerige kamer in de Via de’ Bardi.

“De enige vlek van heldere kleur in het vertrek was het haar van een rijzige jonkvrouw van zeventien of achttien. Ze stond voor een gebeeldhouwde leggio, of lezenaar, zoals men die vaak ziet in de koren van Italiaanse kerken. Het haar was van een roodachtige gouden tint, verrijkt door een vloeiende golving, zoals men kan waarnemen in de wolken bij zonsondergang op de prachtigste herfstavonden. Boven haar kleine oren werd het getemd door een zwart haarnet, en daaruit golfde het opnieuw vrijuit en vormde een natuurlijke sluier voor haar nek boven de vierkant uitgesneden japon van zwart rascia, of serge. Haar ogen rustten op een groot boekdeel voor haar; een lange witte hand lag op de rugleuning  van haar vaders fauteuil.

De blinde vader zat met geheven hoofd een weinig naar zijn dochter gekeerd, alsof hij haar zag. Zijn delicate bleekheid, benadrukt door de zwartfluwelen muts op zijn sluik wit haar, onthulde de gelijkenis tussen zijn oude gelaatstrekken en de hare, want ook haar wangen waren verstoken van enig roze. Beiden hadden dezelfde verfijnde voorhoofden en neusvleugels, in evenwicht gehouden door een volle, krachtige mond en een stevige kin, die een uitdrukking gaf van trotse vasthoudendheid en verborgen onstuimigheid: een uitdrukking die voltooid werd door de achterwaartse houding van het hoofd van het meisje en de grootse lijn van haar nek en schouders. Het was het soort gezicht waarvan men niet vermocht te  zeggen of het liefde zou inboezemen of enkel de onwillige bewondering die vermengd is met angst. Die kwestie moest beslecht worden door de ogen…”

Ziet u? Geen Lillian Gish.